Lezen, luisteren en preken

1999-10-29
  • Jaargang 43
  • nummer 22
Nederlands Gereformeerde predikanten-dag Eén keer per jaar (elf oktober dit keer) worden Nederlands Gereformeerde predikanten, hun vrouwen en sinds kort ook pastorale werkers, uitgenodigd voor een predikantendag. Degene die niet komt, wordt verzocht zich af te melden.
Met andere woorden: alle predikanten worden geacht er te zijn. In een relatief klein kerkverband, waarin gemeenten een plaatselijke kleur aannemen die sterk kan verschillen van andere gemeenten, is het goed als de voorgangers elkaar ontmoeten, bevragen, uitdagen en bemoedigen.

Een predikant heeft een aparte positie in de gemeente: herder en leraar. Wie is de herder van de herders en de leraar van de leraars?
Iemand die "het" elke keer weer moet zeggen en voor iedereen moet zorgen, heeft immers ook woorden van correctie en troost nodig en zorg voor de eigen ziel. Dat is niet voor iedereen in de eigen gemeente aanwezig.
Het was niet gemakkelijk onze predikanten en hun vrouwen in het programma van de dag te drukken.
Als men in onderling gesprek raakte, in de pauzes, wilde men niet teruggeroepen worden.
Misschien is dat het probleem van een vergadering van herders, die allemaal gewend zijn het tempo aan te geven, in plaats van te volgen. Ik wil het positiever duiden: men had elkaar wat te melden. Die gesprekken, voor een voorzitter ongetwijfeld heel lastig, zijn blijkbaar belangrijk voor de deelnemers. Voorzitter Gerrit Zwarts bleef trouwens de rust en minzaamheid zelve en leek er niet onder te lijden.

Is de preek uit de tijd?
Waarover spraken zij, die predikanten, in het officiële gedeelte? Over de prediking. Raakt de preek niet uit de tijd? Een communicatievorm die, als de kerktoonsoorten, alleen te verstaan is voor mensen die er mee opgegroeid zijn? Voor het ochtendprogramma was drs. W.
Dekker uitgenodigd, Nederlands Hervormd predikant vorming en toerusting van de IZB. Tijdens het middagprogramma vertelden twee predikanten hoe zij preken maken, en met welk doel. Andere deelnemers konden daar op aanhaken. Die middagvergadering was besloten.
Geen pers. Ieder moest vrijuit het achterste van de tong kunnen laten zien.
Ds. Dekker hield 's morgens een pleidooi voor het belang van de preek. Hij wees een tendens aan in onze tijd (o.a. in de SOWkerken) om van de kerkdienst weer een eredienst te maken, met nadruk op de vorm, de liturgie, naar het Roomse model. De preek wordt dan uitleg (van Bijbelteksten) en niet meer: verkondiging.
Daarnaast ziet Dekker de tendens om de nadruk te leggen op het samen beleven van het geloof in kleine groepen, met nadruk op de persoonlijke beleving, naar het doperse model, zoals dat b.v.
gevonden kan worden in de groeiende aandacht voor huiskringen. Waar het Dekker om ging was dat de Reformatie de preek ontdekte als bemiddeling van het heil. Door de preek, zei o.a. Calvijn, ontvangen mensen de genade die ze zo nodig hebben. Volgens de Roomse Kerk in zijn tijd kwam het heil tot de gelovigen via het sacrament; de preek was een stichtelijk vermaan. "In de bediening van het Woord druppelt Christus' bloed op de gemeente" zei Calvijn. Is dat in onze tijd ook zo?
De vragen van de mensen zijn anders. Niet meer, zoals toen, is de vraag: Hoe kan ik ooit bij God komen, klein en zondig als ik ben? De vraag is eerder: Bestaat God wel, en waar dan, en wat doet Hij dan? Die vraag los je niet op door veilige rituelen en niet door dierbare vroomheid. God laat zich vinden in Zijn Woord. En daarover gaat de preek.
Prediking is nodig, zegt Dekker, als brug tussen in oude teksten opgeslagen heil en onze cultuur in een crisis. Daarvoor moet de verkondiger zowel die "oude teksten" als onze cultuur goed kennen.
Voor het eerste zijn schriftgeleerden nodig, voor het tweede profeten.
De predikant tussen de commentaren en de krant. Dekker vergeleek de situatie van Israël in de ballingschap met de situatie van de kerk in onze tijd. God was onzichtbaar geworden, ver van het beloofde land en de tempel.
Alleen het profetische woord doorbrak de "godverduistering".
Vandaar dat hij zijn inleiding de titel gaf "Preken in de ballingschap".

Preken in de ballingschap
Waardoor kenmerkt zich het preken in ballingschap, in een tijd waarin Gods aanwezigheid helemaal niet meer vanzelfsprekend is?
- Door verlegenheid.
"Iemand zegt roep. En de vraag klinkt: Wat zal ik roepen?" (Jes. 40:6) Grote woorden klinken hol. De kerk staat niet meer midden in de samenleving, mensen lijken best zonder te kunnen, wel tevreden, ver van het beloofde land.
Bovendien zijn grote woorden hol geworden sinds Auschwitz mogelijk bleek in een Europa vol kerken. "Ik hoop dat al mijn spreken van het grote zwijgen doortrokken is" zei Dekker.
- Het Woord moet geschonken worden. "De Here Here heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen.
Hij wekt elke morgen. Hij wekt mij het oor opdat ik hore zoals leerlingen doen." (Jes. 50:4,5) Niet het woord dat je al wist te zeggen moet je spreken, maar het woord dat je uit Gods mond hoort. Het leven van een predikant moet een biddend leven zijn.
- Je kunt ergens op terugvallen.
God blijft dezelfde.
In de verhalen van de exodus herkenden de profeten tijdens de ballingschap Gods handelen in hun eigen tijd. Zo kunnen wij ook motieven uit onze tijd terugvinden in bijbelgedeelten.
- Preken doe je in interactie met je hoorders. "Mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij" (Jes 40:27) roepen de mensen in ballingschap. Brutaler nog: "Waarom liet Gij ons afdwalen Here, van uw wegen, verharddet Gij ons hart, zodat wij U niet vreesden?" (Jes 63:17).
Deze klachten zijn onderdeel geworden van de Bijbeltekst. Zo mogen ook wij de vragen uit onze tijd horen als woorden die God wil dat we horen en ze op Gods bord terugleggen.
- Verwacht iets nieuws.
"Denk niet aan hetgeen vroeger gebeurde" (Jes 43:18). Geen vrome nostalgie, niet blijven staan bij wat God vroeger deed.
Om je heen kijken naar wat God nu doet.
- Probeer met andere ogen naar de werkelijkheid te kijken. De heidense koning Kores, volgens de media van zijn tijd ongetwijfeld een handig politicus, wordt door de profeet "Herder van God genoemd". Durven wij ook zo krant te lezen en in grote en kleine verhalen van onze tijd zoeken naar God en dan van tijd tot tijd ook roepen: "Gevonden! Daar is Hij weer!"?

Jubelen onder het zuchten, of zuchtend jubelen?
De inleiding maakte allerlei vragen en opmerkingen los. Zodra het concreet wordt, blijkt hoe verschillend er gedacht wordt over onze tijd en de tekenen van God daarin.
Ja, onbekommerd jubelen (roemen) lijkt ongepast en naïef in onze tijd waar we het zuchten van de schepping kunnen horen en zien in onz huiskamer. Maar mogen we enthousiast de voorboden zien en benoemen van de nieuwe dingen die we God zien doen of moeten we, bescheiden geworden tegen de achtergrond van (ook binnenkerkelijke) secularisatie, ons hoeden voor te grote verwachtingen en doelen?
Is het misschien het verschil van zienswijze van de mensen die in de ballingschap in Jeruzalem gebleven waren, en de stad met tempel en al zagen instorten, en de zienswijze van de mensen die weg zijn geweest, ver van Jeruzalem, en dan terugkomen en roepen "Breek uit in gejuich, puinhopen van Jeruzalem, want de Here heeft zijn volk getroost"
(Jes. 52:9)? Zoals de Bijbel ons leert over het profetische inzicht: uit de loop van de geschiedenis zal blijken wat het juiste inzicht is (Deut. 18:21,22). Het is iets om blij mee te zijn in onze dagen dat gemeenteleden, de hoorders van preken, in grote mate ook hun eigen oordeel kunnen vormen, omdat ze zelf de Bijbel kunnen lezen en de Geest hen daaruit tegemoet kan waaien. De preek, daar leek men het wel over eens, is er nog steeds om het heil bij de mensen te brengen. Om dat heil gaat het: God zelf in ons midden.
Luther, de grote man van het Woord en de prediking, zei het zo: "De Bijbel is de kribbe of de wieg waarin het kind Jezus ligt. Laten wij niet de wieg onderzoeken en vergeten het Kind te aanbidden."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief