Boekbespreking
1999-06-25
Heibel in m’n hoofd- Jaargang 43
- nummer 13
„Soms heb ik zo veel heibel in m’n hoofd.” Papa lacht even: „’k snap het.
Heibel betekent soms ruzie, maar jij bedoelt herrie. Herrie in je hoofd.” Maarten knikt langzaam. „Maar soms is het ruzie. Ruzie tussen boos en niet boos.” Hij slikt. Boos wint meestal.
Inhoud
’Heibel in m’n hoofd’ gaat over Maarten.
Net als andere kinderen gaat Maarten graag zwemmen. Hij speelt met zijn vriendjes in het bos en eet liever pannenkoeken dan spruitjes.
Toch is Maarten soms anders. Hij heeft het gevoel dat hij de hele dag moet vechten tegen angst en boosheid.
Als hij wint merkt niemand iets.
Als hij verliest merkt zijn omgeving dat wel. Dan reageert hij onredelijk boos of loopt zelfs weg.
Maarten heeft een tweelingbroer, Marijn, voor wie het niet makkelijk is om Maarten als broer te hebben.
Maarten en zijn ouders gaan naar het RIAGG om uit te zoeken wat er met hem is en hoe ze hem het beste kunnen helpen. Daar blijkt dat Maarten autistiform is. De ouders van Maarten houden daarom niet minder van hem en ook zijn broer wil en kan niet zonder hem.
Bewondering
Met veel bewondering heb ik dit boek gelezen. Het is heel knap hoe Guurtje Leguijt in de huid van Maarten kruipt en zijn beleving van de gebeurtenissen beschrijft.
Ik ben moeder van twee jongens van 8 en 10. Mijn oudste zoon heeft dezelfde stoornis als Maarten. Ik heb veel aan dit boek gehad. Het helpt me om me nog beter voor te kunnen stellen wat er in mijn zoons hoofd omgaat, hoewel ik de nodige kennis wel had.
Wanneer hij zich ogenschijnlijk boos en nors terugtrekt, is er eigenlijk chaos in zijn hoofd, grote onzekerheid. Dat zie ik nu gebeuren.
Autistiform
De schrijfster gebruikt de term autistiform.
Termen die ook gebruikt worden, zijn o.a.: ’aan autisme verwante contactstoornis’ of ’pervasive ontwikkelingsstoornis’ (PDD-NOS). Kinderen met deze stoornis hebben een aantal moeiten gemeen, maar zijn onderling wel verschillend. Het is een complexe stoornis, waarbij zich op verschillende gebieden problemen voor doen. Zonder de pretentie te hebben volledig te zijn, wil ik een paar facetten noemen:
– Wat deze kinderen in ieder geval gemeen hebben, is moeite in het contact met mensen.
– Sommigen zijn wat teruggetrokken en bang, anderen zijn juist te open en praten je te pas en te onpas de oren van je hoofd.
– Ze kunnen moeilijk de essentie van gebeurtenissen herkennen, waardoor ze soms onaangepast reageren of zich in bepaalde situaties onzeker voelen.
– Ook kunnen ze zich moeilijk in anderen verplaatsen en hebben daardoor bijvoorbeeld niet door wanneer hun gedrag hinderlijk is.
– Veel kinderen kunnen slecht tegen onverwachte veranderingen; ze kunnen dan maar heel moeilijk omschakelen.
– Er zijn kinderen bij die snel bang zijn, maar er zijn anderen die juist geen gevaar zien.
– Het is voor veel kinderen moeilijk om goed met hun agressie om te gaan. Door de spanningen en onzekerheden die hun handicap met zich mee brengt, kunnen ze onverwacht heel heftig reageren.
– Er zijn kinderen bij wie bepaalde zintuigen overprikkeld zijn. Zoals bij Maarten: hij hoort alles, vaak ook harder dan anderen en alle geluiden komen even hard aan. Ook als hij moet luisteren naar de juf, hoort hij alle auto’s voorbij komen en alle geschuifel van zijn klasgenootjes.
Herkenning
Ik heb het boek zowel met mijn oudste als met mijn jongste zoon gelezen. Ik vind het heel goed dat Maarten een broer heeft, want dat gaf herkenning bij mijn jongste zoon. Voor een broer of zus van een kind met een autistische stoornis is het vaak niet makkelijk.
Dit boek was een goede aanleiding om daarover weer eens met de jongste te praten. Uiteraard herkende de oudste zich in Maarten, maar we ontdekten ook dat een paar facetten voor hem toch anders zijn.
Zij hebben beiden geboeid zitten luisteren.
Gevraagd naar hun mening vonden ze allebei dat het een goed boek is en dat iedereen die een kind heeft of kent met zo’n stoornis het zeker moet lezen.
„Dan ga je een kind beter begrijpen”, zeiden ze.
Dat ben ik helemaal met ze eens!
Ik zou het een kind dat niet weet dat het deze stoornis heeft of waarvan u vermoedt dat het dat heeft, niet alleen laten lezen. Natuurlijk is het niet goed als een kind zelf en alleen zou concluderen dat het een autistische stoornis heeft.
Guurtje Leguijt
Guurtje Leguijt is moeder van twee kinderen, waarvan één autistiform is.
Dat verklaart hoe ze zo in de huid van Maarten heeft kunnen kruipen. Ze heeft gewerkt in het onderwijs voor verstandelijk gehandicapten.
Ze is christen en schrijfsters van de column SPINSELS in Opbouw.
’Heibel in m’n hoofd’ heeft ze als neutraal boek geschreven, maar wel degelijk vanuit christelijke waarden en normen. Het boek is ook voor niet christen toegankelijk.
Ze laat duidelijk christelijke liefde in haar verhaal doorklinken. Vooral de woorden van de moeder van Maarten in een van de laatste hoofdstukken hebben mij getroffen. Daarvan wil ik u een stukje laten lezen: Maarten heeft het nog steeds een beetje koud. Hij rilt. „Vindt u het nog steeds zo leuk om een tweeling te hebben? Dat Marijn er niet alleen is, maar ik ook?” Mama speelt met de autosleutels: „Maarten, wat er ook gebeurt is of nog gebeuren zal, wij houden van jou.
Gewoon omdat je ons kind bent. Ik houd van jou, papa houdt van jou, Marijn houdt van jou.” „Wij houden hoe dan ook van jou. Als we oefeningen met je moeten doen, als ik honderd keer moet telefoneren om dingen te weten te komen. Als ik de hele bibliotheek leeg moet lezen.
Maar ook als dat allemaal niet hoeft.
Ook als blijkt dat jij zal blijven zoals nu. Dat maakt ons niet uit. Wij zijn jouw ouders, jij bent Maarten. Dat is genoeg.” Het is niet alleen een goed boek, het is ook nog een mooi boek. Een stevige harde kaft, helder blauw met een Maarten voorop. Een gewoon jongetje ’om te zien’.
Guurtje Leguijt, Heibel in m’n hoofd; voor kinderen vanaf 10 jaar. 117 bladzijden, ƒ 19,90; uitgegeven door Callenbach-
Kampen 1999; isbn 90 266 1021 1
Hanneke den Boer-Bolhuis, Utrecht