Wees en weduw en ontheemde

1997-07-25
  • Jaargang 41
  • nummer 15
Een van de schrijnendste wetten die de laatste jaren het Staatsblad heeft bereikt, is de Algemene Nabestaandenwet (ANW). Een typische vrucht van het individualiseringstijdperk met een wrange bijsmaak. De wet is sinds 1 juli 1996 van kracht en heeft een overgangsregeling tot 1 januari 1998. Door de invoering van de wet zelf is er al veel veranderd: met ingang van 1 januari a.s. zal de situatie van nabestaanden al of niet met minderjarige kinderen nog verder verslechteren. Een taak voor de kerk?

Ontstaansgeschiedenis
Sinds 1 oktober 1959 kennen we in ons land de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Een algemene wet voor de gehele bevolking: alle ingezetenen zijn in beginsel verzekerd. De wet voorziet in een weduwenpensioen of een tijdelijke weduwenuitkering voor weduwen en in een wezenpensioen voor volle wezen. Het uitgangspunt van de AWW was de toen algemeen aanvaarde gezinssituatie: de man verwierf als kostwinner door werk te verrichten, inkomen en de vrouw zorgde voor de huishouding en grotendeels voor de opvoeding van de kinderen. Wanneer de kostwinner kwam te overlijden, ontving de weduwe wanneer zij arbeidsongeschikt, ouder dan veertig jaar was of een eigen ongehuwd kind had, een weduwenpensioen. Aangezien de AWW in beginsel beoogde te zorgen voor een vervanging van het gezinsinkomen dat tot het overlijden van de kostwinner door hem werd verworven, was het weduwenpensioen inkomensonafhankelijk.
Er zijn twee belangrijke aanleidingen geweest om de AWW te wijzigen. In de eerste plaats twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep in 1988. Met een beroep op het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten werd de bepaling in de AWW dat uitsluitend vrouwen recht op een weduwenpensioen hadden, vanwege ongelijke behandeling naar geslacht daarmee in strijd geacht. Het gevolg is dat sinds 1988 weduwnaars op dezelfde wijze worden behandeld als weduwen. Er ontstond voor de regering een budgettair probleem. In de tweede plaats de opkomst van allerlei nieuwe maatschappelijke opvattingen en ontwikkelingen, waaronder de toenemende individualisering.Om er enkele te noemen: De traditionele rolverdeling in het gezin wordt niet meer als vanzelfsprekend aanvaard. Steeds meer vrouwen hebben betaald werk en dus een eigen inkomen. De wet zou niet alleen voor gehuwden, maar ook voor ongehuwd samenwonenden moeten gelden. Het risico voor een nabestaande door het overlijden van de kostwinner dient niet op de gemeenschap te worden afgewenteld, maar is de verantwoordelijkheid van het individu.

Veranderingen sinds 1 juli 1996
Na jarenlang politiek geharrewar wordt in december 1995 de parlementaire behandeling van de Algemene Nabestaandenwet die vanaf 1 juli 1996 de AWW moet gaan vervangen, afgerond. De belangrijkste en meest fundamentele verandering is de overgang van een pensioenvoorziening naar een uitkering. Jaren geleden heeft een dergelijke fundamentele verandering plaats gehad in de Kinderbijslagsfeer: ontvingen ouders met kinderen omdat zij zwaardere lasten hadden, aanvankelijk een lastenverlichting, deze werd in de zeventiger jaren vervangen door een premieregeling op kinderen. Afgezien van de overgang van pensioen naar uitkering, heeft de ANW de rechthebbenden beperkt en de uitkering aanzienlijk verlaagd. Bovendien is de ANW wel inkomensafhankelijk. Zonder uitvoerig op de wet in te gaan wil ik enkele in het oog springende veranderingen aangeven. Ten eerste: wie komen in aanmerking voor een ANW-uitkering? Nabestaanden (mannen en vrouwen) die arbeidsongeschikt zijn, een eigen ongehuwd kind jonger dan achttien jaar verzorgen, of geboren zijn vóór 1 januari 1950. Ten tweede: hoe hoog wordt de uitkering? Maximaal 90% van het minimumloon (AWW: 100%), waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen alleenstaande nabestaanden (70%) en nabestaanden met ten minste één minderjarig ongehuwd kind (+20% tot de jongste 18 jaar wordt). De uitkering wordt verlaagd of vervalt wanneer de nabestaande zelf over inkomen beschikt. Om het ingewikkeld te maken en in sommige gevallen zelfs slechter voor de nabestaande, maakt de wet onderscheid in de herkomst van het inkomen, m.a.w. of dat inkomen uit arbeid (salaris) komt, of dat dit verband houdt met arbeid (sociale of VUT-uitkering). In het eerste geval blijft dat inkomen gedeeltelijk vrij; bedoeld om het blijven werken te stimuleren. In het tweede geval wordt de ontvangen uitkering geheel verrekend met de ANW-uitkering.

