Over bijbelgebruik in het pastoraat

1999-05-14
  • Jaargang 43
  • nummer 10
Op een pastoraal bezoek gaat vaak de Bijbel open. Maar hoe gebruik je dan die Bijbel? Is de keus van een Schriftgedeelte afgestemd op een concrete situatie waarin het gemeentelid zich bevindt? Kun je ook geen misbruik maken van het Woord van God om door citaten de ander de mond te stoppen en onder pressie te zetten? Is het aanwenden van een bijbelse motivatie misschien in een bepaald geval een verlegenheidsgebaar?
Het moet tot een gesprek komen, een open gesprek en dat gesprek moet ergens naartoe.
Waarin mondt het uit? Het gebeurt soms, dat de pastor of de pastorale werker of de broeder en/of zuster als gewoon gemeentelid moeite kennen in het hanteren van de Schrift. Daarom is het fijn, dat dr. W.H. Velema, emeritus-hoogleraar te Apeldoorn, ons instrueert. Zijn boek is ontstaan uit een jarenlange pastorale praktijk. Hij kent het gevaar van het niet-luisteren en van het blokkades opwerpen, zodat het echte gesprek niet van de grond komt. Het moet van de dialoog komen tot de trialoog, d.w.z. de pastor is er om naar de Derde in het gesprek te verwijzen. Eigenlijk is hij er om die Derde in het gesprek aan het Woord te laten. (p. 13). De overtuiging moet domineren, dat de Schrift in het getuigenis omtrent Jezus Christus de kracht heeft om geloof te werken en met dat geloof het leven.
(p.16). Er moet een contact ontstaan tussen pastor en gesprekspartner. De ander mag geen vreemde blijven voor de pastor. (p.21). Vervolgens reikt de auteur in diverse situaties punten aan, die van belang kunnen zijn voor een pastoraal gesprek. Maar daaraan voorafgaand heeft hij een Bijbelgedeelte als uitgangspunt aangegeven.
Er wordt van de pastor geduld, trouw, waar nodig distantie, vriendelijkheid en mildheid gevraagd. Bovenal moet de pastor zelf laten merken, dat hij niet twijfelt aan de hulp van God! Zo is het boek van Velema een mooi geheel geworden, dat als hulpmiddel kan dienst doen voor iedereen, die actief is in (pastoraal) bezoekwerk.
Een paar kritische opmerkingen: De lijst van de Ik-ben-woorden uit het Johannesevangelie is niet volledig.(p.10). M.i. is het unieke van Jezus’ tranen bij het graf van Lazarus niet voldoende gehonoreerd.(p.62). Hoofdstuk 3 waarin het gaat over de verschuiving van de inhoud van het theologische vak hermeneutiek is met name voor de doorsnee ouderling te moeilijk al is het ook bijzonder leerzaam en boeiend. Maar deze opmerkingen doen niets af van het feit, dat we hier te maken hebben met een boek, dat aanbeveling verdient. Het voorziet m.i. in een behoefte.

N.a.v. Dr. W.H. Velema: ’Zullen we lezen?’ - Uitgave Boekencentrum-Zoetermeer, 106 pag.
ƒ 21,50

O. Mooiweer, Enschede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief