Over Schilder en Veenhof
1999-05-14
Soms word je, als kerkbladenlezer, verrast door een onverwacht genoegen.- Jaargang 43
- nummer 10
Mij overkwam dat bij het lezen van De Waarheidsvriend van 22 april: in één nummer van dit weekblad van de Gereformeerde Bond staan zomaar twee zeer positieve artikelen over mensen die niet afkomstig zijn uit de eigen traditie van de Bond, maar uit die waar ik zelf deel aan heb. De namen ziet u hierboven al staan: K. Schilder en C. Veenhof. Over Schilder schrijft G.S.A. de Knegt, en wel in de zevende aflevering van een serie over “Heilshistorie in het Oude Testament’’.
Ik neem daar een flink stuk uit over: Dat Schilder ongemeen fel kon zijn, lag niet alleen aan zijn karakter. Bij hem sprak óók een grote eerbied voor de Schrift. Evenals bij Luther leefde het bij hem: zij zullen het Woord laten staan! En dan zo laten staan als de Heere het had geopenbaard. In het Woord moest niets gelegd worden wat meer met de rijke fantasie van een mens had te maken dan met de openbaring door de Heilige Geest. Voor Schilder bestond de Bijbel niet uit allerlei Iosse verhalen, waarin vrome of zondige mensen een rol speelden.
Wie zo met de Schrift omging, deed veeleer aan inlegkunde dan dat er uit zijn uitleg van de Schriften eerbied voor het Woord sprak. Ik moet zeggen het in grote delen met Schilder eens te zijn. () Soms wordt K. Schilder wel eens verweten dat hij het niet zo op de bevinding van het geloof had.
Bevinding zou gevonden worden bij ’schuurtjesmensen’, maar niet bij mensen die de Schriften hoorden uit te leggen zoals zij uitgelegd behoren te worden. Echter... K. Schilder was niet tégen bevinding. Hij kende de gereformeerde traditie. Hij kende de bevinding van het geloof. Hij had daarvan gelezen. Hij had deze aangetroffen in de geschriften van de Reformatie en de Nadere Reformatie. Maar dat niet alleen! Hij kende ook de bevinding van het geloof heel persoonlijk. Wat voor hem echter van groot belang was is dat deze bevinding, beproefdheid niet opkwam uit een klein deel van de Schrift of van een enkele persoon die bepreekt werd, maar de bevinding kwam op uit de gehele Schrift. En dan is het goed te verstaan dat Schilder sprak zoals hij sprak. Hij had immers grote eerbied voor het gehele Woord!
Schilder oecumenicus! Begrijpelijk dat De Knegt dan ook kan zeggen: Het kon wel eens zijn dat K. Schilder ons in deze tijd meer te zeggen heeft dan wij willen aannemen.
Boeiend! Terwijl in Vrijgemaakte kring een kritische bezinning op de persoon en het werk van Schilder op gang komt, is hier een Gereformeerde Bonder bezig Schilder voor onze tijd te ontdekken. En dan C. Veenhof. Op hem richt ir. J. van der Graaf de schijnwerper in het hoofdartikel in dit nummer. Hij schrijft daarin over het 25-jarig jubileum van de Gereformeerde Sociale Academie ’De Vijverberg’ (nu opgegaan in de Christelijke Hogeschool Ede). Na verteld te hebben hoe rond 1970 de Sociale Academie ’De Horst’ in uiterst links vaarwater was terechtgekomen, gaat hij verder met: Negatief gezien ligt hier het motief voor de start van de toenmalige sociale academie. Ik wil hier met respect noemen de arbeid van wijlen prof. C. Veenhof, Nederlands Gereformeerd hoogleraar, die de komst van de sociale academie zeer toejuichte en stimuleerde. Vanaf het eerste uur ging hij van harte mee op pad om in het land de noodzaak van de academie te bepleiten. Hij heeft als geen ander de marxistische ideologie blootgelegd.
In de publicatie “Met het oog op ons welzijn’’, die in 1977, enkele jaren na de start van de academie werd uitgegeven, schreef hij een bijdrage, getiteld “De leninistisch-marxistische mens’’. Daarin legde hij het totalitaire karakter van de marxistische ideologie bloot. Een wezenlijke eigenschap van zulk een ideologie is, schreef hij, dat ze volstrekt intolerant is ten aanzien van alle meningen, opvattingen en beschouwingen, die met haar in strijd zijn. “We moeten eerst de hoofden splijten vóór we ze kunnen strelen’’, citeerde hij Lenin. En met Berthold Brecht typeerde hij die ideologie met de woorden: “Erst kommt das Fressen, dann die Moral².
Ja, het doet goed om zulke dingen te lezen. Het valt me trouwens op – in veel meer publicaties – dat het vaak gemakkelijker is om positief te spreken over hen die al door de Here tot Zich genomen zijn dan over hen die nog onder ons zijn. Dat zou ons stof tot nadenken moeten geven: als allerlei verschillen in het licht van de eeuwigheid blijkbaar toch vrij gemakkelijk gerelativeerd kunnen worden, zouden we daar dan niet wat vaker in de tijd maar alvast een voorschot op moeten nemen? ’t Is toch zonde om te wachten tot de eeuwigheid?!
M.H.T. Biewenga, Emmeloord