Bloed en vuur en rookwalm
1999-05-28
”Bloed en vuur en rookwalm”.- Jaargang 43
- nummer 11
Deze woorden hebben op Pinksterzondag ongetwijfeld weer in veel kerken geklonken, wanneer de pinksterpreek van Petrus gelezen werd, want daarin komen ze voor, aangehaald uit de profetie van Joël.
Maar wat hebben we in de afgelopen tijd niet ook veel bloed, vuur en rookwalm gezien: op ons tv-scherm bij het nieuws over Kosovo!
Hebt u bij het zien van die beelden niet ook vaak de neiging gevoeld om de tv maar uit te zetten? Ze geven je immers zo’n gevoel van machteloosheid en ook van onzekerheid: wat kan hier wel niet uit voortkomen...
De Heilige Geest is echter juist op ons uitgestort, opdat we voor die dingen onze ogen niet zullen sluiten, maar ze zullen zien in het juiste perspectief: in profetisch perspectief.
Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de slaven en slavinnen zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten.
Zo begint de profetie die volgens Petrus met Pinksteren vervuld is. Het is niet de bedoeling dat we dit zo opvatten, als zou dromen dromen voorbehouden zijn aan de ouderen en gezichten zien aan de jongeren.
Bedoeld is ten eerste, dat mensen ongeacht hun geslacht, leeftijd of sociale status de Geest zullen ontvangen, en ten tweede, dat de Geest zich niet bij ieder op dezelfde manier zal uiten.
Maar alle genoemde uitingen hebben dit gemeen, dat ze zicht geven op de toekomst. Dat krijgen dus niet alleen jongeren, van wie je verwacht dat ze toekomstgericht zijn, maar ook mensen van wie je dat niet verwacht, omdat ze van het aardse leven weinig (meer) te verwachten hebben: ouden en slaven. Trouwens, je hoeft niet eens oud of slaaf te zijn om liever niet aan de toekomst willen denken, omdat je daar niets goeds van verwacht.
Maar mijn Geest, zegt de Here, zal maken dat de mensen hun struisvogelpolitiek zullen opgeven en de situatie onder ogen zullen zien.
Wonderen?
Maar als ze dat doen, wat zullen ze dan zien?
God zegt: ”Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde: bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed.” Bij ’wonderen’ denken wij doorgaans aan gebeurtenissen die volgens de ons bekende natuurwetten niet kunnen.
Maar vallen de hier opgesomde verschijnselen daar eigenlijk wel onder? Bij het bloed, het vuur en de rookzuilen van Kosovo denkt niemand aan wonderen: het is alles mensenwerk.
En wat de wonderen aan de hemel betreft, wat over de zon gezegd wordt, kan heel goed op een gewone zonsverduistering slaan, en wat over de maan gezegd wordt, op een maansverduistering, want daarbij wordt de maan tijdelijk bloedrood, een verschijnsel waar de natuurwetenschap geen enkele moeite mee heeft.
Het gaat hier dus kennelijk niet om wonderen in de zin van: natuurkundig onverklaarbare verschijnselen. Wel om verschijnselen waar men van opkijkt.
En dat is ook precies de bedoeling, want ze zijn bedoeld als tekenen. Ze treden op, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt, om de mensen voor die dag te waarschuwen.
Herkenning
Maar omdat het om verschijnselen gaat die heel goed vanuit de natuurlijke gang van zaken te verklaren zijn, moet je er wel op een speciale manier naar kijken om er tekenen in te zien.
Je kunt ze immers, als je dat wilt, gemakkelijk afdoen als gewone gebeurtenissen, waar niets achter hoeft te worden gezocht.
Terwijl het van levensbelang is ze te herkennen! Want, zegt de profeet, wanneer die grote en geduchte dag komt, zal ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft. Het is dus van levensbelang je tijdig op de komst van die dag voor te bereiden.
Daarom is het, dat God toezegt zijn Geest te zullen uitstorten, voordat zijn dag komt. Die zal van mensen profeten maken, die de dingen zien zoals God wil dat ze ze zien, zodat ze in zons- en maansverduisteringen en in bloed, vuur en rookzuilen tekenen gaan zien van de naderende Dag des HEREN en als gewaarschuwde mensen gaan doen wat nodig is om op die dag behouden te worden: de naam des HEREN aanroepen en vluchten naar de berg Sion.
De naam aanroepen
Als Petrus de profetie aanhaalt, laat hij de zinsnede over de berg Sion en Jeruzalem weg, want dat Joël daar naartoe verwees, was enkel omdat daar toen het altaar stond, waarop de offers werden gebracht tot verzoening van de zonden. Die verzoening wordt nu niet meer op een bepaalde plaats, maar bij een Persoon gevonden: bij Jezus. Hij is, toont Petrus in het vervolg van zijn toespraak aan, door God tot Here gemaakt (Handelingen 2:36).
Dat betekent, dat nu geldt: Al wie de naam van de Here Jezus aanroept, al wie tot Hem en zijn offer zijn toevlucht neemt, zal behouden worden op de grote Dag des Heren, die geducht is, omdat daarop alle zonden in gedachtenis zullen worden gebracht.
De Heilige Geest, die op de Pinksterdag is uitgestort, doet ons op de juiste manier reageren op al het vreeswekkende en verontrustende dat we in de wereld om ons heen zien: niet door de kop in het zand te steken, maar door de naam van de Here Jezus aan te roepen. Als we dat doen, kunnen we met vertrouwen de toekomst tegemoet zien. Dan worden ook onze handen niet verlamd door gevoelens van machteloosheid, maar dan worden we gesterkt door de kracht van de Geest om, als burgers van het vrederijk dat op de grote dag des Heren komen zal, de vrede te dienen.