Overgangsregeling
Voor nabestaanden die vóór 1 juli 1996 al recht hadden op AWW geldt een overgangsregeling tot 1 januari 1998.
Deze regeling houdt in dat het AWWpensioen tot die datum ongemoeid blijft. Dit betekent dat vanaf 1 januari a.s. wordt bezien of een nabestaande met AWW, eigen inkomsten heeft. Vooral voor oudere weduwen met bijvoorbeeld alleen een VUT-uitkering, zal dat tot een aanzienlijke inkomensachteruitgang kunnen leiden. De wetgever heeft een bijzondere regeling getroffen voor nabestaanden die geboren zijn tussen 1 januari 1950 en 1 juli 1956 waarvan de echtgenoot overlijdt tussen 1 juli 1996 en 1 juli 1999. Die nabestaanden - mits zij op 1 juli 1996 en op het moment van overlijden getrouwd waren - hebben recht op een nabestaandenuitkering, ongeacht of zij kinderen hebben of arbeidsongeschikt zijn. Een heel dun pleistertje op een wel zeer pijnlijke wonde voor op zich maar een beperkte groep belanghebbenden. Immers de regeling geldt slechts voor een beperkte tijd - drie jaar - en bovendien wordt aan nabestaanden onder de 40 jaar zonder kinderen die in gelijke omstandigheden kunnen verkeren, geen soulaas geboden. Natuurlijk, de door 'paars' zo volprezen markt zal zijn werk wel doen. Diverse verzekeringsmaatschappijen overspoelen ons met aanbiedingen om een mogelijk hiaat aan te vullen. Dat laat onverlet dat de wet zelf de zwakkeren in een nog zwakkere positie brengt. Ik doel hiermee op de weduwen die dat al waren op 1 juli 1996 en onder de overgangsregeling vallen. Vanaf 1 juli 1999 krijgen ook zij met de volledige ANW-korting te maken. Aangezien die weduwen niet tijdig (aanvullende) maatregelen hebben kunnen treffen, zal dat voor hen tot een aanmerkelijke inkomensachteruitgang kunnen leiden.

Verantwoordelijkheid van kerken
AI in de mozaïsche wetten hebben weduwen en wezen een aparte plaats. De Here treft voor hen bijzondere voorschriften.
In Ex. 22:22 staat: Geen enkele weduwe of wees zult gij verdrukken. Verschillende profeten hanteren dat uitgangspunt om het leven voor de Here door het volk te toetsen (Jes. 1:23; Jer. 7:6; Ez. 22:7; Zach. 7:10; Mal. 3:5).
Ook in het Nieuwe Testament is de zorg voor wees en weduwe een toetssteen voor een voor de Here geheiligd leven, zoals Jakobus het zo kernachtig samenvat: Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren (1:27). Nu de overheid zo nadrukkelijk de handen aftrekt van de echt zwakkeren in de samenleving, zullen we ons als kerken moeten beraden in hoeverre hier voor bijvoorbeeld diaconieën een taak zou kunnen liggen. In Psalm 146 lezen we: wees en weduwe houdt Hij staande (vers 9). Dat gaat niet vanzelf. Vandaar dat dezelfde dichter even daarvoor ook zegt: de HERE heeft de rechtvaardigen lief (vers 8). Wij zullen ons als medebroeders en -zusters het lot moeten aantrekken van hen die 'geen helper hebben'.

Tot slot
Het voorgaande geeft in grote lijnen weer welke gevolgen er ontstaan zijn of binnenkort zullen ontstaan door wetgeving die zo zeer gestoeld is op de toenemende individualisering in onze maatschappij. Uitgebreidere informatie is te vinden in folders van het ministerie van Sociale zaken en werkgelegenheid die bijvoorbeeld in postkantoren zijn te verkrijgen. Het is naar mijn mening een onderwerp dat niet alleen hoog op de politieke agenda, maar zeker ook op de kerkelijke (lees: diaconale) zal moeten komen.

(De heer Mol/ema is gemeentesecretaris van de gemeente Katwijk)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief