Navolging (1)

1997-07-11
  • Jaargang 41
  • nummer 14
Recent verschenen uitgaven – of het nu om boekend of cd’s gaat – vind je meestal op een tafel of in een rek apart. Als nieuwelingen, die recht hebben op wat extra aandacht, voordat ze hun plekje krijgen in de schappen tussen al dat andere, soms al bijna weer vergeten. “Ach wie flüchtig, ach wie nichtig” (Gez. 271) geldt niet alleen schrijvers en lezers van boeken, maar ook hoge stapels van Kushner en Kuitert, van Scott en McGrath. Een paar maanden geleden liep ik met zulke mijmeringen langs een tafel die iets op een afstand stond van de afdeling theologie. Mijn oog viel op twee deftig ingebonden boekwerken, geschreven in de 17e eeuw en in de 15e eeuw. Het ene was van de hand van de wiskundige Blaise Pascal, die diepte gedachten had over het christelijke geloof, maar stierf voordat hij zijn overwegingen kon uitbouwen tot een boek. De postume bundel, die uitgegeven werd als ‘Pensées’, ging evenwel als een geliefd werk de wereld over in vele vertalingen.1

Niet anders verging het de bundel van vier traktaatjes, die werd uitgegeven als 'De imitatione Christi' ofwel 'Over de navolging van Christus", Dat boekje werd geschreven door een monnik, Thomas à Kempis, die vanaf 1400 zo'n 70 jaar vertoefde op het Agnietenklooster bij Zwolle. Over die beide boeken, door wie velen in de achter ons liggende eeuwen diep geraakt zijn, wil ik nu en in het najaar iets schrijven.

Rijkdom en armoede
Thomas à Kempis lange leven (1380-1471) beslaat het laatste part van de middeleeuwen. Hoeveel goeds en moois er van de 15e eeuw ook te zeggen is, kerkelijk gezien moet het een chaos zijn geweest. Symptomatisch was de machtsstrijd tussen twee pausen, één in Rome en één in Avignon, gedurende het grootste deel van Thomas' leven. Naast de politieke macht speelde geld een grote rol, niet alleen bij de hogere geestelijkheid, maar ook in de lagere regionen. De ambten van pastoor tot bisschop waren vaker te koop dan goed was en het niveau van de geestelijken was er naar. Ook in menig klooster viel eerder de rijkdom op dan het niveau van geestelijk leven. De reacties bleven niet uit. Het armoede-ideaal van Franciscus van Assisi (13e eeuw) inspireerde ook in de eeuwen daarna tot navolging. In en buiten de kloosters kwamen bewegingen op, die werkten aan geestelijke discipline en hernieuwde toewijding. Men keerde zich radicaal af van macht en geld, waarbij het geloof soms in mystiek en verinnerlijkt vaarwater terechtkwam. In die brede reactie tegen de verwereldlijking van de kerk heeft ook de zogenaamde 'Moderne Devotie' zijn plek. Het was een beweging van zowel geestelijken als leken, opgekomen in de contreien 'van Deventer en Zwolle. Rond 1400 begon men ook met de stichting van kloosters o.a. het Agnietenklooster bij Zwolle. In dat klooster deed Thomas à Kempis zijn werk als kopiist van religieuze werken en leidde hij de geestelijke vorming van de novicen, de jongeren die intrede in het klooster hadden gedaan.

Bloemlezing
Met die vorming heeft Thomas zich zo'n 45 jaar beziggehouden, waarbij de vier traktaten van 'de Navolging' een grote rol moeten hebben gespeeld. Af en toe waan je je bij de aanwijzingen van Thomas dan ook wel naast de novicen gezet, b.v. als je leest: "Wanneer gij altijd door in uw cel blijft, dan wordt zij een oord van vreugde; verwaarloost gij haar, dan gaat zij uw tegenzin wekken" (11.20.26)'. Toch is die monastieke achtergrond niet echt hinderlijk voor de gereformeerde lezer van 'de Navolging', omdat het leeuwendeel van de spreuken en aanwijzingen niet gebonden is aan de kloostercel. B.v. "In zwijgen en rust maakt de godgewijde ziel voortgang en leert zij de verborgenheden van de Schriften verstaan" (11.20.29), waar je wel de sfeer van het klooster proeft, maar er niet wordt opgesloten. Op een eerste eigenaardigheid bent u als lezer inmiddels gestuit. Het geschrift bestaat uit een veelheid van spreuken, die thematisch geordend, de vier traktaten vormen. In de spreuken zijn soms bijbelteksten opgenomen, maar je vindt ook citaten uit eerdere van zulke bloemlezingen uit de middeleeuwse kerk. Thomas a Kempis schiep het tot een geheel, waarbij de voor hem karakteristieke thema's en gedachten veelvuldig terugkeren. Dat maakt ook dat je je maar beter tot één hoofdstukje per keer kunt beperken, om zo ook eens wat langer stil te kunnen blijven staan bij één van Thomas' uitlatingen. Want het is boeiend en prikkelend om zo'n 15e eeuwse gedachte eens je eigen leven binnen te halen en hem vervolgens ook eens tegen het licht van het evangelie te houden!

Van nature vreemd
Er is veel in dit boek dat je in eerste instantie vreemd voorkomt, zo anders dan de wereld, waarin we werken en wonen. Want het gaat over nederigheid, zelfverloochening, inkeer, wereldverachting, vreemdelingschap, uitwendige en innerlijk troost, om maar eens iets te noemen. Echt een andere wereld denk je dan, alsof je een schilderij uit 1420 bekijkt met zijn nog onbeholpen gebruik van het perspectief. Of een stuk muziek opzet uit 1450, ook niet direct toegankelijk voor 20e eeuwse oren.
Toch moet je niet te snel zeggen, dat het tijdsverschil ons op beslissende afstand van het gedachtegoed van Thomas à Kempis zet. Want waarschijnlijk herkende u in het rijtje hierboven al wel een aantal begrippen, die in het evangelie zèlf een grote rol spelen, zoals nederigheid en zelfverloochening. Dat geeft al te denken! En daarbij komt dat de 20e-eeuwse mens vergeleken met de 15e eeuwse aan de buitenkant wel behoorlijk is veranderd - dus in de dingen van mode en kunst en gewoontes - maar veranderingen aan de binnenkant zijn een ander verhaal. En precies om die binnenkant is het Thomas à Kempis begonnen. Zoveel verschillen we 'van nature' niet van mensen, die leefden halverwege de 15e eeuw. De Zwolse monnik kwam natuurlijk ook niet zonder reden met zijn aansporingen! Hij heeft het b.v. over mensen die zich vastbeten in geld, bezit en vertier, alsof dat alles was. Sterker nog, hij voelde die neiging tot in zijn eigen botten: weinig rekenen met de eeuwigheid, omdat je van nature geneigd bent je leven te zetten op de kaart van het hier en nu. Ook al weet je dat het tijdelijke leven ook nu nauwelijks minder broos is als in de 15e eeuwen even eindig, toch gaat er een betoverende kracht van uit, waardoor de volle werkelijkheid van God soms zo vluchtig en onvatbaar lijkt. Die neiging is er bij de mensen in de loop van zes eeuwen niet veel minder op geworden. Als dat wel zo was geweest, dan zou de tijd onze natuur op dit punt genezen hebben, maar het evangelie geeft niet hoog op van de veranderende kracht van de tijd. Een aardig voorbeeld is te vinden in het derde traktaat, dat opgezet is als een dialoog tussen de Heer (Jezus Christus) en zijn dienaar. Daar hoor je de Heer zeggen: "Of denkt ge dat de mensen van deze wereld niets of weinig te lijden hebben? Ge zult dat nergens aantreffen, zelfs al zoekt gij de meest verwende lieden op. Ja maar, zult ge zeggen, zij hebben toch veel plezierige dingen en zij volgen hun eigen zin, daarom tellen zij hun beproevingen niet zo zwaar. Goed, laat het zo zijn dat zij alles hebben wat zij wensen. Maar hoe lang zal dat duren, denkt ge?" (111.12.8-12). En Thomas voegt er nog aan toe: "Bovendien zullen zij zelfs bij hun leven niet zonder vrees en verveling en bitterheid in die vreugden rusten" (111.12.14).Vrees, verveling en bitterheid in de vreugdes van het hier en nu - op zulke momenten is Thomas gewoon onze tijdgenoot, die ziet wat wij soms vergeten te zien.

Vreemdelingschap
Als je nagaat hoe Thomas de rol van de mens op aarde ziet, dan is dat die van vreemdelingschap: "Blijf u gedragen als een pelgrim en een gast op aarde, die met de zaken van de wereld niets van doen heeft" (1.23.45) of een tikje positiever over het aardse: "Neem het tijdelijke in gebruik, maar houd uw verlangen gericht op het eeuwige" (111.16.6).Toch klinkt ook dat laatste als een dissonant, voor wie gewend is aan een typering als rentmeesterschap, gedacht vanuit het allereerste begin van Gods weg met de mens'. Daar gaf God de mens immers een prachtige positie op aarde: 'de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren' (Gen. 2:15). Dat betekende inderdaad een ereplaats voor mensen onder Gods zon, maar verreken wel dat toen de verhouding tussen God en mens nog ongebroken was. De breuk door de zonde, maakte veel kapot en al verloor de mens door de val de taak van rentmeester niet totaal (Gen. 3:17- 19,23), de glans was er wel af. De positie van een mens op aarde kreeg iets dubbels, zodat je misschien wel zou kunnen zeggen dat het rentmeesterschap zich mengde met het vreemdelingschap. En dan in zo'n verhouding dat - gezien het evangelie - de nadruk op het laatste valt. Ik denk dan aan de eerste brief van Petrus of aan Paulus met zijn: "de tijd is kort. Laten zij ... die van de wereld gebruik maken zijn als zouden zij haar niet ten einde toe gebruiken" (1 Cor. 7:29-31). Of neem de schrijver van de brief aan de Hebreeën (11 :13), die het vreemdelingschap van de vader der gelovigen - vreemdeling in het beloofde landniet voor niets opduikelt uit Genesis 23. Die trek houdt blijkbaar voor de kinderen van Abraham iets blijvends op de aarde van Noach!

IJdelheid (vanitas)
Bij Thomas à Kempis slaat de balans wel te krachtig door en blijft er van het rentmeesterschap weinig meer over, dat geef ik graag toe. Daarin gaat deze kloosterling ook voorbij aan het goede werk van zijn collega's, die o.a.
het Groningerland in cultuur brachten en zo doende meer oog hadden voor het bouwen en bewaren van Genesis 2. En ook de vreugde en de genietingen lijken Thomas te ontgaan. Dat Jezus er niet aan voorbijging (denk aan de plaats van de maaltijd in de evangeliën!) daarover hoor je Thomas à Kempis niet. En al geeft hij de Prediker direct in het eerste hoofdstuk het volle pond, je merkt niets van die momenten, die het boek Prediker zo karakteristiek inkleuren, zoals: "Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet, dan heeft God dit reeds lang zo gewild"
(Pred. 9:7). En toch, misschien wel omdat Thomas à Kempis het licht zo van één kant laat vallen, geeft hij je steeds weer stof tot overwegen. B.v. in het lange citaat uit hoofdstuk 1, ingeklemd tussen Prediker 1:1 en 1:8, dat ik zoëven al aanduidde. Hier komt het: "IJdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid! Behalve God liefhebben en Hem alleen dienen. Dit is de opperste wijsheid: de wereld verachten en daardoor streven naar het rijk der hemelen. IJdelheid is het dus, vergankelijke rijkdom te zoeken en daarop zijn hoop te stellen. Ijdelheid is het ook, naar onderscheidingen te streven en zich tot een hoge plaats op te werken. IJdelheid is het, de begeerten van het vlees te volgen en te verlangen naar dingen, waarvoor ge later gestraft gaat worden. IJdelheid is het, een lang leven te wensen en u over een goed leven weinig zorg te maken. Ijdelheid is het uw ogen alleen maar op dit tegenwoordige leven te richten en niet vooruit te zien naar de dingen die komen. Ijdelheid is het lief te hebben wat schielijk voorbijgaat en u niet daarheen te haasten, waar eeuwige vreugde bestendig blijft. Herinner u voortdurend die bekende spreuk: Het oog raakt niet verzadigd van zien en het oor niet van horen" (1.1.11-20). De volgende keer ga ik verder over de ware vertroosting en de nederigheid. M.i. niet minder prikkelend!

Noten:
1. Blaise Pascal. Gedachten, Amsterdam 1997 (in een vertaling van Frank de Graaf).

2. Thomas à Kempis, De navolging van Christus, Kampen 1995 (in een vertaling van Gerard Wijdeveld).

3. Zoals gezegd bestaat 'de navolging' uit vier traktaten:
I. Nuttige wenken voor het geestelijk leven;
II. Wenken aangaande het inwendige leven;
III. De innerlijk vertroosting;
IV. Devote aansporing tot de Heilige communie.

De nummering (genomen uit de vertaling van Wijdeveld!) verwijst naar betreffend traktaat, hoofdstuk en spreuk.

4. In het denken van E. Schuurman neemt het motief van de vreemdelingschap een belangrijke plaats in, getuige de titel van één van zijn boelges 'Christenen in Babel'. Ook in andere publikaties van zijn hand speelt het ballingschapsmotief een rol van betekenis.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief