De Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden
1999-12-24
I - Jaargang 43
- nummer 26
Het was lang geleden dat God de wereld had geschapen. Toen was Hij er blij mee geweest. Maar als Hij nu naar de wereld en haar bewoners keek, zag Hij dat het niet goed was. Er gleed een schaduw over het lichtend aangezicht van de Vader in de hemel. En hoe de engelen ook zongen en speelden, zij konden die schaduw niet verdrijven.
De tegenstander zag het en vroeg: "Wat stoort U?"
De Vader wees in de richting van de aarde en zei: "Ik ben ze kwijt..." De tegenstander wachtte zwijgend af. De Vader vervolgde: "De mensen. Ze zijn vreemden voor Mij geworden. Ze storen zich niet aan Me. Ze zijn huneigen gang gegaan. Ze hebben hun eigen lichten ontstoken. Maar het is donker. Erg donker op aarde. Zo donker, dat ook over mijn lichtend aangezicht een schaduw valt."
De tegenstander haalde zijn schouders op. "Waar maakt U zich druk over.
Dat ene kleine planeetje en zijn bewoners.... U kunt toch wel zonder? U bent de Schepper! Begin ergens anders overnieuw!"
De Vader schudde het hoofd. "Wat ken je Me slecht. Alleen slechte herders nemen genoegen met honderd schapen min één. Hou zou Ik mijn schepping verloren kunnen laten gaan?"
II
Toen wendde de Vaderzich tot de Zoon, en het licht kwam terug in zijn ogen, want het was zijn eniggeborene, zijn geliefde.
Samen keken Zij naar de aarde, en Zij zeiden niets, want Zij wisten alles, en Zij deelden het geheim van de goddelijke liefde. De Vader zei tot de Zoon: "Het is niet: gezocht worden." De Zoon zei tot de Vader: "Het is: op zoek gaan." En de Geest ging uit beide.
Hij overschaduwde Maria, en Maria werd zwanger en baarde haar eerstgeboren zoon. Het Woord - is vlees geworden. En de engelen zongen en speelden die nacht dat het een lieve lust was.
III
Zo begaf de Zoon zich in den vreemde, ver, ver van het hemels licht. Maar als Hij over de velden dwaalde, herkende Hij in het zonlicht iets van de glans van de Vader. En in de roerloze nacht, als Hij naar buiten ging om te bidden, zag Hij de kleine lichten van de maan en de sterren, en ook daarin herkende Hij de glans van de Vader. Hij wees de mensen erop, maar ze wuifden het weg. "Geen tijd!" zeiden ze. "Geen tijd? Maar jullie hebben wel tijd om te werken?"
Ze lachten: "Weet U dan niet dat tijd geld is? Kom maar mee, dan zullen we U laten zien wat we bereikt hebben!" Een van hen hield het portier van zijn auto voor Hem open, en nam Hem mee naarzijn huis. Een groot, prachtig huis, met een sierlijke, uitnodigende tuin. 's Avonds was er een tuinfeest; daar kwamen veel mensen, allemaal van die harde werkers. Het succes straalde van hun gezichten af. Maar als de Zoon in hun ogen keek, zag Hij verdriet, leegte, eerzucht en wantrouwen.
Hij dacht bij Zichzelf: "Wat ben Ik hier ver van huis... En wat zijn deze mensen ver van huis."
Niet: gezocht worden.
Maar: op zoek gaan. Hij ging op zoek naar hun hart, en Hij keek hen aan met de liefde en het licht van zijn Vader in zijn ogen. Sommigen ergerde dat. Ze deden afwerend.
Bij hen herkende Hij iets van de tegenstander.
Maar anderen lieten zich door Hem aankijken en liefhebben. Ze praatten onderling: "Wie is die Gast? Hij is anders dan wij..." Een van hen vroeg het Hem: "Wie bent U?"
De Zoon vroeg op zijn beurt: "Wie denk je dat Ik ben?" De ander zei niets, maar bleef naar de Zoon kijken, en naar het licht dat van Hem uitging.
IV
Hij kwam langs een scholplein.
Er werd gespeeld, maar ook gevochten en geruzied. Hij zag een jochie dat werd gepest.
Hij wachtte tot iemand voor het jochie opkwam, maar dat gebeurde niet.
Toen greep Hij zelf in, en legde zijn hand op de schouder van het jochie.
Het jochie kroop tegen Hem aan: het kwam thuis.
Maar andere kinderen scholden Hem uit, en er kwam een leraar naar hem toe. Die zei dat Hij het schoolplein moest verlaten, omdat het privéterrein was.
V
Hij zag ook veel religie. Er waren vrome mensen die God zochten, maar er was ook hol ritueel. Hij voelde bij veel mensen angst, en kleingeloof, en schuldgevoel.
Hij zag ook veel van het schoolplein in de religie terug: geruzie, en hoog oplopende onenigheid.
Maar als Hij er wat van zei en de mensen het licht van God wilde laten zien, stootte Hij op achterdocht. "Wie denkt U wel dat U bent?" Toch bleef Hij op zoek gaan naar het hart van de mensen.
Er waren er die zo door Hem getroffen werden, dat ze ophielden naar de hemel te staren en zich religieus af te kwellen. Zij waren het die thuis kwamen; als dat gebeurde zongen en speelden de engelen in de hemel dat het een lieve lust was.
VI
Steeds verder trok Hij de verlorenheid in. Hij dwaalde rond in psychiatrische inrichtingen, waar mensen verward en versteend gevangen zaten in hun waan. Hij kwam in oorlogshospitalen, in krottenwijken, in bordelen.
Overal zag Hij de zwarte wanhoop in de ogen. En Hij bleef de mensen zoeken, en Hij drong door in hun duisternis. Eenzamen schonk Hij liefde; gepijnigden zegende Hij met ontferming; schuldigen nam Hij de last van hun kwade geweten af. Zo ging zelfs op de plaatsen waar het het allerdonkerst was, de hemel openals Hij langs kwam.
VII
Hij kwam in een verpleegtehuis, en Hij was als een zoon voor de dementen en als een broer voor de kinderen van de dementen.
"Wij kunnen ze niet meer bereiken" zeiden die triest. Maar Hij zocht het hart van die verwarden; Hij brak door de duisternis heen en maakte op die oude, uitgedoofde gezichten een glimlach los. En de bezoekers en het personeel waren buiten zichzelf van verbazing, en zeiden "Wie is toch deze?!"
VIII
Buiten wachtte de tegenstander Hem op. "En, bent U de verloren schapen op het spoor?" vroeg hij spottend.
"Jij zult nooit begrijpen wat het is: zoeken om te redden," gaf de Zoon ten antwoord. De tegenstander reageerde ijzig: "En U zult nooit begrijpen wat het is om werkelijk verloren te zijn." Toen voerde hij de Zoon mee naar de allerdiepste verlorenheid, waar de mensen verder van huis zijn dan waar ook. Ze kwamen bij de dodencel. De tegenstander keek de Zoon aan en zei triomfantelijk: "Hier kunt U niet bij. Dit zijn de door God en de mensen verdoemden.
Deze mensen zijn onbereikbaar voor U." De tegenstander liep weg. De Zoon ging de dodencel binnen. De deur werd achter Hem gesloten. Hij hoorde voetstappen wegsterven.
Hij was alleen.
Schel kunstlicht brandde.
Maar het licht van de zon, de maan en de sterren, die weerschijn van de glans van zijn Vader, zag Hij niet meer. Hij werd bang en riep de Vader.
Maar de Vader antwoordde niet. Toen geraakte Hij in doodsangst. Hij wist: "Ik ben nu zo ver van de Vader vandaan - Ik ben zelf een verlorene."
Samen met twee anderen werd Hij naar de executieplaats geleid. De een liep te vloeken, cynisch en hatelijk - de schaduw van de tegenstander gleed langs. De ander keek Hem lang en onderzoekend aan. "Wie bent U?" "Zie je niet dat Hij net zo'n verlorene is als wij?!" zei de andere verdoemde.
Maar deze werd getroffen door het licht in de ogen van de Zoon. Op dat moment kwam hij thuis.
IX
Toen stierf Hij, de Zoon.
Hij kon niet verder zoeken.
Hij had de wereld gevonden zoals zij was.
Hij ging erin ten onder.
De engelen hielden hun adem in. Het werd stil in de hemel, een stille zaterdag.
Toen werd het avond en het werd morgen: de eerste dag. Vroeg in de morgen van die dag verliet de Vader de hemel.
Hij ging zijn Zoon zoeken.
Toen Hij Hem gevonden had zond Hij opnieuw de Geest uit. Die wekte de Zoon uit de doodsslaap.
De Zoon sloeg de ogen op en keek in de ogen van zijn Vader. Hij zag het licht erin, en het licht kwam terug in zijn eigen ogen. Zo zagen Zij elkaar aan, in het stralende licht van de goddelijke vreugde.
Ze zeiden niets, want Ze wisten alles, en Ze delden het geheim van de goddelijke liefde: de wereld was terecht.
A. van der Dussen, Eindhoven