Doodsbenauwd voor de stilte
1997-07-25
Wij leven in een wereldje vol lawaai. Neem alleen al het verkeer, hoeveel lawaai produceert dat niet. Grote ontsierende geluidsschermen moeten het verkeerslawaai wat binnen de perken houden, maar helpen doet het niet al te veel. En dan overal die muziek, die je ongevraagd in de oren klinkt. In de winkelstraten van een beetje dorp of stad klinkt muziek. En ook in heel veel winkels weer muziek. Wil je ergens rustig zitten om een hapje te eten of gewoonweg een kopje koffie te drinken in een of ander etablissement, weer muziek. Om hoorndol van te worden. Bel je een bedrijf en de persoon die je moet spreken is in gesprek, dan word je in de wacht gezet zoals dat heet en in je oor klinkt een niet gevraagde melodie. Mensen moeten overigens ook altijd praten. Alleen in de wachtkamer van de dokter of de tandarts wordt vaak stommetje gespeeld, en hoe benauwend is dat niet. En als je in de verte het krassende geluid van boren hoort in de behandelkamer van de tandarts, dan loopt het koude zweet je al bij de rug omhoog. Op zo'n moment besterven de woorden je op de lippen. Waar ook vaak gezwegen wordt, is in de lift. zou het vanwege de spanning zijn dat dat ding blijft hangen tussen twee etages?- Jaargang 41
- nummer 15
Dat zou wel eens kunnen. Mensen staren vaak wat glasachtig voor zich uit en een enkeling spreekt bij binnenkomst in de liftcabine met de neus een groet. En als je je mond eens open doet, kijken ze je aan alsof ze willen zeggen: "We zijn toch geen familie van elkaar?" Maar buiten wachtkamer en lift komt alle lawaai weer volop op je af. De meeste mensen zijn tegenwoordig ook doodsbenauwd geworden voor de stilte. Deze werkt benauwend op mensen naar het schijnt. Kom maar eens ergens op visite en er valt een stilte ... Oei, dat is niet best want dan is het niet gezellig meer. Dan deugt er ergens iets niet.
Ik denk dat door al dat lawaai dat we produceren, met de mond of met een ander instrument, onze oren een beetje verdoofd zijn. Als ons gevraagd wordt stil te zijn, lijkt dat steeds moeilijker te worden. Nog niet zo lang geleden was ik op een begraafplaats. De uitvaartleider verzocht uitdrukkelijk om stilte in acht te nemen, zowel op de gang naar het graf alsook op de gang van het graf naar de koffiekamer. Maar dat was gewoonweg tegen dovemansoren gezegd. De naaste familieleden, in diep verdriet om het verscheiden van hun geliefde vader en opa, volgden in stille tred de baar.
Achter hen liep de verdere familie, een colonne neven en nichten en vervolgens de dorpelingen en ander voetvolk.
De neven en nichten, die elkaar naar het scheen in tijden niet gezien hadden, hadden elkaar heel wat te vertellen over van alles en nog wat. Ondertussen kwam de stoet voorbij het sterfhuis. Twee neven, die zo te horen nogal veel verstand hadden van onroerend goed, verschilden van mening over de waarde van het pand van ome Hotze, maar kwamen toch tot de conclusie dat Hendrik en Karel, de twee zoons van de overledene, hun neven, straks een behoorlijke duit konden beuren. Nog verder naar achteren in de stoet kwekte een oude mevrouw, die naar ik stellig meen in de visverkoop heeft gezeten, er vrolijk op los. Omdat ze nogal doof was, vroeg ze haar stoetbuurvrouw luidkeels wel drie keer naar wat ze gezegd had. Ondertussen waren we op het kerkhof en schaarden ons rondom het graf. Alle lawaai en prietpraat verstomde. Nadat de kist was neergelaten en de predikant de aloude woorden van de geloofsbelijdenis had uitgesproken, baden we samen het Onze Vader. Dat was ondanks alle droefenis een goed moment. Weer vroeg de uitvaartleider om alle stilte te betrachten. Maar ach, boter aan de galg, want het lawaai was nu nog heviger dan op de heenreis. Bovendien hadden enkelen alvast een sjekkie opgestoken. Omdat ik mij al zolang mateloos had geërgerd, kon ik me niet langer inhouden. Ik draaide me om en vroeg aan twee schetterende begrafenisgangers of ze op weg waren naar de kermis. Het was alsof ze door een adder gebeten werden! Hun beider blikken leken me in staat mij in het pas gedolven graf te doen belanden. In de koffiekamer siste één van de twee me toe waar ik me mee bemoeide. "Met normaal fatsoen", antwoordde ik, "en nergens anders mee." Of ze er iets van opgestoken hebben, waag ik te betwijfelen, maar je weet het maar nooit. Per slot van rekening zou een koe nog wel eens een haas kunnen vangen. Ik wacht het maar zwijgend af.
Dit artikel kwamen wij tegen in het 'GEREFORMEERD KERKBLAD' (hoofdredacteur drs. A. Hekman te Beilen). Als het leven verzakelijkt neemt men vlot afstand van een dode en gaat spoedig over tot de orde van de dag. Dan verbleekt de piëteit. Dat wordt een begrip uit de oude doos. Ik hoop, dat christenen tonen, dat zij in dat opzicht anders zijn!