Zie niet om in een wrok

1999-09-03
  • Jaargang 43
  • nummer 18
Tweemaal een overdenking naar aanleiding van psalm 35. Deze keer iets over de struktuur en de inhoud van de psalm, een volgende keer lezen we de psalm nog eens, maar dan tegen de achtergrond van ons eigen leven.

Psalm 35 is niet één van de bekendste en meest gezongen psalmen. Ik kan me niet herinneren dat ik deze psalm ooit in een kerkdienst hebt laten zingen.
Hoe komt dat? Ik denk omdat deze psalm zo strijdlustig overkomt.
Zo vol staat van de oproep om geweld te gebruiken. En daar kunnen wij niet zo goed mee uit de voeten.

Vers 1 bijvoorbeeld in de nieuwe berijming:

Twist, Here, met mijn twisters, strijd tot Gij uw dienaar hebt bevrijd. Grijp schild en zwaard, ja snel te wapen en sla de wolven, red uw schapen.

Dat klinkt nogal oorlogszuchtig en krijgshaftig.
Geweldadig. En dat stuit ons tegen de borst. Dat valt voor ons gevoel niet te rijmen met het beeld dat wij van God en van het geloof hebben.
De dichter van deze psalm roept in niet mis te verstane bewoordingen het oordeel van God uit over zijn tegenstanders. Luister maar naar vers 2.

Laat hen toch worden als het kaf en waai hen van de aarde af. Engel des Heren, maak hun wegen duister en treed hen wrekend tegen. Al wie een val zet voor mijn ziel, ach, Here, dat hij er zelf in viel, en doe die mij naar 't leven staan in eigen laag en list vergaan.

Nou, ook dat liegt er niet om en ik denk dat dat ook de reden is waarom ik deze psalm nooit voor de eredienst heb opgegeven.
Toch moeten we niet al te hard vallen over die felle en scherpe toon. De situatie is er ook naar. Een situatie, waarin geen verzoening mogelijk lijkt. En waar geen verzoening mogelijk is, daar wordt de toon vaak hard en heftig.

Boosheid
Maar wanneer je de psalm rustig op je in laat werken, dan is hij veel minder strijdlustig dan we bij eerste lezing zijn gaan vermoeden.
Eigenlijk is het een hele bijzondere psalm. Een psalm waarin een dichter op een hele directe manier uiting geeft aan zijn boosheid en verontwaardiging over wat hij van de kant van mensen krijgt te verwerken. Met name in het eerste gedeelte overheerst de boosheid, de woede over wat mensen hem hebben aangedaan. En hij schreeuwt die boosheid eruit, omdat hij er anders in dreigt te stikken. Echte, pure boosheid. Het is soms heel gezond om je boosheid te uiten, om je woede niet op te kroppen, maar het er eens helemaal uit te gooien. Ik kan u verzekeren dat dat flink kan opluchten, dat je achteraf blij bent dat je het er uit gegooid hebt, ook al zul je je naderhand weleens achter het oor krabben over wat je allemaal gezegd hebt.
Boosheid, m.n. dus in het eerste gedeelte. De vss 1 t/m 10. Intense boosheid, waarbij de dichter Gods hulp, ja sterker nog Gods wraak inroept. In hele strijdlustige bewoordingen.
Here, maak ze een koppie kleiner.

Gekwetstheid
Wanneer hij z'n boosheid er uit heeft gegooid, en boosheid is een hele primaire, directe reactie, die er eerst uit moet. En als die boosheid er uit is, als hij z'n gal heeft gespuwd, dan verandert ook de toon van zijn klacht. Dan proef je geen boosheid en verontwaardiging meer, maar gekwetstheid en pijn. Vooral pijn.
Achter die boosheid gaat een heleboel gekwetstheid, pijn en verdriet schuil. Je zou dat heel simpel in een schema kunnen uittekenen. De bovenste laag is boosheid, woede, die is heel primair, daar krijg je allereerst mee te maken, maar onder die laag van boosheid zie je een andere laag zitten.
Gekwetstheid, een diepe wond, een felle en scherpe pijn, een heel groot verdriet.

Boosheid uit zich vaak in grote woorden. “Ik zal hem! Als ik hem in m'n vingers krijg, dan vermoord ik hem. Wat zij mij hebben aangedaan dat roept om wraak, dat schreeuwt om vergelding.” Onder die woede zit de pijn van wat zij jou hebben aangedaan. De gewondheid van je hart. De gekwetstheid van je ziel.
En dat verdriet en die pijn worden in het tweede gedeelte, in de vs 11 t/m 18 benoemd.

In Gods hand
In het laatste gedeelte van de psalm roept de dichter God aan om hem recht te doen tegenover zijn tegenstanders.
Wanneer hij door de boosheid is heengegaan en het verdriet de boventoon krijgt, verflauwt ookde roep om wraak. Dan zegt hij niet meer: "Sla ze toch dood, Here", maar dan zegt hij: "Laat ze beschaamd staan".
In de hitte van je woede wens je iemand de meest verschrikkelijke dingen toe, wanneer je verdrietig bent spreekt je hart een andere taal. Dan hoeft God er niet meer op te slaan, maar dan je vraag Hem om recht te spreken en recht te doen.

Wat mij nog het meest in deze psalm heeft getroffen, dat is dat deze man niet het recht in eigen hand neemt. Hoe boos hij ook is, en met recht is hij verschrikkelijk boos, toch neemt hij niet het recht in eigen hand. Hij wreekt zichzelf niet.
Dat is een hele sterke kant van deze psalm. Dat een mens afstand neemt van geweld, en zijn boosheid in de hand van God legt.
Misschien heeft hij wel een heleboel redenen om zijn tegenstanders eens mores te leren, om hen ongenadig hard op hun ziel te geven, maar hij doet het niet, hoe boos hij ook is. Hij scheldt ze zelfs niet uit, hij laat dat over aan God.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief