'Een stap te snel...?'
1999-12-10
In het vorige artikel bespeurde ik in het boekje van ds. Jan Mudde over bijbelse grondwoorden, Je weg vinden, een discrepantie tussen Mudde's inzet en zijn methode. Naar mijn mening blijft hij - onbedoeld - steken bij de woorden, terwijl m.i. de vraag naar het ervaren van God in ons leven een vraag is die veel verder en dieper gaat, en daarom voorrang moet krijgen.Want wie begint er nog aan het hachelijk avontuur van de bijbelwoorden?- Jaargang 43
- nummer 25
Steeds minder mensen, en ook steeds minder kerkmensen zien iets in zo'n riskante onderneming.
Juist in een maatschappij die steeds meer op safe speelt en het avontuur steeds meer in een kortstondige momentervaring, en steeds minder in 'een leven met een plot' zoekt, is de aanpak van Mudde een hollen achter de fanfare aan. Nu zijn de wereld van de bijbel en de wereld buiten haar geen vreemden voor elkaar. Het is dezelfde wereld. Sprak onder het oude Israël God door de bijbelwoorden; onder de heidenen spraken de goden, hetzij door verschijnselen, hetzij door ingevingen. Hoe het ook zij, voor zowel de Israëlieten als voor de heidenen was de aarde bezwangerd van het goddelijke en het hogere.
Israël had dan ook vaak moeite God en de goden te onderscheiden. En God week. Uit de wereld en ook uit de woorden.
Vandaag is God een probleem, een vraag geworden.
Vanwaar de zin van dit alles? Wat is de oorsprong en het doel van ons leven? Werd deze vraag eerder beantwoord met God, nu zijn tal van antwoorden mogelijk - zij het alles even beperkt en relatief. Voor velen, vooral voor jongeren, doemen tal van wegen op. Welke weg moet je volgen? Vanuit een bewogen christelijk hart heeft ds. Jan Mudde een mooi boekje geschreven: Je weg vinden.
Maar toch... Stelt Mudde zich niet op als de kleine bewogen kruidenier op de hoek die zijn nering wil slijten aan een slinkende klantenkring?
Verandering
Tijden veranderen, de wereld verandert en ook de mens zelf verandert mee. De mens van nu is een andere dan de mens van vroeger. In het lange evolutionaire proces van onze wereld is hij fysiek veranderd en, in de loop van de laatste paar duizend jaar, is hij aanwijsbaar als psychisch en cultureel wezen anders ge-worden.
Maar is hij ook wezenlijk anders geworden?
Dat valt niet te hopen, althans niet voor de christelijke boodschap.
Want stel dat de mens het vermogen is kwijtgeraakt om te kunnen geloven. Of om lief te hebben. In het christelijke denken staat de vooronderstelling van 'de onveranderlijke mens' stijl overeind. Ook in Je weg vinden kom ik deze tegen (H.2). Het 'er is niets nieuws onder de zon' van Prediker is zo tot uitgangspunt van ons denken geworden. De mens bevindt zich op een beperkt speelterrein - dat van de 'goede schepping': een biljartbal raakt de volgende; die stoot weer tegen een derde; dit is de essentie van het leven. Het 'creatuurlijke' bepaalt ons bestaan. De dingen zijn zoals we ze waarnemen.
Dat schept een deterministische sfeer van betrouwbaarheid. De woorden, ook de bijbelwoorden, betekenen iets.
In onze kringen wordt God geloofd en geprezen om zijn wetten, ook zijn natuurwetten. God is als de superbiljartspeler met de eerste stoot. Zonde is een hobbeltje in het biljartlaken en Christus strijkt het laken weer glad. Zo baant de verzoening de weg voor de zin van het leven Ën voor een terugkeer naar het geluk van het goede paradijs.
Vraagtekens
Ik zet vraagtekens bij de opvatting van met name 'de onveranderlijke mens'.
Alles wankelt, zegt psalm 46, en dit slaat niet alleen op onze beleving van de werkelijkheid, maar ook op alles wat in de schepping is neergelegd; ook op de mens. In het Oude Testament komen we de realiteitsbeleving van de mens tegen die ook in de wereld te vinden is. Zo kon een Griekse filosoof Herakleitos stellen dat 'alles stroomt' - als er iets blijft, dan is het de verandering.
En Socrates zei: 'als we iets weten, dan is het dat we niets weten'.
De schepping is zo niet een 'begin' van alles, maar een stroom van leven en sterven, van oordeel en genade. Wie zich blindstaart op de scheppingsorde, die toch eerder een bruisen en schuimen is dan een 'orde', raakt het zicht op God kwijt.
Wie beseft dat hij niets kan vastzetten, voelt de bodem voor vertrouwen wegzakken. Wie doordrongen raakt van de veranderlijkheid van het bestaan, ziet de onmogelijkheid van zoiets als gerechtigheid; ethiek en geloof hebben dan niets meer met elkaar van doen. Wie slechts leeft bij het zichtbare en waarneembare ziet niets in de onzichtbare verbindende macht die liefde is. De veranderlijkheid brengt ons verzuchtend tot het inzicht dat de mens 'geneigd is tot alle kwaad'. De wetteloze mens beseft dat het menszijn van de mens niet in zichzelf gevonden wordt.
Hij probeert zijn mens-zijn te vinden door zich vast te zetten, en in de zo ontstane verbinding iets van een identiteit te zien. De theoloog Noord-mans had gelijk toen hij zei dat de Geest losmaakt wat wij vast willen maken, en stelde: 'scheppen is scheiden'.
Zo is ook ons 'beheren' gelegen in terughouding, ook ten aanzien van de schepping. Ik kan niet meegaan in de lyriek die ds. Mudde ten toon spreidt bij het namen geven van de dieren in Gen. 2 (Je weg vinden, H.10). Een mens moet geen namen geven, maar rekening houden met het eigene van alle dingen en dieren. De mens wil daarentegen manipuleren, heersen, objectiveren.
Adam sprak over zijn vrouw als 'deze', dezelfde vrouw die hem zou begeren - een woord waar ook heersen in zit. Een mens die afstand neemt, laat het andere tot zijn of haar recht komen.
Afstanden worden niet overbrugd door manipulatie of overheersing, maar door afstandsoverbruggende machten en krachten die uit de Geest zijn: liefde, respect, goedertierenheid en barmhartigheid.
De liefde liefhebben
Deze geestelijke mens heeft niet de wereld lief, maar heeft de liefde lief waarmee God ook liefheeft.
Als we bespeuren dat een ongelovige man zijn vrouw liefheeft, dan hebben wij niet ook de vrouw lief, maar de liefde waarmee hij liefheeft.
Deze diepten zijn het die God wijzen, die het geweten vormen waarmee iedereen de notie van Hem heeft (Rom. 1: 19 e.v.). De liefde van God is Christus; als wij liefhebben hebben wij Christus en zijn werk lief. Liefde is daarom niet een middel om iets te bereiken maar is het doel. Anders zou deze liefde onwaarachtig zijn. We hebben niet lief om te bekeren. En we hebben niet lief om de schepping te vervolmaken.
Nee, het doel van de schepping was niet haar eigen 'goedheid', maar de band tussen God en mens.
God is het doel van ons leven. Wij in Hem. In het liefhebben aanvaarden wij het totale leven dat God ons geeft, ten goede en ten kwade. Om zo met psalm 46 te kunnen zingen: 'aanbidden wij uw toorn en uw genade'.
Het onmogelijke is mogelijk geworden
Wie het Evangelie ontvangt weet dat dit Evangelie haaks staat op de Wet en daarmee ook op het leven van Jezus.
Pas in zijn sterven en opstanding krijgen wij zicht op het Evangelie. De rijke man in de gelijkenis van de arme Lazarus krijgt nog te horen dat zijn vijf broers genoeg hebben aan Mozes en de Profeten - er hoeft niemand uit de dood terug te keren; Jezus zelf keert later terug uit de dood en komt tot zijn discipelen alvorens naar de hemel te gaan. In tegenstelling tot wat de gelijkenis van Lazarus aangeeft, was het wel nodig dat iemand terug keerde uit de dood. Soms kregen de discipelen iets door van de onmogelijkheid van dit evangelie. Jezus zei dan wel: wat bij de mensen onmogelijk is, is bij God mogelijk', maar toch. In Pinksteren brak het inzicht door en in Paulus bereikte ze een climax. Deze zondaar tegen de Heilige Geest was reddeloos verloren, maar Jezus zelf grijpt hem met zijn onwederstandelijke genade. Het onuitsprekelijke en het oncreatuurlijke is nogmaals geschied: Paulus wordt als ontijdig geborene opnieuw geboren.
Jezus toont in zijn vervulling van de Wet de onmogelijkheid van die weg.
Paulus sluit in zijn Romeinenbrief hierbij aan, na ook op het doodlopende karakter van de weg der heidenen gewezen te hebben. In hun falen zijn deze twee wegen gelijk; de weg der werkelijkheidsopenbaring en de weg der wetsopenbaring.
Beiden hebben ze hun beginpunt in de 'schepping', beiden resulteren ze in boosaardigheid en afval aan de ene kant, en in wetticisme c.q. stoïcisme aan de andere kant met de pendule van de menselijke grilligheid heen en weer slingerend.
Bij het lijden begint de weg
Het 'wat voor mensen onmogelijk is, is voor God mogelijk' mag en moet ons uitgangspunt zijn. Zo is na het zondigen tegen de Heilige Geest vergeving onmogelijk. Maar hoeveel en hoe vaak is er niet gezondigd tegen de Heilige Geest? Na Stefanus rede tegenover het Sanhedrin kan niemand zich meer onttrekken aan zijn beschuldiging: 'altijd maar verzet u zich tegen de Heilige Geest'. Het blijven staan aan de waarneembare wetszijde en het creatuurlijke van ons bestaan, drijft ons eerder van Christus af dan naar Hem toe. Onze weg begint bij het Kruis van de opgestane Heer. Hoop reikt dan ook verder dan geloof.
Geloof 'ziet' de vervulling nu, hoop ziet de vervulling straks. De hoop reikt naar het verdere - de woorden van het mogelijke voorbij. Blijven staanof slechts reiken naarhet praktische, is een verarming van ons bestaan.
Vermagerd en bloedeloos overschreeuwen we onze knagende rand van onzekerheid.
Want in plaats om vanuit de bijbel naar Gods Woord buiten de bijbel te speuren, brengt ze ons bij Gods Woord in de bijbel. Maar de weg van Jezus is niet praktisch. Ze is een weg van sterven en opstaan, verkiezing en wedergeboorte. Niet de weg van de woekeraar van de talenten is onze weg, maar onze weg is die van de verloren zoon.