Over pesten en gepest worden
1999-12-10
Pesten komt veel vaker voor dan we denken. Veel kinderen verzwijgen het feit dat ze gepest worden.- Jaargang 43
- nummer 25
Daardoor blijft het probleem voor ouders en leerkrachten verborgen.
De auteurs van het boek 'Ik wil er ook bij horen' zijn als psychologe en als orthopedagoog werkzaam bij (Gereformeerde) schoolbegeleidingsdiensten.
Ze komen in hun werk (zowel op basisscholen als bij het voortgezet onderwijs) in aanraking met de diep-ingrijpende gevolgen van het pesten.
Ze vinden pesten geen individueel probleem, het is een groepsprobleem.
Met andere woorden: het helpt onvoldoende als je het gepeste kind weerbaarder maakt. Daarom zal de aanpak van het pesten zich moeten richten op iedereen die ermee te maken heeft.
Wat is pesten?
Er is een groot verschil tussen het onschuldige plagen en pesten. Pesten is: "het langdurig lichamelijk en/of psychisch geweld van een persoon of groep tegen een enkeling die niet in staat is om zich te verweren". Pesten kan zich verbaal uiten (bijvoorbeeld iemand steeds herinneren aan zijn afwijkende uiterlijk), kan lichamelijk van aard zijn (iemand op de grond gooien), maar het kan ook indirect zijn (bijvoorbeeld: iemand buitensluiten van de groep).
Waarom verzwijgen?
Buitengewoon belangrijk is de constatering van de auteurs dat veel kinderen thuis niet vertellen dat ze gepest worden. Thuis zou dÈ plek moeten zijn waar je als kind je verhaal kwijt kunt. Waarom durf je thuis dan niet te vertellen dat je gepest wordt?
Hasselaar en De Muynck schrijven dat kinderen vaak 'open' zijn, maar dat ze zich voor het gepest worden lijken te schamen.
Bovendien is pesten vaak een geleidelijk proces, eerst stelt het niet zoveel voor en noem je het thuis maar niet. Op den duur wordt het bijna gewoon dat je gepest wordt en benoem je het nog steeds niet. Vaak zijn kinderen ook onzeker over de reactie van hun ouders. Ze vinden het vervelend om hun ouders teleur te stellen (veel ouders lijken zich er inderdaad voor te schamen als hun kind niet weerbaar blijkt). Ook kunnen kinderen bang zijn om zelf beschuldigd te worden ('je hebt het zeker uitgelokt?').
Tenslotte vragen kinderen zich af wat de gevolgen kunnen zijn als ze vertellen dat ze gepest worden (wat gebeurt er als mijn vader naar de ouders van de jongen gaat die mij steeds pest? Dan loop ik het morgen zeker extra op?). Als extra reden waarom kinderen thuis niet zoveel durven te vertellen wil ik het beeld noemen dat het kind van zichzelf heeft. Aan de ene kant zijn kinderen met een negatief zelfbeeld kwetsbaarder voor plagerijen, aan de andere kant wordt dat beeld nÛg negatiever doordat het kind gepest wordt.
Kinderen die negatief over zichzelf denken sluiten zich vaak af van hun omgeving, proberen hun ellende in stilte te verwerken.
Ze zijn vaak ook minder geneigd om hun verdriet met de ouders te delen. Omdat kinderen vaak niet uit zichzelf vertellen dat ze gepest worden zullen opvoeders extra alert moeten zijn op de signalen die in het gedrag van kinderen naar voren komen. Daarom is de lijst in het boek met gedragingen (en veranderingen in het gedrag) die er op kunnen wijzen dat het kind gepest wordt van groot belang voor opvoeders.
Terugslaan?
Gelukkig zijn er ook kinderen die wèl aan hun ouders duidelijk maken dat ze gepest worden.
Niet zelden is de reactie van die ouders dat het kind voor zichzelf op moet komen. De paradox is echter dat een kind juist met dát advies klem kan komen te zitten.
| Laat je niet op je kop zitten! Marten heeft thuis verteld dat hij op school gepest wordt door een paar jongens uit de klas. Zijn vader zegt: "Laat je toch niet op je kop zitten!" De volgende dag is het weer raak, hij heeft wéér te maken met een overmacht aan veel sterkere kinderen. Twee jongens trekken hem van zijn fiets af, een paar anderen staan er joelend omheen. Moet hij nu terugslaan? Hij wéét dat hij het tegen deze overmacht niet redt. Bovendien: áls hij terugslaat nemen ze hem nóg steviger te grazen. Marten doet dus maar niets terug en wacht tot zijn klasgenoten uitgeraasd zijn. Thuisgekomen vertelt hij ook maar niets aan zijn ouders. Want nu heeft hij ook nog tegenover hèn gefaald. Hij heeft zich immers wéér op zijn kop laten zitten? |
Ouders kunnen - aldus de auteurs - met de beste bedoelingen, bij hun kinderen het idee doen groeien dat toch niets helpt tegen dat pesten.
Omgekeerd (een niet in het boek uitgewerkt voorbeeld): wat te denken van het advies van christenouders aan hun kind: als iemand je op de linkerwang slaat, moet je hem ook de rechterwang toekeren!
Het lijkt mij dat hier een Bijbeltekst teveel buiten de context wordt geplaatst. Een kind komt met zo'n opgelegde toepassing al snel klem te zitten: het kan geen kant uit.
De (on)veilige groep
De oorzaak van het pesten ligt - stellen de auteurs - niet in het kind zelf. Kinderen kunnen wel de aanleiding zijn waarom ze gepest worden (bijvoorbeeld: op basis van uiterlijke kenmerken), maar ze zijn geen oorzaken van het pesten. Die oorzaak zit dieper en ligt in de aard van de groep.
In iedere groep zijn er leiders en kinderen die wat achterop komen, zijn er populaire en minder populaire kinderen. In een veilige groep is dat geen probleem. In zo'n groep mag het kind zijn wie het is, is er rond de groep voldoende orde en controle is en hebben alle kinderen het gevoel dat ze beschermd worden. In een onveilige groep worden leiders pesters en worden kinderen die afwijken al snel gepest.
Pesters
Wat is er met de pesters aan de hand? In de vakliteratuur wordt vermeld dat zowel gepeste kinderen als pesters zich onveilig voelen. Vaak (maar lang niet altijd!) zijn het kinderen die weinig persoonlijke aandacht hebben gehad of die veel lichamelijk gestraft werden.
Ook Hasselaar en De Muynck sluiten zich bij deze literatuur aan. Ze stellen dat kinderen die pesten vaak heel erg bang zijn dat ze hun positie kwijt raken. Ze lijken wel leiders, maar dat is vaak schijn. In feite is pesten sociaal onhandig gedrag.
De pester heeft namelijk niet geleerd om op een aanvaardbare manier met andere kinderen om te gaan. Met andere woorden: kinderen die pesten zijn sociaal onhandige kinderen, die alleen verkeerd gedrag hebben geleerd om zichzelf in de groep staande te houden.
Gevolgen van pesten
Pesten is een vorm van onrecht, stellen de auteurs, en daarom moet er iets aan gedaan worden.
Onrecht is vaak heel hardnekkig. Het is een Bijbelse opdracht om dat onrecht tegen te gaan.
Maar, bovendien is een zeer principieel argument het feit dat degene die een mens bespot in feite diens Schepper bespot (Spreuken 17 : 5; de auteurs hanteren de Staten Vertaling); achter ieder kind staat immers God Zèlf. Voldoende reden om hard met het thema aan de slag te gaan. Er zijn ook pedagogische redenen waarom het 'pesten' veel aandacht van opvoeders vraagt. Op den duur grijpt het pesten zo diep in dat het een deel van de persoon is geworden. Eenmaal volwassen geworden houden de vroeger gepeste kinderen vaak een negatief beeld van zichzelf. Ook trekken ze zich vaak snel terug. Ze zouden trouwens vaak ook niet weten hoe je met anderen om moet gaan, want ze hebben als kind niet de mogelijkheid gehad om te oefenen in de omgang met leeftijdgenoten.
Ook de pester ondervindt de gevolgen van het pesten.
Zijn gedrag wordt op den duur een soort verslaving.
Ook hij heeft een tekort aan sociale vaardigheden, want hij heeft geleerd om door middel van dwang zijn zin te krijgen.
Relatief veel pesters belanden uiteindelijk in het criminele circuit.
Gezin, school en......
De zojuist geschetste lijn zet de toon voor het boek.
Wil je iets aan pesten doen, dan zal het probleem breed aangepakt moeten worden. Het betekent dat voorlichting naar de ouders toe nodig is èn dat de school in actie zal moeten komen. Daarnaast zal er aandacht moeten zijn voor de kinderen die pesten, voor de groep om hen heen èn voor de kinderen die gepest worden.
Bijna het gehele tweede deel van dit boek is gewijd aan de rol van ouders en school, ruim 65 bladzijden.
Een beperking van het boek is dat slechts 3 bladzijden gaan over pesten 'elders' (in de trein, in de buurt, in het gezin).
Pesten komt immers ook voor in de vrije tijd, op straat, tijdens en na de catechisatie en zeker ook binnen het gezin. In je vrije tijd kun je bepaalde situaties misschien vermijden, maar je leeft als kind iedere dag binnen een gezin. Sommige kinderen hebben hun leven lang last van de pesterijen die ze thuis hebben moeten ondergaan. Misschien lijkt de invloed van het pesten tijdens en na de catechisatie minder (het gaat immers maar om een korte tijd in de week), maar we moeten de gevolgen niet onderschatten: juist de kerkelijke omgeving zou een veilige omgeving moeten zijn.
Soms zijn negatieve ervaringen met leeftijdgenoten binnen de kerkelijke gemeente een reden voor latere kerkverlating.
Overigens: ook volwassenen kunnen elkaar jarenlang treiteren. Op het werk, tussen buren, in de kerk: overal komt pesten voor. Dit boek beperkt zich tot de opvoedingssituatie, en dan in het bijzonder in relatie tot de school.
Kanttekeningen
De hoofdstukken over het gezin en de school worden in deze bijdrage verder niet uitgewerkt. De Muynck en Hasselaar bieden een groot aantal aandachtspunten voor zowel ouders als onderwijzend personeel. Ten aanzien van de school geven ze o.a mogelijkheden voor klassikale gespreksvormen over het pesten aan, inclusief enkele verwijzingen naar Bijbelse geschiedenissen en naar de Heidelbergse Catechismus.
Ook noemen ze een aantal praktische handvatten om problemen op te lossen.
Zeer kort komt aan de orde dat sommige kinderen extra kwetsbaar zijn (hyperactief gedrag, contactstoornissen). Dit gedeelte zou -wat mij betreft- iets meer aandacht mogen hebben.
Extra aandacht zou ook gewenst zijn met betrekking tot de adviezen die ouders aan hun kind geven. De auteurs noemen dit wel, maar dit is zó'n grote valkuil dat het thema extra aandacht waard is. Omdat ouders zich ongemakkelijk voelen als hun kind wordt gepest hebben ze vaak de neiging om allerlei (goedbedoelde) adviezen te geven. Het is in deze fase echter juist buitengewoon belangrijk om de mogelijkheden van het kind zélf aan te boren. "Wat past er bij jou? Hoe zou jij dit kunnen oplossen?"
Daarmee wordt het kind niet uitgeschakeld, maar juist ingeschakeld en het krijgt beter grip op zijn omgeving. Bovendien loop je dan als ouders minder risico dat het kind een onmogelijk advies moet opvolgen, waardoor het zich opnieuw voelt falen (zie onder: terugslaan?).
Aan het boek is een bruikbare literatuurlijst bijgevoegd. Helaas worden adressen van hulpverleningsinstanties gemist.
Beoordeling
Mija Hasselaar en Bram de Muynck hebben een zeer goed leesbaar boek over een belangrijk onderwerp geschreven. Pesten komt in iedere sociale omgeving voor. Zowel kinderen die gepest worden als degenen die pesten ondervinden hier langdurig (soms zelfs levenslang) de negatieve gevolgen van.
Zowel vanuit principieel christelijk oogpunt als vanuit de pedagogische gezichtshoek vinden de auteurs dat pesten een vorm van onrecht is: er moet hard aan gewerkt worden om dat onrecht uit te bannen.
Op enkele punten zouden aanvullingen gewenst zijn (contactstoornissen, hulpverlening, invloed van de buurt). Daarnaast geldt dat de auteurs in de rechterflank van de gereformeerde gezindte werkzaam zijn. Soms komen er op gezinnen binnen onze (meer geseculariseerde) kerken nog andere aandachtspunten af (wat is bijv. de invloed van TVprogramma's waarin mensen belachelijk gemaakt worden?).
Opvoedingsboeken zijn geen receptenboeken.
Ook in dit boek staan geen recepten om het pesten uit te bannen.
Naar mijn mening zijn de schrijvers er echter in geslaagd om op een begrijpelijke en genuanceerde manier met concrete suggesties voor behandeling te komen. Ze leggen niet de schuld aan één kant, maar werken het thema in verschillende richtingen uit (èn de ouders, én de school, kinderen die pesten èn kinderen die gepest worden, soms de opvoeding, maar er zijn ook andere factoren, enz.). Met dit helder geschreven boek kunnen ouders en onderwijzend personeel hun voordeel doen.
Naar aanleiding van: Mija Hasselaar en Bram de Muynck, Ik wil er ook bij horen; Den Hertog, Houten, 1999; 136 blz., ƒ 27,90