Orgaantransplantatie en donorcodicil
1999-05-28
Onderstaand artikel komt voort uit een lezing, die oorspronkelijk voor een mannenvereniging is gehouden.- Jaargang 43
- nummer 11
Na een bijbelse beschouwing over het sterven, heb ik daarna enkele richtlijnen geformuleerd om verantwoord een donorcodicil te kunnen invullen.
Enkele bijbelse gegevens
Gen. 2:7 Toen God de mens schiep, blies Hij de adem des levens in zijn neusgaten en zo werd de mens een levende ziel, adem of nefesj. Ademen is een primair kenmerk van het menselijke, maar ook dierlijke leven. Daarom wordt het woord nefesj ook wel door leven vertaald.
Ps. 104:29 zegt: Neemt Gij hun adem, ziel of leven weg, zij sterven en keren weer tot stof. Daarom komen alle mensen en ademende dieren om in de zondvloed. Alles in welks neus de adem van de levensgeest was, stierf.
(Gen. 7:22) In Ps. 16:10 lezen we: Gij geeft mijn ziel of leven niet prijs aan het dodenrijk en in Ps. 89:49: Welk mens zal zijn ziel redden van het dodenrijk? De ziel van de mens is zijn leven. Wat gebeurt er met de dood? Dan wordt deze levende adem of ziel een dode ziel. Dit is in onze vertaling niet duidelijk. Maar in Lev. 21:11 en Num. 6:6 staat letterlijk dode ziel of nefesj i.p.v dode. Nergens spreekt de bijbel over een voortbestaan van de ziel na de dood. In I Kon. 17:17-22 bidt Elia voor de zoon van de weduwe van Sarfat: laat de adem van dit kind terugkeren.
Daarnaast kent de bijbel een andere doodservaring: de geweldadige dood.
Dan wordt des mensen bloed vergoten.
Dit bloed vloeit ter aarde en roept tot God om vergelding. Daarom zegt Lev. 17:11, de ziel van het (dierlijk) vlees is in het bloed en Ik heb dit bloed op het altaar gegeven om verzoening te doen over uw zielen, uw leven, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel, nefesj. Dit dus in tegenstelling tot het vergieten van mensenbloed.
In II Sam. 1:9 lezen we dat Saul zegt tot de Amalekiet: ik ben flauw gevallen, maar er is nog adem, ziel of bloed in mij. Dood mij dus met het zwaard, dan stroomt het bloed uit mij en gaat mijn ziel dood. Tenslotte nog het voorbeeld van Rachel, Gen. 35:18. Rachel krijgt na de geboorte van Benjamin een geweldige nabloeding, waaraan zij overlijdt. Al haar bloed stroomt met haar ziel uit haar lijf.
In het N.T. komen we dezelfde spreekwijze tegen: ziel is leven. In het Grieks is dit het woord psyche, wat we kennen uit de woorden psychisch en psychiater.
In Matt. 16:25,26 zegt Jezus: Want ieder die zijn ziel of leven zal willen behouden, die zal het verliezen.
Maar ieder die zijn ziel of leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het vinden.
Want wat zou het een mens baten, als hij de hele wereld won, maar schade leed van (niet aan) zijn ziel d.i. dus zijn ziel of leven verliezen.
In Joh. 10:17 zegt de Here: ik leg mijn leven, mijn ziel af om het weder te nemen. Hoe? Door de bloedige kruisdood, waarin Jezus bloed vergoten wordt tot verzoening van de zonden der wereld. Johannes beschrijft dan ook duidelijk hoe uit de wond in de zij van Jezus het bloed en het water vloeide.
We kennen nog een ander bijbels woord nl geest, roeach in ’t Hebr. en pneuma in het Grieks. Letterlijk betekenen deze woorden wind, luchtstroom, uitademing. In de uitademing drukt de mens zijn geest uit. Hij heeft zijn uitademing nodig om zich te uiten, te spreken, te lachen, te schreeuwen en daarmee zijn omgeving te beïnvloeden.
De koningin van Scheba had geen geest meer, toen ze al de rijkdom en wijsheid van Salomo zag, dwz dat ze geen woord meer kon uitbrengen.
In Sam. 30:12 is sprake van een door Davids mannen gevonden Egyptenaar, die uitgedroogd was. Toen ze hem water te drinken gaven, keerde zijn geest in hem terug dwz hij kon weer een veer van zijn mond blazen. De geest van een mens kan dus soms sluimeren zoals bij een flauwte of ook bij een echt coma, maar kan weer worden opgewekt. Zelfs kan de geest tijdelijk het lichaam geheel verlaten, zoals de bijna-doodservaringen laten zien.
Wat gebeurt er bij het sterven? Van Jezus staat geschreven, dat hij zijn geest (pneuma) gaf: Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest. Ook Stefanus sprak bij zijn geweldadige dood: Here, ontvang mijn geest. Met de laatste ademhaling blies hij zijn geest uit en gaf die over aan de Vader.
Hand. 7:59. Bij het sterven keert niet onze ziel, maar wel onze geest terug tot God. Dat vertelde ons reeds de Prediker (13:19). In Hebr. 12:23 lezen we van de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben en in het hemelse Jeruzalem een plaats hebben gevonden. Jezus heeft, toen hij in het dodenrijk verbleef aan de geesten in de gevangenis gepredikt, I Petr. 3:19.
Samenvattend:
bij het sterven, blazen we de laatste adem uit, wij verliezen dan onze ziel, nefesj, psyche of leven.
We zijn dan een dode ziel, onze nefesj functioneert niet meer. Worden we gedood, dan vloeit er meestal bloed uit ons lichaam en gaat onze ziel ook verloren.
Als we gelovig zijn, geven we onze geest over in de handen van God, zoals Jezus en Stefanus. Die geest wordt bij Hem bewaard in het paradijs tot de dag der wederopstanding. Onze geest is dan los van het lichaam te denken, maar onze ziel nooit.
De dood constateren we dan a. met het ophouden van de ademhaling, b. in het stoppen van de hartactie, c. bij een geweldadige dood tevens door het verliezen van ons bloed.
Medische inzichten
Eeuwenlang kwam aldus onze levensopvatting overeen met deze bijbelse beschrijving. In de 17e eeuw ontdekte de engelse arts Harvey de grote en kleine bloedsomloop. Hiermee kreeg men een beter inzicht in het functioneren van de bloedcirculatie. Harvey vergeleek het hart dan ook met een pomp. Dat verklaarde veel van de fysiologie van het
hart. Toen in de moderne tijd de hartbewaking ontstond met betere mogelijkheden om te reanimeren,
werd dit pompbeeld van het hart allesbeheersend in de geneeskunde.
De transplantatiechirurgie is dan ook het logische gevolg van dit medisch mensbeeld. Het zieke hart van een hartpatiënt kan vervangen worden door een nog gezonde hartpomp van een ongevalsslachtoffer.
Het emotionele leven dat nauw verbonden is met de hartactie werd in deze beschouwing volledig verwaarloosd.
Het hart werd niet meer ervaren als het centrum van ons bestaan, zoals in Spreuken 4:23, maar de aandacht verschoof naar het functioneren van de hersenen. De ervaringen met de harttransplantaties laten evenwel zien, dat de ontvangers van een donorhart niet slechts een hartpomp maar soms ook de neigingen en smaken van de donors hebben ontvangen, dus functies van hun ziel. In de moderne geneeskunde worden de hersenen wel vergeleken met een computer, die alle functies van het lichaam procesmatig begeleidt en stuurt. Met deze beschouwing is dan de mogelijkheid gegeven om bij uitval van deze ’computer’ te spreken van ’hersendood’.
En deze ’hersendood’ wordt dan gelijkgesteld aan de totale dood van de mens.
Is dit alles bijbels verantwoord en hoe kunnen we gewetensvol ons codicil invullen? Deze vraag is niet voor ieder in gelijke zin te beantwoorden. Om tot een verantwoorde standpuntbepaling te komen, geef ik de volgende aandachtspunten ter overweging.
Aandachtspunten
1. Ieder mens is uniek en ook zijn levenssituatie verschilt van persoon tot persoon. De situatie waarin een mens in zijn of haar dertiger jaren met een nog jong gezin verkeert, kan niet vergeleken worden met de positie van een zeventigjarige, waartoe de steller van dit artikel zich kan rekenen.
2. Bij het invullen van een donorcodicil hebben we een duidelijk doodscriterium nodig. De artsen gebruiken een medisch-technisch doodscriterium: de z.g. hersendood. Als nabestaanden hanteren we een intuïtief ervaringscriterium: De dood treedt in zodra het hart ophoudt met kloppen en de ademhaling stopt. Zo spreekt ook de bijbel over de dood. Er is geen reden om te veronderstellen, dat het medisch inzicht een meerwaarde heeft boven de alledaagse ervaring.
3. We dienen te onderscheiden tussen totaaldood en orgaandood. Ook hersendood is nog orgaandood. Duidelijk is dat bij hersendood de patiënt nooit meer zal herleven, maar is hij dan al totaal dood? Niemand kan hier een stellig antwoord op geven, ook de artsen niet. Bovendien is zo’n medisch doodscriterium voor de nabestaanden dikwijls niet acceptabel, omdat ze in dat geval geen goed afscheid van de dode kunnen nemen. Dit zijn geen emotionele bezwaren, zoals prof.dr. W. Velema schijnt te stellen in Ambtelijk Contact, 37e jg. oktober 1998, maar diep beleefde existentiële ervaringen.
4. Omdat Jezus zijn leven voor ons heeft ingezet, behoren wij ook voor onze broeders ons leven in te zetten. (I Joh.3:16) We kunnen dit bij ons leven doen door ten behoeve van een naaste familielid bijv. een nier af te staan. Als dit niet alleen maar een geoorloofde, maar zelfs een te prijzen handeling is, wat is er dan tegen om na onze dood, beide nieren voor dit doel te schenken? Ook is het daarbij mogelijk na de dood weefsels zoals huid, hoornvlies, hartkleppen e.a. af te staan.
5. Blijven we vasthouden aan het intuïtieve ervaringscriterium van dood, zodat er met het uitnemen van organen gewacht moet worden tot het stoppen van ademhaling en hartactie, dan kunnen alleen de nieren en weefsels getransplanteerd worden. Organen zoals hart, longen en lever komen dan niet meer voor transplantatie in aanmerking.
6. Als we in een donorcodicil toestemming geven tot transplantatie ook van deze organen, dan geven we de artsen daarmee verlof bij nog niet totale dood, onze organen uit te nemen. De dood treedt dan in door de transplantatie-
operatie met het loskoppelen van de hartbewaking. We geven ons leven dan over in totaaldood om het leven van een ander te redden.
7. In ieder geval zullen de nabestaanden altijd de wens van de overledene dienen te respecteren. Zijn of haar laatste wil is in alle omstandigheden beslissend.
8. Hoe we het donorcodicil ook invullen, de gulden regel van wederkerigheid geldt voor allemaal. ’Alles wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus.’ (Matt. 7:12) Wie eventueel een orgaan van een ander wil ontvangen, dient bereid te zijn een orgaan zo nodig af te staan.