Het verhaal van de kleine Jabu

1999-05-14
  • Jaargang 43
  • nummer 10

Jabu is een Zoeloemeisje van een jaar of zeven. In het squatterkamp waar ze met haar moeder en halfblinde grootmoeder woont, is ze met haar twee nog jongere broertjes de hele dag alleen. Moeder is gelukkig want ze heeft onlangs vast werk gevonden in een winkel in Pietermaritzburg.
Vader is verdwenen.
Eigenlijk is Jabu nooit echt alleen. In een squatter-kamp kun je niet eens alleen zijn. Tegen het zinkhuisje van moeder aan leunt het triplex-karton hutje van de buren. Aan de andere kant van moeders optrekje is een straat, een gangetje van een meter waar dan weer andere geplankten staan. Je bent dus nooit alleen omdat je altijd links en rechts, voor en achter, dag en nacht andere mensen hoort praten, bewegen, koken, beredderen, ruziën, liefhebben. Er zijn boze mensen maar ook vriendelijke.
Tenminste, dat dacht Jabu.

Moeder was naar haar werk en grootmoeder was weg om water te halen met de emmer en kwam nooit zo gauw weer terug, zo wist Jabu. Bij de kraan een huis of twintig verder is het altijd wachten en altijd wel wat te praten.
Jabu zat buiten in het zand slaperig te zitten. Ze hoorde hem zachtjes roepen: ”Jabu, kom je even hier?”. Ze kende hem wel, Bidla werd hij genoemd, een werkeloze man van even dertig. Best een vriendelijke man, wist Jabu. ”Jabu, ik heb hier snoep, lust je ook wat?” Toen ze bij hem binnen was, kreeg ze haar snoepje. Maar of het ook lekker was, kon ze zich later niet herinneren. Want toen zei Bidla dat hij haar zijn ”toy” (speeltje) wilde laten zien om er een leuk spelletje mee te doen. Wat er toen gebeurde, kon ze later niet navertellen maar wat hij in haar kleine lichaampje deed, deed wel erg zeer.
Toen ze naar huis was gerend, moest ze steeds maar huilen. Grootmoeder kon er geen wijs uit worden. Toen bleef Jabu maar stil. Maar toen ze ’s nachts weer zo‘n pijn voelde en begon te huilen, heeft ze het allemaal fluisterend aan moeder verteld. Moeder belde de volgende morgen van haar werk naar Rape Crisis en ’s middags was zij er met Jabu waar ze door professionele krachten – opgeleide Zoeloe-dames – werden opgevangen die daarna met Jabu en haar moeder de moeilijke, lange weg gingen van politie en district-arts.
Het verhaal is niet verzonnen. Ik heb het rapport van Jabu gelezen. Maar er zijn wel honderdtallen verhalen van honderdtallen Jabu’s. In een krantenverslag kom ik de statistieken tegen van twee districtsgerechten uit onze province Natal: het district Camperdown (waarin onze gemeente van Mpumalanga valt) telt tenminste vijf kinderverkrachtingszaken per dag; voor de rechtbank van Stanger aan de Noordkust dienen er per maand tussen 50 en 80. Het is waarlijk niet uit sensatiezucht of blank racisme dat ik deze gruwelijke verhalen – waarin de daders vrijwel steeds Zoeloes zijn – hier in Opbouw opdiep. Want ik heb één bijzonderheid nog achtergehouden en dat is dat de verkrachters altijd HIV-positief zijn. Waarom zijn deze Aids-lijders er kennelijk op uit om in zo’n grote getale kleine meisjes te verkrachten?
Die enorme aantallen lijken een patroon aan te wijzen! Wat voor een geloof, cultuur, motief schuilt er weg achter dit bestiale gedrag van Bidla? Is het geen moord met voorbedachte rade? Want onze Jabu zal niet oud worden! Mag ik het antwoord voor een volgende ”Snipper” bewaren?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief