Aquarel
1999-06-11
Ze zit tegenover me aan de tekentafel en schetst met vaste hand de afbeelding na van een foto met een hoop oud roest. De figuren van wielen, stangen, staven mogen zo abstract mogelijk zijn.- Jaargang 43
- nummer 12
’Teken de foto niet precies na - laat je fantasie maar zo grillig mogelijk z’n gang gaan,’ zegt de lerares. Na een half uur hebben we wat op papier. Ik waag even een oogje aan dat van mijn overbuurvrouw.
Tjonge, die kan er wat van hoor. Grillig en abstract beide, geloof ik.
Moet je dat van mij zien: nog veel te dicht bij de werkelijkheid. Ik kan duidelijk de remmen van mijn fantasie niet losgooien. Of is het iets anders, iets dat nog veel dieper zit? Durf ik niet, ben ik gewoon bang? Terwijl ik ijverig door teken raak ik in een filosofische bui (ja, ja). Dit simpele geteken woelt iets in mij omhoog. Ik wil dicht bij het voorbeeld blijven, teken dus zo nauwkeurig mogelijk die malle zooi oud roest na. Dat gegeven moet ik vasthouden, anders ga ik de mist in. Terwijl mijn overbuurbrouw zorgeloos met veel water en weinig verf de eerste kleur op haar tekening aanbrengt, sleutel ik nog aan de ovale ronding van het wiel, gum hier en daar wat uit, en voel me truttig en vastgeroest in mijn oud-roest.
Die tekening, dat ben ik zelf. Er zit iets verschrikkelijk eerlijks in wat mijn potlood tekent. Ik voel de weerstand in mezelf om los te laten, me over te geven, me te laten meeslepen. Onvoorstelbaar, wat een ontdekking. Het komt er zomaar even uit op een gewone doorde- weekse avond.
De lerares loopt achter me langs. Ze kraakt niemand af, stuurt alleen maar een beetje bij.
’Je bent goed bezig hoor,’ zegt ze en het klinkt bijna troostend. ’Probeer alleen die foto te vergeten, dat was maar een idee. Nu moet je er zelf mee aan de gang. Jij moet het zijn. Laat die vastomlijnde vormen maar rustig los.’ Dan kan het me niet meer schelen. Ik draai mijn tekenvel om en zet met forsere lijnen een ongelofelijke hoop troep op papier. Het lijkt ook nergens naar, maar de spanning is weg. Ik kijk nog een keer naar de overkant. Mooie kleuren maakt ze. Kan ik niet zo, ik doe het heel anders. Zij is zij en ik ben ik.
Moet ik goed onthouden.
Ytje Veefkind-Eenkhoorn, Amersfoort