In dat huis daar woont een vrouw

1999-06-25
  • Jaargang 43
  • nummer 13
Bezoek op afspraak
Een paar maanden geleden heb ik iets verteld over onze eerste jaren in de pastorie, nu al bijna zesendertig jaar geleden.
Je snapt niet dat er al zoveel jaren voorbijgegaan zijn, maar als ik foto’s uit die tijd bekijk en ik zie mezelf nu in de spiegel, dan moet er inderdaad een eeuwigheid liggen tussen toen en nu.
Wat in al die jaren enorm veranderd is, is de vanzelfsprekendheid waarmee je vroeger onaangekondigd bij mensen op bezoek kon gaan. In Friesland liep je meestal gewoon achterom de huizen binnen, en men was ook thuis, al verwachtte men geen bezoek.
In de Zaanstreek was dat de eerste jaren niet anders. Maar zo langzamerhand veranderde dat. Je stond vaker voor een dichte deur, en uiteindelijk moest je er maar toe overgaan om een afspraak te maken. En nu weet je al niet beter meer.
Zelfs heel oude mensen hebben tegenwoordig liever dat je je bezoek aankondigt, en dan sta je nog versteld hoe bezet sommigen zijn! Bij verjaardagen is men meestal wel thuis, maar dan zit de kamer vol bezoek, dus wij spreken liever op een andere dag af.
Een enkele keer is er een reden om op de verjaardag zelf te gaan. Je veronderstelt dat de jarige thuis is, en maakt geen afspraak.
Zo reden we op een stralende maandagmorgen naar een oude jarige. In mijn fietstas een bescheiden bloemetje, joyeus ingepakt bij ’t tuincentrum in cellofaan met kleurige linten.
’t Leek heel wat. We fietsten dwars door de stad, drempel op, drempel af, stoplicht hier, stoplicht ginds.
Opeens een stem achter mij: „Mevrouw, de linten van uw plant zitten in uw achterwiel gedraaid!” Op het zelfde moment schiet mijn fiets uit de versnelling, ik spring er af en zie het onheil: de kleurige versiering zit verstrengeld met de versnellingscylinders (of hoe die dingen heten)van mijn fiets. Ik probeer er aan te trekken, maar dat helpt natuurlijk niet. Gelukkig zijn we vlakbij het huis van de jarige.
We zetten onze fietsen op slot, en knellen ze met een extra slot samen in een innige omhelzing.
„Ik kijk straks wel even naar dat achterwiel,” zegt Koos, terwijl hij op de bel drukt, „ik heb nu nog schone handen.” Wij wachten, bellen nog eens, maar de deur gaat niet open.
Ze is jarig en niet thuis. Daar staan we dan. Twintig fietsminuten van huis.
„Ik had er al zo’n voorgevoel van,” zeg ik somber.
„Ja, dat moet je nou zeggen,” moppert Koos. „Daar gaat mijn maandagmorgen, er woont hier ook verder niemand in de buurt waar we zomaar even binnen kunnen lopen.” Hij gaat naar de fietsen en begint met zijn fietssleuteltje aan de warboel in mijn achterwiel te peuteren.
Ik wil helpen en zoek in mijn tas. „Een pincet, is dat handig?” Eigenlijk wil ik het zelf doen, maar hij heeft al pikzwarte vingers, dus laat maar. Het gepeuter levert tenslotte een paar stukken lint op.
„Weet je wat,” zegt hij balorig, „we stoppen de linten in de brievenbus.” We fietsen terug door de stad. Je kunt op maandagmorgen nergens zomaar terecht, behalve in je eigen huis.

Ytje Veefkind-Eenkhoorn, Amersfoort

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief