Water en wijn
1999-11-26
Doordenking van Mudde's 'Je weg vinden' - Jaargang 43
- nummer 24
Onlangs schreef ds. Jan Mudde Je weg vinden, een werkboek voor jongeren over christelijke levensstijl anno 2000. In zijn boekje doet Mudde een poging de bijbelse woorden weer het nodig profiel te geven door zgn. 'grondwoorden' naar voren te halen. De belangrijkste twee zijn: 'gerechtigheid' voor het Oude Testament en 'liefde' voor het Nieuwe Testament.
Hierop een reactie.
Is God geweken uit de woorden? Uit onze woorden over Hem èn uit de woorden van de bijbel?
Déze vraag - en niet minder - is mijn inzet als ik het boekje van ds. Jan Mudde over de grondwoorden wil bespreken.
Mudde zoekt in het oerwoud van bijbelwoorden een kompas om jongeren toe te rusten en hij lijkt dit te vinden in de 'grondwoorden'.
Ik wil iets laten zien van de moeite die ik heb met zijn methode.
Niet dat Mudde zo verkeerd zit - de christelijke traditie ondersteunt hem hierin - maar ik blijf met een gemis zitten.
De visie van Mudde over de 'grondwoorden' zat al jaren in de koker, getuige zijn artikelen in Opbouw en zijn preken, maar nieuw en opzienbarend is ze niet. Het pad van de gereformeerde woordtheologie wordt ook door hem weer met zorg betreden.
Zo lijkt het, al proef ik bij hem toch iets anders aan het slot meer hierover.
Er is bij ons, met name de afgelopen eeuw, een hang naar fixatie op woorden. Een fixatie op woorden die altijd weer een ethische uitloper zou en moest hebben. Mensen als A. Janse, K. Schilder en de mensen van de Reformatorische Wijsbegeerte hebben ons ermee ingepeperd en ingezouten.
We moeten bij de Schriftwoorden, de openbaringde wet - blijven staan als grens tussen de mens en God, want 'God is in de hemel, en gij zijt op de aarde' (Prediker 5:1). Dit schriftwoord was zowel een adagium van mensen als Karl Barth als van bovengenoemden.
Keurslijf
In de afgelopen decennia is alle theologie - zijn alle preken geperst in het keurslijf van deze opvatting.
Het is niet te verbazen dat één van de belangrijkste vragen op dit moment bij veel mensen is: hoe ervaar ik God in mijn leven? Want het steeds maar weer benadrukken van het oneindig grote verschil en afstand tussen God en mens roept een sfeer op van praktisch agnosticisme. God kunnen we niet ervaren, maar Zijn woorden nog wel, en dat maakt ons tot praktische mensen. Maar de vraag blijft: hoe ervaren we dat deze woorden van God zijn? Omdat ze betrouwbaar blijken te zijn in onze levens? Maar wie begint er aan zo'n hachelijk avontuur? Een voorwaarde moet toch zijn dat je eerst in God gelooft, en iets moet je ertoe hebben gezet 'Zijn' Woord te lezen, de gemeente te bezoeken of te bidden.
Afkomst, vriendschap, per soonlijke crises worden zo de aanleiding tot geloven.
Anders gezegd: toeval, verstrengeling en karakterzwakte waar de kerk van profiteert. Als geloof een functie is dan is ze te richten, te sturen en op te wekken met alle psychologische trucs die je maar kunt bedenken. En wie op het terrein van het geloof verzand raakt, bevindt zich op een oneindig terrein van woordinterpretaties en gebodstoepassingen, zo groot als de werkelijkheid zelf. Een boeiend en spannend avontuur, dat wel. En je blijft leren. Maar je blijft jezelf voor de gek houden, een leven lang. De sterke benadrukking van de openbaring en daarmee samenhangend: het geloof, kwam iemand als Karl Barth op het verwijt te staan van 'het gesloten huis'. Als je het Woord maar gelooft, zo zei Barth, dan zul je het vatten, en het geloven gaat door middel van datzelfde Woord. Maar, zeiden sommigen, dat lijkt wel een mooi huis, maar hoe kom je binnen? Wat Barth zei, klonk ook in de beweging van 'terug naar de schrift' van Schilder, Janse e.a., een beweging die ook aan de bakermat stond van onze kerken. Deze beweging heeft m.i. funeste trekjes gehad. Elke twijfel, ervaringsloosheid, en sprank van ongeloof werd fijngestampt in het geloofsgeloof.
Want geloven is makkelijk. Iedereen kan geloven en iedereen gelooft ook - want iedereen heeft 'religieuze vooronderstellingen' (Dooyeweerd).
Het geloof moet gevoed worden door de bijbelwoorden, en die staan zwart op wit op papier.
We ervaren niet God, maar de woorden.
Ervaren is beleven, en beleven is het leven leven van de geboden. Simpel.
Maar de vraag blijft voor mij: waar is God? Want zò geloven is voor mij onwaarschijnlijk en doodvervelend geworden. Een onvoorstelbaar vermoeiend avontuur, naar de woorden van Prediker.
Een woordvijandig klimaat
Vermoeiend. Tot ik op een bepaald moment erachter kwam dat wij ons bevinden op een smalspoor. We hebben zo langzamerhand een woordvijandig klimaat gecreëerd. Alle woorden worden vastgemaakt aan 'de goede schepping'. Het vermogen om te geloven is zo de mens ingeschapen. Evenzo het vermogen om lief te hebben en trouw te zijn; we spreken dan over het huwelijk als scheppingsinstelling met een verwijzing naar Genesis. We lijken doodsbang te zijn voor elke vorm van vermenging van het goddelijke en het menselijke. Er is een muur - een bedekking - van stenen tafelen om ons heen opgericht. God is door Hem af te schermen als 'de gans Andere' opgesloten in de wereld, de Geest zit vast aan de bijbel als ware het zijn 'gewaad' (Calvijn). En Jezus? Die is in de hemel.
We leven zo alsof er geen God is. Woorden zijn nietszeggend geworden, ook woorden over Hem.
Want waar zijn zo de dingen die van boven zijn (Kol. 3)? Wat zijn de raadselen uit 'de spiegel van Paulus'? Voor Mudde is de spiegel Gen. 1 en 2. Zo ontstaan er 'pijnlijke raadsels' als homofilie (Je weg vinden, 107). Het raadsel is dan de discrepantie tussen woord en werkelijkheid.
Maar een raadsel duidt m.i. niet alleen op een tegenstrijdigheid, maar ook op strijd, zoeken en bidden. Speuren naar de wil van God door ons open te stellen voor het wezen van God in Jezus Christus. Het begin van ons zoeken ligt niet in de openbaring van de woorden, maar in de openbaring van de Persoon.
’Dordt’
Een belijdenis die ons wat kan leren is die van 'Dordt'. Zij spreekt niet een taal van objectivering, maar van huiver, wedergeboorte, toeëigening, zekerheid en strijd.
Voordat de levende kennis van de wedergeboorte zou wegkwijnen legden onze vaderen deze kennis vast in 'Dordt'. Was het in een gebrekkig idioom?
Vol van Grieks-wijsgerige en scholastieke restanten?
Ik sluit dat niet uit, elk idioom is belast. Maar de zaak - het gebeuren, het 'geheimenis' - gaat boven de woorden uit. Zo ook in 'Dordt'. Eigenlijk naderde 'Dordt' 'Trente' heel dicht.
Want er is ook bij haar vermenging van het goddelijke en het menselijke: de wedergeboorte als soeverein ingrijpen van God in ons bestaan. Maar in de nadering was de afstand tussen 'Dordt' en 'Trente' levensgroot. Bij Rome was de mens in staat met zijn door de zonde niet-aangetaste rede de genade te bereiken. Bij de vaderen van Dordt was de mens volkomen onmachtig op te klimmen tot de Goddelijke genadestaat. God zelf grijpt in door Zijn wederbarende Geest. God vermengt, draagt en doordrenkt het menselijke bestaan. Rome zette in bij de orde en kwam bij het goede van 'in den beginne' op een dwaalspoor.
'Dordt' zette niet in bij de natuur of de goede schepping, maar bij de verdoemelijke wereld en Gods genadige en verkiezende handelen in Christus.
'Dordt' stak daarom dieper af dan het reformatorische 'Sola Fide' alleen.
Geloof is geen activiteit of intentieverklaring, maar een geschonken staat van genade. Geloof is een Persoon, evenals uitverkiezing, verbond, canon en waarheid. 'Tot geloof komen' is zo hetzelfde als het 'komen als tot een levende steen' (1 Petr. 2:4). Wie alleen maar 'gelooft', blijft staan bij de moedermelk. Dordt heeft dan ook een boodschap voor ons, die liever blijven steken op het fundament (Hebr. 5): het geloven van de openbaring en van de heilsfeiten.
Vermenging: water en wijn?
Als er geen vermenging van het Goddelijke en het menselijke is, kan God niet wèrkelijk binnentreden in ons bestaan. We blijven staan aan deze zijde van de wet en worden zodoende steeds weer op onszelf teruggeworpen.
Prediker 5:1 wordt zo een doodswoord.
In de katholieke eucharistieviering wordt de wijn vermengd met water. Dit staat voor de vermenging van de Goddelijke natuur (het bloed) en de menselijke natuur (het water). Maar de verhoudingen liggen precies andersom. Het water staat voor de Goddelijke Geest, het bloed voor het menselijke, welke beiden niet te scheiden zijn. Het is het water uit de harde steen dat ons voedt en lest. Het bloed bedekt en doordrenkt het aardse. Bij het avondmaal belijden we dan ook dat we gevoed worden met 'hemelse drank en spijze' en dat we staan in de belofte. De belofte die volgens zondag 28 HC staat voor de realiteit in Christus, hier en nu. Het avondmaal duidt zo op de mystieke unie met Christus: wij zijn 'vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente'.
Maar wat doen wij? Wij blijven liever staan bij de belofte van wat - vast en zeker - nog vervuld moet worden. De avondmaalshuiver heeft zo plaats gemaakt voor de huiver het terrein van de Geest te betreden.
Een hinkende Mudde?
Er is altijd het gevaar van het op twee gedachten blijven hinken. Werd bijvoorbeeld de inzet van Calvijn in zijn Institutie bij de 'algemene openbaring' niet gevoed door de inzet bij de 'natuur' door Rome? De NGB als rationele apologetiek is hiervan ook een voorbeeld.
'Dordt', maar ook de Heidelberger gaan dieper, elk idioom ten spijt. We komen er niet uit tenzij we de algemene en de bijzondere openbaring direct op elkaar betrekken.
Ik heb daarvoor het heikele woord 'vermenging' gebruikt. Mudde hinkt ook op twee gedachten. Aan de ene kant is ook hij gefixeerd op de woorden en hun concrete ethische toepassingen.
Maar tegelijk hebben de 'Goddelijke liefde' en 'het Kruis' bij hem zo'n sterke plaats dat ik een enorme spanning ervaar in zijn methode. De 'Goddelijke liefde' brengt Mudde haast in vervoering, maar de 'menselijke liefde' blijft wat hangen.
Waarom is dat scheidingswandje tussen die twee onopgeefbaar? Is het niet tijd om alles opnieuw te doordenken, en de ethiek voorlopig te laten rusten?
Want wie God 'ervaart' in zijn of haar leven en door Hem gegrepen wordt, die wordt de ethiek toch geschonken?