Zingen, ZANG, gezongen 1)

1999-06-11
  • Jaargang 43
  • nummer 12
Middelburg is een kleine gemeente. Eén van de konsekwenties daarvan is, dat er geen eigen predikant is. In de zondagse eredienst gaat daarom vaak een ’predikant van buiten’ voor, die, onder andere, liederen laat zingen, psalmen en gezangen. Dat zingen is overigens een goede gewoonte, die we nog maar lang in ere moeten houden.

Onder die zondagse zingers zit er (meestal) ook één, de schrijver van dit artikel namelijk, die zich daarbij meerdere malen heeft afgevraagd of dat zingen van de gemeente in de loop der jaren aan verandering onderhevig is geweest. Verandering dan in de zin van:

zongen we vroeger andere psalmen en gezangen dan tegenwoordig?
Welnu, na lang aarzelen heb ik dan eindelijk een onderzoek uitgevoerd, aan de hand waarvan er mogelijk een antwoord gegeven kan worden op de hierboven gestelde vraag. Bovendien zal terloops ingegaan worden op wat andere zaken die met ons liedboek te maken hebben.

Juist omdat in Middelburg veel predikanten van buiten voorgaan, die bovendien, zo mag ik aannemen, niet of nauwelijks overleggen met andere collega-predikanten over de te zingen psalmen en gezangen, heeft de beantwoording van bovenstaande vraag vermoedelijk meer dan alleen plaatselijke betekenis.

Zo’n onderzoek is natuurlijk alleen maar uit te voeren als er gemeenteleden zijn, die hebben bijgehouden wat er in de loop van de jaren zoal gezongen is. Zulke gemeenteleden zijn er in Middelburg! Joke Budding en Mien Huisman, onvolprezen begeleiders op piano en orgel, hebben gedurende jaren bijgehouden welke psalmen en gezangen de gemeente te zingen heeft gekregen van de diverse predikanten die bij ons zijn voorgegaan.
Hier komen de resultaten.

1. Algemeen.
Het onderzoek is gebaseerd op twee verschillende perioden. De periode 1981-1985, dus zeg maar een periode ruwweg vijftien jaar geleden, en de periode 1994-1997, een zeer recente periode dus. In beide gevallen heb ik de periode even lang gekozen, nagenoeg 4 jaar. De periode 1981-1985 zullen we in het vervolg de eerste periode noemen (soms periode 1), de andere periode noemen we dan maar de tweede periode (soms ook periode 2).

De resultaten in de eerste periode zijn gebaseerd op 949 keer het zingen (van één of meerdere verzen) van een psalm of gezang en in de tweede periode op 1026 keer het zingen van een psalm of gezang.

In de eerste periode was de verhouding psalmen : gezangen = 60 : 40, in de tweede periode was die verhouding 50 : 50. Er is dus een lichte verschuiving opgetreden ten gunste van de gezangen. Maar die verschuiving is allerminst spectaculair (had u dat overigens wel verwacht?). Je zou ook kunnen zeggen dat de voorkeur van de predikanten voor psalmen, dan wel gezangen, in de loop van de jaren niet of nauwelijks is veranderd.
Bij de komst van het liedboek waren sommige zusterkerken bang dat invoering van het liedboek zou leiden tot een vermindering van te zingen psalmen, en natuurlijk, dat is ook gebeurd. Maar bang..., er is eerder een stabilisatie opgetreden van te zingen psalmen en gezangen denk ik.

2. Over psalmen.
De psalmen zijn in de bijbel ingedeeld in vijf boeken. Deze indeling is volgens de literatuur vrij willekeurig, behalve dan dat elk boek eindigt met een lofpsalm. Misschien wel vanwege die vermeende willekeur zijn er ook pogingen gedaan om tot een andere indeling te komen: zo zijn er (onder andere) lofpsalmen en dankliederen, boetepsalmen en klaagliederen. Er zijn gedichten over een koning, er zijn nationale liederen, bedevaartspsalmen en leerdichten, vloekpsalmen, psalmen over geloofsvertrouwen, en tenslotte zijn er bij deze indeling ook nog 40 psalmen niet ingedeeld.
Voor mijn onderzoek heb ik de vijf grootste groepen (volgens deze laatste indeling) met elkaar vergeleken.
De resultaten staan in tabel 1.

Er kunnen, voorzichtig, een paar conclusies getrokken worden: 1e Er is niet veel verschil tussen ons zingen nu, in de tweede periode, vergeleken met 15 jaar geleden. De verdeling over de 5 groepen is in beide perioden nagenoeg hetzelfde gebleven.
2e Lofpsalmen en dankliederen hebben verre de voorkeur. Deze groep van psalmen wordt duidelijk vaker gezongen, dan bijvoorbeeld de groep van psalmen over geloofsvertrouwen, of over een koning. Dit geldt zowel in absolute waarde (kolom 3) als gemiddeld genomen (kolom 4).
3e Een persoonlijke conclusie: als ik van te voren een volgorde had moeten aangeven uit welke groep van psalmen het meest gezongen is, dan zou dat de volgorde zijn geweest die ook uit dit onderzoek is gerold. Met andere woorden: de resultaten verbazen mij niet.

Het is duidelijk dat sommige psalmen vaker worden gezongen dan andere, maar interessant is ook de vraag of alle psalmen ooit een keer gezongen zijn. Het antwoord is nee, sommige psalmen zijn nooit gezongen in onze erediensten, zie bovenstaand over zicht: Verreweg de meeste psalmen die nooit gezongen zijn, zitten in de groep overige psalmen. Er is nu overigens wel een verschil tussen de twee perioden: De afgelopen 4 jaar zijn 40 psalmen nooit gezongen. In de eerste periode, vijftien jaar geleden dus, zijn 26 psalmen nooit gezongen. Voegen we beide perioden samen, dan zijn in die periode van acht jaar 22 psalmen nooit gezongen. Twee van de vier vloekpsalmen (de psalmen 35, 69, 109 en 137) zijn in de eerste periode wel (meerdere malen zelfs) gezongen, in de tweede periode in het geheel niet.
Uit alle andere overige groepen van psalmen is ooit wel eens gezongen, dat geldt voor beide perioden. Een uitschieter bij die overige groepen is de groep leerdichten. We vermelden het resultaat daarom apart, zie tabel 3.
Er zijn vijf leerdichten, en wat betreft het zingen ervan neemt psalm 119 maar liefst 65% (in periode 2 zelfs 70%) voor z’nrekening, hoewel we deze psalm absoluut gezien iets minder zijn gaan zingen in periode 2. Ook de andere leerdichten zijn ietsminder gezongen in de tweede periode.
Zijn de ’toppers’ van toen nog steeds ’toppers’? Mien Huisman weet zich uit de periode van de vijftiger en zestiger jaren (zijwas toen al organist!) nog te herinneren dat psalm 48:6, psalm 68:10, psalm 72:11 en psalm 75:1 onbetwiste toppers waren,allemaal in de oude berijming uiteraard. Alle vier deze psalmen zijn geen toppers meer, ook niet hun pendant in de nieuweberijming.
Ook aardig om te memoreren is dat psalm 149 (oude berijming) vroeger niet te zingen was, en ook niet gezongen werd. In deperiode ’81-’85 was deze psalm echter een topper, stond zelfs op de tweede plaats. Deze psalm is echter nu weer uit de topverdwenen.
Psalm 75 heeft een tegenovergestelde beweging meegemaakt: in de vijftiger jaren een topper, nu niet meer.
Welke psalmen zijn nu toppers? Wel, we hebben voor u een ’top-tien’ opgesteld van meest gezongen psalmen, zowel voor deeerste periode als voor de tweede periode. De resultaten staan in tabel 4. 147 en 149 zijn wat uit de gratie geraakt, staan in detweede periode niet meer bij de top-tien. De psalmen 107, 118, 130 en 139 daarentegen zijn de top-tien juist binnengekomen in deafgelopen vier jaren. (Ook de psalmen 66, 72, 111 en 121 zijn 9 keer gezongen in de tweede periode).
Als we de indeling van de psalmen in vijf boeken aanhouden, zoals in het oude testament, waarbij we bovendien alle psalmenbetrekken, die ooit gezongen zijn in de twee perioden, krijgen we de resultaten zoals weergegeven in tabel 5.

3. Over Gezangen.
Geliefde lezers, we gaan over tot de gezangen. Ook de gezangen zijn ingedeeld in groepen. Maar deze indeling is duidelijker dan de indeling van de psalmen, die nogal subjectief is. We hebben de 16 groepen waarin de gezangen zijn ingedeeld overigens ook weer samengevoegd, en wel tot 7 groepen: de bijbelliederen, de liederen betreffende het kerkelijk jaar, de liederen over de drie-eenheid en het koninkrijk Gods, de liederen over de kerk, de liederen over doop/belijdenis/ huwelijk/avondmaal, de ochtenden avondliederen + jaarwisseling, en tenslotte de zogenoemde andere liederen.
Voor alle groepen hebben we onderzocht het aantal gezangen dat uit zo’n groep gezongen is, hoe vaak er uit die groepen gezongen is, en hoe vaak elk gezang uit zo’n groep gemiddeld gezongen is. De resultaten staan in de tabellen 6 en 7 voor resp. periode 1 en periode 2.

Conclusies:
1. In tegenstelling tot de psalmen zijn zeer veel gezangen nooit gezongen, dat resultaat zal overigens niemand verrassen denk ik. In de eerste periode is 33% van alle 491 gezangen ooit wél eens gezongen, in de tweede periode was dat 41% (zie kolom 3 in tabel 6 en 7).

Uit diezelfde kolom en uit het totaal gemiddelde blijkt overigens dat er wel gevarieerder uit de gezangen is gezongen: gemiddeld is in elke periode elk gezang ca 2,5 keer gezongen, maar in periode 2 zijn meer verschillende gezangen gezongen.
2. Evenals bij de psalmen zijn er per groep van gezangen toch ook weer aanmerkelijke verschillen (hoewel niet zo zeer verschillend per periode!): Elk gezang uit groep 4 (gezangen over de kerk) is, gemiddeld genomen, ruim 5 keer gezongen, uit groep 6 daarentegen elk gezang maar 1 keer.
3. Zou je mogen veronderstellen, de resultaten bekijkend, dat er in de eerste periode vooral bekende gezangen gezongen zijn en dat we het, naar mate de tijd vorderde, beter aandurfden om ook wat meer onbekende gezangen te zingen? Beter is het dan om te zeggen dat de predikanten die bij ons voorgingen meer onbekende gezangen zijn gaan laten zingen.

Ook bij de gezangen hebben we geprobeerd een ’top-tien’ van veel gezongen gezangen op te stellen. De resultaten staan (onder andere) in tabel 8. Conclusies: – Er zijn vrijwel geen ’blijvers’ bij de gezangen: alleen de gezangen 328 en 326 zijn in de ’top-tien’ gebleven, gezang 326 is zelfs naar de eerste plaats gestegen.
– Een echte uitschieter bij de gezangen, zoals bij de psalmen psalm 119, is er niet, of het zou gezang 326 in de tweede periode moeten zijn.
– Niet uit de tabel te halen, maar wel een conclusie: in de eerste periode zijn 16 gezangen 5 of meer keren gezongen. In de tweede periode waren dat 32 gezangen.
Nog een laatste resultaat wil ik u niet onthouden, het zal u ongetwijfeld interesseren.
Ik heb voor u onderzocht hoeveel psalmen (en ook hoeveel gezangen natuurlijk) er hoevaak gezongen zijn.
Dus hoeveel psalmen zijn 0keer gezongen, hoeveel psalmen 1 keer, hoeveel 2 keer, enz., enz. Het resultaat van deze exercitie staat in tabel 9. Als we van deze frequentieverdeling een plaatje maken, in de statistiek een histogram genoemd, dan blijkt de vorm van dathistogram zeer veel te lijken op de geometrische verdeling, en dat is zeer aardig.
Waarom, zult u zich ongetwijfeld afvragen, is dat nou zo aardig? Welnu, de geometrische verdeling is, zoals dat heet,geheugenloos. In dit verband wil dat zoveel zeggen als: het feit dat een bepaalde psalm al 3 keer gezongen is in een bepaaldeperiode, zegt nog niks omtrent het in de toekomst nog te zingen aantal keren van diezelfde psalm.
Je kunt het ook zo zeggen: alswij in Middelburg een eigen predikant zouden hebben gehad, was deze verdeling er niet uitgerold, immers hij zou (eenbeetje) rekening houden met het aantal keren dat we een psalm of gezang al hebben gezongen. De predikanten die bij ons voorgaanzijn, hebben dus met grote mate van waarschijnlijkheid niet met elkaar overlegd welke psalmen en gezangen zij ons te zingengeven. In het begin van dit artikel hebben we dat overigens al verondersteld.
U ziet dus, de statistiek bewijst zichzelf. Is datleuk, of is dat leuk?

Geachte lezer, dat was het. Ik hoop dat u genoten heeft. U blijft mogelijk nog met één brandende vraag zitten: wat doe ik nu metdeze kennis? Het antwoord is simpel: niets! Het is nutteloze kennis. Er is (was) in Nederland een vereniging met dewelluidende naam ’Nederlandse Vereniging tot Bevordering en Verspreiding van Nutteloze Kennis’. Welnu, aan deze verenigingheb ik wellicht mijn bijdrage geleverd.

1) Dit artikel is een (lichte) bewerking van een drietal artikelen, die in 1998 in het kerkblad van de NG-kerk van Middelburg zijn verschenen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief