De prekentuin

1999-05-14
  • Jaargang 43
  • nummer 10
Het is van Dick Bruna en het heet Nijntje in de dierentuin.
Wij lazen het voor aan onze kinderen en op den duur vertelden zij het aan ons. Van Sinterklazìn kreeg ik meer dan dertig jaar geleden een pastoraal aangepaste versie. Het heette Koos en Jaap in de prekentuin en het is nog altijd in ons bezit.

Onze vriendschap is bijna een halve eeuw oud geworden. Geen vriendschap die bij verjaardagen opbelt en cadeautjes stuurt, wèl één die er bij hoogte- en dieptepunten is. Geen vriendschap die de ander minstens elke maand ontmoet, wèl één die er ook na een pauze van jaren gewoon was. Wij hadden maar een paar woorden nodig en we wisten precies wat de ander bedoelde: ook als het om de diepste vragen van het leven ging.
Het begon allemaal in de keuken en op de zolder van juffrouw Westerhuis, tante Jo voor ingewijden. Daar werd de vaat opgeruimd en de zaak op stelten gezet. Daar vonden de verkennende en verdiepende gesprekken plaats. Ik heb me vaak verbaasd over dit merkwaardige stel: Jaap was toch een stuk ouder dan ik. Hij was een assertief, sociaal voelend mens, ik was verlegen en introvert. Hij had werkervaring in de rooie Zaan, ik kwam regelrecht van een christelijke school. Twee totaal verschillende mensen, en toch maakten we het beste èn het gekste bij elkaar los. Van ’soevereiniteit in eigen kring’ tot ’Pyramus en Thisbe’ (weten jullie nog, Gerrit en Cees?!). Ernst en luim, zei men vroeger - nou, dat was het daar op de Graafschapkast: ernst en luim. Niet te filmen.
Allebei waren we eigenwijs: misschien is dit het punt van overeenkomst. Híj was derdejaars, toen Gerrit (van Atten) en ik in Kampen aankwamen.
Wij lieten ons mit Mühe und Not ontgroenen, maar Jaap de Vries wenste aan deze onzin niet mee te doen. Dus, als wij om half één ’s nachts gepeigerd thuiskwamen, zaten we ook nog eens meneer de derdejaarsstudent te ’bekeren’. Uiteindelijk gaf hij toe, hij liet zich ontgroenen, hij werd corpslid, en waarschijnlijk beter dan Gerrit en ik samen. Nou, daar liggen de wortels. In de vroege jaren vijftig. En daar plukten we de vruchten van, in de vroege jaren zestig - de jaren vóór de scheuring.
Die scheuring dreigde, toen. En zij dreigt nòg, tientallen jaren later, als een kerkelijk concentratiekamp-syndroom.
Ik kan niet nalaten om uit het Sinter-klazinnewerk te citeren: Zeg Koos, zei Jaap eens op een dag / Ik heb een goed idee / Ik ga eens naar de prekentuin / Ga jij soms met mij mee?
De prekentuin, riep Koosje uit / Hoi, hoi, dat vind ik schoon / Maar dat is toch wel heel ver weg / Gaan we per telefoon?
O ja, het ging per telefoon / Een èchte telefoon / En ’s nachts als het heel donker is / Dan gaat dat nog gewoon.
In die zaterdagse en nachtelijke uren, over een afstand van 160 kilometer zoals de vogel vliegt, gebeurde het.
De worsteling van de tekst met ons (níet omgekeerd!) en de siddering van ons voor de genadige God. Bij het afscheid van Albert Koers in Wormer heb ik het voor het eerst geformuleerd, maar in die waanzinnig lange telefoongesprekken met Jaap de Vries hebben we het geleerd: aan onze generatie is de genade geschonken om in een genadeloze tijd de genadigheid van de genade te verkondigen.
En onze tijd ìs genadeloos: in de wereld, maar nog meer in de kerk.
Ik wilde om een lief ding dat de gereformeerde prelaten en vrijgemaakte nazaten ooit nog eens gaan inzien, dat niet de werken van ons maar de genade van God mensen redt in dit vervloekte leven. Wij hebben er in ons ééntje, ja in ons twéétje, nee in ons Dríetje voor geknòkt. In Kosovo wordt onschuldig bloed vergoten - maar wat dacht je van de kerk?
In de prekentuin schoffelde ìk meestal de harde aarde, terwijl Jaap er de kritische hark doorheen haalde. Híj vertaalde de tekst door naar vandaag: ethische, maatschappelijke en pastorale items hadden altijd zijn bijzondere belangstelling. Gesloten over zichzelf, open voor de ander. ’De ledenlijst!’ een kreet, voor anderen onbegrijpelijk maar duidelijk voor òns. Namen zijn levens, mènsen met hun ups en downs, hun ellende en verlossing. En dáár moet de boodschap landen, dàt moet in de preek. Wat Dien de Haan (van de Elisabethbode) roept: als je een meditatie schrijft, zet dan een tiener of een bejaarde op je bureau, en vertel het hem, vertel het haar. Go, tell it on the mountains that Jesus Christ is born! Wie denkt dat deze telefoontjes over de hele lengte bloedserieus waren, heeft er niets van begrepen.
Vóór mij ligt een proces-verbaal van zo’n gesprek uit 1972 - in de kraamkamer van een preek staat er boven. En daarin zijn notities als: grinnikt, hikt, inhaleert gutturaal, in een knoop, snurkend, lachbui, hà á á á, hè è è è, hô ô ô ô, niet van de lucht. Preken maken is zwaar, maar preken praten is leuk.
Preken is leuk. Preken en pastoraat die hadden zijn hart. De laatste keer dat ik hem in het ziekenhuis bezocht, vroeg ik hem: als je nog één keer mocht preken, waar zou je het dan over hebben? ’Christus’, was zijn antwoord, ’Christus alleen, groter en sterker dan ik ooit gedaan heb. Hij is alles’. Met de mantel van Gods liefde om je heen kom je eindelijk thuis.
In 1981 stierf de stokoude vader van Jaap. Bij het begin van de dienst zei Jaap tegen me: ’We hebben er echt zin in’. Hijzèlf had er echt zin in: hoe dierbaar Corrie en de kinderen hem ook waren. Die wereld van Christus, zo totaal nieuw, zo totaliter aliter.
Zijn vader - eens pakte ik zijn oude hand beet, streek over de door kanker geschonden huid en zei: ’Als de Here Jezus terugkomt, wordt die weer helemaal nieuw, De Vries!’ Jaap zelf - bij mijn laatste bezoek aan hem zei ik: ’Ik beloof je een nieuwe long, Jaap!
Twéé!’ Eerder vertelde ik hem wat ik bij het afscheid van Albert had gezegd. ’Herhaal dat nog eens’, vroeg hij. Ik herhaalde: aan onze generatie is de genade geschonken om in een genadeloze tijd de genadigheid van de genade te verkondigen.
Dit nu heeft Jaap de Vries gedaan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief