Met ontferming bewogen
1999-05-28
- Jaargang 43
- nummer 11
Onder deze titel verscheen vorig jaar een jubileumboek in verband met het 25-jarig bestaan van de Stichting Woord en Daad te Gorinchem. Graag wil ik op dit boek en het werk van deze stichting de aandacht vestigen. In 1973 werd met het werk begonnen. Het was en is een werk onder mensen, die onder moeilijke omstandigheden leven. Ik noem enkele landen: India, Thailand, Haïti, Colombia, Honduras, Ethiopië enz. In het voorwoord wordt er op gewezen, dat in de in de bundel opgenomen verhalen de ontmoetingen centraal staan. In Spreuken 22:2 lezen we, dat rijken en armen elkander ontmoeten en dat de HERE hen allen gemaakt heeft. Ze leven samen in deze wereld en hebben elkaar nodig.
,,Onze wereld is een ’globaal village’ geworden, een groot dorp waar mensen elkaar tegenkomen, al leven ze in wereld delen ver weg. In de ontmoetingen is sprake van wederkerigheid. Het gaat niet alleen om de vraag wat wij in het rijke Noorden kunnen doen voor het arme Zuiden, maar ook omgekeerd, hoe verrijkend de kennismaking met mensen uit wat in 1973 nog ’derde wereld’ heette voor ons kan zijn.’’ In het boek staan 25 verhalen, voor elk jaar ’Woord en Daad’ één. Marcel Catsburg schreef o.a. een verhaal over een jongen, die hij op Haïti ontmoette. Hij zette er boven ’Melk met citroensap’.
De jongen heet Jean-Luckner. Diens vader was een voodoo-priester en dus een belangrijk man in het dorp. Een kleine kamer in zijn huis was ingericht als tempel en Jean-Luckner was er van jongsaf bij als er allerlei rituelen plaatsvonden.
Vlak bij het huis was een christelijk schooltje. De dominee van het dorp richtte die school een aantal jaren geleden op en het aantal leerlingen groeide snel. Het duurde lang voordat Jean-Luckner van zijn vader ook naar de school mocht. Het onderwijs was goed en dat gaf de doorslag.
De vader van Jean-Luckner beoefende als voodoo-priester tevens de geneeskunst.
Op school werd óók gesproken over ziektes en vooral over besmettelijke ziektes.
De meester wees er op, dat mensen niet bewust anderen besmetten en dat het dus niets te maken heeft met het zenden van boze geesten. Jean-Luckner begreep, dat de geneeskunst van zijn vader niet kon bestaan naast wat hij op school hoorde.
’Het is net als melk met citroensap’, mijmerde hij, ’die twee verdragen elkaar niet, ze stoten elkaar af.’ Later begreep hij ook, dat hij ook een keus moest maken inzake de leer van zijn vader en het evangelie waarover de meester vertelde. Hij ging de kerkdiensten bezoeken en tegen zijn ouders zei hij: ’Ik ben nu in dienst van God en ik kan geen twee heren dienen.
’t Is net als met melk en citroensap’.
In Lukas 15:13 staat; ’Gij kunt niet God dienen en Mammon.’ Dat begreep Jean-Luckner heel goed.
P.C. van Wijk, Zaltbommel