Vluchten

1999-05-14
  • Jaargang 43
  • nummer 10
De oorlog op de Balkan is voor ons, Noordzeekanters, op verschillende manieren een probleem.
Ten eerste voelen wij ons schuldig omdat wij het zo goed hebben en gewoon kunnen doorleven alsof er niets aan de hand is. Niemand kan zich voorstellen dat het hier weer zou gebeuren, alhoewel, de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is voor talloze mensen nog heel levendig. Mijn moeder kon de eerste nachten na het uitzenden van de televisiebeelden niet slapen. Ze zag het allemaal weer voor zich: Haar huis uit, met alleen het hoognodige, omdat men dacht dat Zwolle gebombardeerd zou worden.
’Kom maar naar Kampen’, zei mijn opa.
’Hier zitten jullie veel veiliger.’ En zo fietste mijn vader met mijn moeder achter op de fiets naar Kampen, dertien kilometer. Ze trok de kinderwagen waar ik in lag, met zich mee.
Anna’s vlucht. Ze heeft het ons vaak verteld. Haar meest kostbare bezittingen in die kinderwagen.
Wij moesten er als kinderen altijd een beetje om lachen, konden ons van haar angst zo weinig voorstellen.
Maar nu je dergelijke tafereeltjes, en honderd keer erger, dagelijks ziet en leest, begrijp je er iets van. En van de angst van ouderen die het ook meegemaakt hebben. Mijn moeders oorlog was achteraf gezien nog niets vergeleken bij wat anderen ondervonden. Dat weet ze nu wel, maar toch heeft het opnieuw beleven mensen van die generatie weer in de greep.
Wat een trauma’s, wat een verdriet levert die oorlog nu en in de toekomst weer op voor mensen die er midden in zitten.

Ten tweede zitten wij, Noorzeekanters van de naoorlogse generatie met het probleem hòe hier mee om te gaan in ons gebed.
Ja, dat is geen vroom praatje van mij, hoor. Maar hebben jullie dat ook niet?
Je begint te bidden, en dan zie je weer zo’n huilend kind dat z’n moeder kwijt is. Maar ook de berustende ogen van oude vrouwen op een boerenkar of een ventje met een geweer, of zo’n stokoude man, die lekker verzorgd in z’n gemakkelijke stoel moest zitten. Dan stokken de woorden je toch in de keel? Dan denk je: ’Heer ik hou maar op U aan uw hoofd te zeuren met mijn kleinigheden, wij redden het hier wel even. We beloven U dat we elkaar niet in de haren zullen vliegen. Maakt U zich over ons maar geen zorgen. Ze hebben U daar meer nodig.’ Etty Hillesum schrijft ergens dat ze zo’n medelijden met God heeft, om alle ellende die Hij moet aanzien. Toen ik dat voor ’t eerst las, vond ik het bijna oneerbiedig klinken.
Maar ik begrijp het. Oorlog is het zichtbare gevecht tussen God en Satan. God staat zelf bij deze oorlog te huilen in al die huilende mensen. Hij zal er iets aan doen ook.
Iemand bad in een rouwdienst om een geliefde vriend: ’Heer doe recht aan al de levens van die doden die in een massagraf gegooid, niet met tederheid begraven worden.’ Geloof nou maar dat Hij dàt zal doen.

Ytje Veefkind-Eenkhoorn, Amersfoort

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief