Navolging (4)

1997-08-22
  • Jaargang 41
  • nummer 17
Lezend in de evangeliën kun je je verwonderen over het effect van Jezus’ woorden. Een simpel ‘volg mij’ bewerkt een heilzame ommekeer in het leven van de tollenaar Mattheüs – indrukwekkend beschreven in maar een paar zinnen (Mattheüs 9: 9-13). Het krijgt nog een dimensie extra als je bedenkt hoe onvoorwaardelijk Jezus zich even eerder over de navolging heeft uitgelaten (Mattheüs 8: 19-22). En dan moet het diepste woord over de navolging nog komen: ‘Indien iemand achter Mij wil komen, hij verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij’ (Mattheüs 16:24).

Christus voor ons
In het licht van zulke momenten uit het evangelie lijkt mijn vraag van twee weken terug - of 'navolging' niet te weinig is, als het gaat om onze verhouding met Christus - bijna ongepast. Maar ik dacht bij die vraag aan de kritiek, die op het beroemde boekje 'De navolging van Christus' is geleverd, ook van protestantse zijde'. Het belangrijkste punt van kritiek is, dat Thomas à Kempis het lijden van Christus zet in het kader van de navolging en uit die setting eigenlijk maar zelden wegkomt.
Dat is in het Nieuwe Testament wel anders. Petrus b.v. roept in zijn brief degenen die lijden ook op tot navolging van de Heer, maar tegelijk laat hij merken dat navolgen niet het één en het al is (1 Petrus 2:21-25). Het scherpst komt dat uit in vers 24, waar Petrus over Christus schrijft: "die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout heeft gebracht". Van daaruit vallen je ook andere details op, waarin het onnavolgbare van onze Heer uitkomt, zoals "die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden". En dan heb ik het nog niet eens gehad over Paulus en de brief aan de Hebreeën. Daar is het motief van Christus' sterven, met zijn directe heilseffect voor wie gelooft, een zeer centraal gegeven (o.a. Romeinen 5:15-17; 2 Corinthe 5:21; Galaten 3: 13; 4:4,5; Hebreeën 2:9,10; 9: 11vv).

Te weinig?
In het beroemde geschrift van Thomas à Kempis is het echt zoeken naar dit centrale in Jezus' lijden en sterven. Toch is daarmee niet alles gezegd. Want Thomas à Kempis heeft meer boeken geschreven dan alleen 'de navolqinq" 2. En verder is er ook wel opgemerkt, dat je in een stichtelijk bedoeld boekwerkje een zekere beperktheid of eenzijdigheid mag verwachten. In ieder geval is 'De navolging' niet geschreven als een geloofsleer, met een zo volledig mogelijke weergave van de christelijke boodschap. Dat lijken me gepaste kanttekeningen, waarmee het tekort niet is weggewerkt, maar wel enigszins gerelativeerd.
Vaak krijg ik trouwens de indruk, dat Thomas à Kempis in 'De navolging' stilzwijgend van dat centrale in Christus' sterven is uitgegaan. Zodat dit geschrift misschien beter te vergelijken is met Paulus' beschrijving van het leven uit de verzoening.
Opmerkelijk is wel, dat Thomas soms verbindings-elementen uit de boodschap van Paulus heeft laten liggen, die hij m.i. heel goed had kunnen gebruiken in het kader van de navolging van Christus. Ik denk dan aan de paulinische opzet van de vermanende gedeeltes van de brieven, uitgaande van Christus' dood en opstanding"Indien u dan met Christus afgestorven/ opgewekt bent ..." (Col 2:20-3:6). Zo zal er nog wel meer zijn, waarbij je je kunt afvragen waarom dat in 'De navolging' maar zo summier aan de orde is gekomen. Maar genoeg hierover en mijn vraag uit het begin laat ik verder voor wat het is.

Komt tot Mij
Ik ga voor de rest van het artikel naar het meest roomse deel van 'De navolging', getiteld 'Godvruchtige aansporing tot de Heilige Communie". Dat is vooral omdat in dit deel het accent verschoven is van de navolging naar ontmoeting of zelfs vereniging met Christus. Dat levert een andere invalshoek op, die m.i. genoeg boeiends te zien geeft om er een artikel aan te wijden. Ik begin met één van de meest uitnodigende woorden van onze Heer, die ik ook al betrok in het derde artikel: "Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven" (Mattheüs 11 :28). Dit 28e vers gaat aan het hoofd van een vijftal teksten, waarmee het vierde traktaat opent'. Het brengt je direct al in de sfeer, die eigen is aan dit laatste deel van 'De navolging', met het accent op ontmoeting en vereniging met Christus.

Schroom en verlangen
Vervolgens treft je als nederlands gereformeerde de schroom om de ontmoeting met Christus - verborgen in de gave van brood en wijn - aan te gaan. Je proeft de terughoudendheid, als je Thomas hoort zeggen: "Maar wie ben ik dan, Heer, dat ik mij zou vermeten tot U te naderen? De hemelen der hemelen kunnen U niet bevatten (vgl. 1 Koningen 8:27) en nu zegt Gij: Komt tot Mij" (IV.1.11, 12)5. Toch is het verlangen naar die ontmoeting uiteindelijk sterker dan de schroom, zoals blijkt uit een ander fragment: "Ik verlang U nu godvruchtig en eerbiedig te ontvangen; ik wil U in mijn huis binnenleiden, opdat ik met Zacheüs verdienen mag door U gezegend en onder de zonen van Abraham gerekend te worden" (IV.3.4)6. Misschien is het u opgevallen, dat hier de rol van gast en gastheer is verwisseld. Jezus 'komt tot Mij' weerklinkt hier uit menselijke mond, in kleine letters geschreven (vgl. Gez 51, Gez 117:1; Openbaring 3:20). Die afwisseling is er steeds in het vierde traktaat, wat m.i. de notie van ontmoeting en vereniging versterkt. Kortom, Jezus wordt in Thomas' geschrift over de communie getekend als degene, die verblijf of zelfs inwoning zoekt bij mensen van vlees en bloed (vgl. Galaten 2:20; Colossenzen 3:15,16).

Offer van Christus
Je vindt deze gedachte van ontmoeting tussen Christus en de gelovige terug tot in het hart van de communie. Van de kant van Christus bezien, kom je dan wel bij de in onze ogen typisch roomse gedachte, 'dat Christus op vele plaatsen wordt geofferd'. AI deel ik die massieve visie op het avondmaal niet, aan het mooie van de katholieke intentie bij Thomas à Kempis wil ik niet voorbijgaan. Hij zegt namelijk: "de genade en liefde van God tegenover de mens moet namelijk des te ruimer blijken, naargelang de Heilige Communie wijder over de wereld verbreid is" (IV.1.45). Wat Thomas à Kempis beweegt komt hier duidelijk uit: hij heeft het verlangen, dat het heil van het offer van Christus het leven van iedere gelovige persoonlijk zal bereiken! Waar ook ter wereld! Opmerkelijk is wel, dat Thomas, vanwege de onverschilligheid van velen in het vieren van de communie, even tevoren verzucht: "Want als dit allerheiligst Sacrament maar op één plaats zou worden opgedragen en maar door één priester in de hele wereld zou worden geconsacreerd, hoe hevig zouden dan de mensen verlangen naar die plaats en naar die priester van God, om de goddelijke geheimen opgedragen te zien" (IV.1.44). Dit verlangen brengt je toch in de buurt van het eenmalige offer van onze Heer, waarmee Hij eens voor goed verzoening bracht, zou je zeggen. Maar misschien is dit te inhalig gereformeerd gedacht.

Ons offer
In de communie is het niet alleen Christus, die zich als offer geeft. Ook wij, zo zegt Thomas, hebben onszelf te offeren aan God (vgl. Romeinen 12: 1). Vooral het achtste hoofdstuk gaat over deze thematiek: "Bied uzelf aan Mij aan en geef u geheel en al voor God: dan zal uw offer aangenaam zijn. Gij weet, Ik heb Mij geheel en al aan de Vader geofferd voor u; Ik heb ook geheel mijn Lichaam en geheel mijn Bloed tot spijs gegeven, opdat Ik geheel en al van u zou zijn en gij van Mij, altijd door" (IV.8.5,6).
Een hoofdstuk verder krijgt dit offer van menselijke kant weer een ander karakter, als Thomas het toespitst op onze zonden: "Heer al mijn zonden en misslagen .... ik offer ze op uw altaar van verzoening, opdat Gij ze alle te zamen moogt verbranden en verteren door het vuur van uw liefde" (IV.9.5). Maar ook al is Thomas' spreken over het offer van menselijke kant niet eenduidig, duidelijk is wel dat je zelfs in het hart van de communie dat 'over en weer' vindt - een offer van twee kanten - met als doel, dat het op Christus' initiatief ook werkelijk tot een ontmoeting tussen God en mens komt. Dit motief van ontmoeting en vereniging is zo kenmerkend voor dit vierde hoofdstuk, dat Thomas à Kempis soms zelfs spreekt van een 'geestelijke communie' met Christus, die niet aan ambt en sacrament gebonden is. Zoals uit het nu volgende citaat blijkt: "Want ieder godvruchtig mens kan iedere dag en op ieder uur met geestelijke vrucht en door niets belemmerd opgaan tot de geestelijke Communie met Christus ... want hij communiceert op geestelijke wijze en wordt onzichtbaar verkwikt, zo dikwijls hij het geheim van Christus' menswording overweegt en in liefde tot Hem ontvlamt" (IV.1 0.23/24).

Hij die 'is'
Deze sfeer van de ontmoeting met Christus kleurt natuurlijk ook de wijze, waarop Thomas over de navolging spreekt. Navolging is bij Thomas à Kempis zeker niet, dat je - met Jezus als het grote voorbeeld - aan jezelf wordt overgelaten, om al ploeterend de lange weg van Jezus' voetspoor te gaan. Ook in de eerste drie traktaten valt op, dat de Heer in de navolging nabij is. Thomas spreekt veelvuldig over de hulp en de vertroosting van Christus en over de genade van God, die je proeft in heel zijn geschrift, ook als het gaat over de menselijke verdienste. Zo kom je al lezend in 'De navolging' onder de indruk van Gods aanwezigheid, die in Christus zo tegenwoordig en zo tastbaar is geworden. Daarmee doet Thomas à Kempis recht aan Jezus (verborgen) aanwezigheid, die hij zelf bij zijn afscheid beloofde: "Zie ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding van de wereld" (Mattheüs 28:20). Het is bij Thomas à Kempis echt 'Hij die is, was en komt'. Zoals gezegd, in het vierde traktaat vind je dat toegespitst op de communie. Daar is Christus werkelijk 'Hij die is' in brood en wijn. Misschien dat daarmee vergeleken onze avondmaalsviering meer in het teken staat van 'Hij die was' dan van 'Hij die is'. Zodat we bij brood en wijn meer onze verzoende schuld voor ogen krijgen, dan de Heer, die ons hier en nu in de beide tekenen wil ontmoeten. Niet dat dat laatste bij ons ontbreekt, maar Thomas à Kempis benadrukt Christus' aanwezigheid in het hier en nu van de communie toch krachtiger. Vandaaruit kun je de vraag uitbreiden over de volle breedte van ons kerkelijk en persoonlijk leven. Hoe is het daar? Misschien ook meer 'Hij die was', terwijl openheid voor Christus tegenwoordigheid in het hier en nu in het theoretische blijft steken?

Goede vrijdag èn kerst
Tot nu toe heb ik het vooral gehad over het verband dat Thomas legt tussen communie en offer. Verrassend vond ik, dat Thomas á Kempis de communie minstens zo vaak in verband brengt met Christus' komst in de wereld. Over de gave van brood en wijn valt - om zo te zeggen - de ene keer het licht van kerst en dan weer dat van goede vrijdag.
De belichting vanuit Christus' komst in de wereld kwam u al tegen, toen het ging over de 'geestelijke communie'.
In het nu volgende citaat noemt Thomas zowel de menswording als het lijden en sterven van onze Heer: "Zo groot, zo nieuw en heerlijk moet het u lijken, wanneer gij de Mis opdraagt of bijwoont, alsof op diezelfde dag Christus voor het eerst in de schoot van de Maagd was neergedaald en mens geworden, of aan het kruis hing en voor het heil van de mensen leed en stierf" (IV.2.28). Kerst en goede vrijdag in één adem! Hier en op menige andere plaats verbindt Thomas dus de communie met Jezus' komst in de wereld en met al die keren dat Hij zelf heeft gezegd 'Ik ben gekomen'. De betekenis zal duidelijk zijn: zoals Christus is gekomen om Zacheüs en al die anderen te ontmoeten en te redden, zo zoekt Hijverhuld in het geschenk van brood en wijn - de heilzame vereniging met wie gelooft.

Jezus' heilzame weg
Door zo de communie niet alleen met Jezus' sterven, maar ook met zijn komst in de wereld te verbinden brengt Thomas à Kempis de volle breedte van het evangelie in beeld. Héél Jezus' weg door de wereld heeft heil teweeg gebracht! Niet alleen zijn lijden en sterven, maar ook zijn spreken en zijn wonderen. Petrus kun je horen zeggen: "U hebt woorden van eeuwig leven" (Johannes 6:68). Jezus zegt bij Zacheüs: "Heden is aan dit huis redding geschonken" (Lucas 19:9). Mattheüs haalt bij Jezus' genezend werk de profeet Jesaja aan: "Hij heeft onze zwakheden op zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen".
Of denk aan het begin van het evangelie, waar je hoort 'dat de Zoon des mensen de macht heeft om op aarde de zonden te vergeven' (Marcus 2:10). Even zovele keren wordt Gods heil in Jezus zichtbaar op aarde.
Jezus' rondgang door Galilea en Judea is daarmee meer dan een verplichte aanloop naar het lijden. Vanaf zijn eerste optreden kwam de Heer met zijn heil onder de mensen! AI is Jezus' lijden en sterven wel het laatste en beslissende woord, waar een ongekende heilswerking vanuit gaat. Dat beaam ik graag met Paulus en de andere apostelen, die juist dat laatste als het meest centrale van Jezus' heilsweg hebben beklemtoond. Terugkomend bij Thomas à Kempis geloof ik dat ook hij op dat laatste 'ja en amen' zou hebben gezegd. Overtuig uzelf, als ik deze kloosterling uit de vijftiende eeuw het laatste woord geef: "Loof, getrouwe ziel, uw Verlosser, die u verlost heeft uit de hand van de eeuwige dood door het lijden van zijn gezegend kruis. Aan wie geen gepaste dank te brengen is, ook al zou het u mogelijk zijn duizendmaal voor Hem te sterven en gekruisigd te worden" 7.


Noten:
1. O.a. aan het begin van deze eeuw door dr. Is van Dijk, die zelf ook een vertaling van 'De navolging' verzorgde. Zijn kritische kanttekeningen zijn te vinden in het in 1906 verschenen boelçje 'De imitatie van Thomas à Kempis', p.45-63.

2. In de afgelopen eeuwen was het eigenlijk steeds zo, dat wie 'Thomas à Kempis' zei ook in één adem 'De navolging' noemde. Ik las buiten 'De navolging' nog het kleine meditatieve userkje 'Ho.1Jevan Rozen' in een uitgave uit 1907. Ik was wel de eerste, die na 90 jaar het exemplaar van de bibliotheek in Groningen opensloeg en dat is wel tekenend voor de bekendheid van het overige werk van Thomas à Kempis.
Belangrijker is datje in 'Ho.1Jevan Rozen' iets vaker uitspraken over het verzoeningswerk van Christus vindt. B.v. "Wij allen zijn Christus' ledematen, herboren in het doopsel door de genade des heiligen Geestes, door het lijden van Christus vrijgekocht, door het bloed van Christus gereinigd, door het lichaam van Christus verkwikt, door de woorden van Christus onderricht, door de wonderen van Christus bevestigd, door de voorbeelden van Christus gesticht" (hoofdstuk 15).

3. Ik vond het aardig om te lezen dat 'De navolging' van Thomas à Kempis in de voorbije eeuwen ook zijn 'gereformeerde' bewerkingen heeft gekend. Het resultaat van zo'n bewerking was een 'navolging', die op tal van vaak kleine punten was gezuiverd van (hinderlijke) paapse elementen. Maar deze 'subtiele' censuur was niet opgewassen tegen het vierde traktaat 'Godvruchtige aansporing tot de Heilige Communie', zodat dàt deeltje in de uitgaven van protestantse zijde gewoonlijk werd weggelaten. Zie over dit punt verder: C.Graajland, De invloed van de Moderne Devotie in de Nadere Reformatie, p.53; in: P.Bange, De doorwerking van de Moderne Devotie; Hilversum, 1988.

4. Naast Mattheüs 11:28 worden nog vier teksten genoemd in de opening van het vierde traktaat, te weten: "Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in Mij en Ik in Hem" (Johannes 6:56); "Het brood dat Ik zal geven is mijn vlees voor het leven van de wereld" (Johannes 6:52); "Neemt en eet: dit is mijn lichaam, dat voor u zal worden overgeleverd: doet dit tot mijn gedachtenis" (Lucas 22:19; 1 Corinthe 11:24); "De woorden die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en leven" (Johannes 6:64).

5. De nummering heeft betrekking op het traktaat, het hoofdstuk en het vers, waar betreffende uitspraak te vinden is. Ongelukkigerwijs stuurde ik u direct bij de eerste twee verwijzingen in het eerste artikel al naar het verkeerde traktaat. De uitspraken over 'kloostercel' en 'meditatieve rust' zijn niet te vinden in het tweede, maar in het eerste traktaat: 1.20.27 en 1.20.29). Alle andere verwijzingen uit de (inmiddels) vier artikelen heb ik nogmaals gecontroleerd en correct bevonden.

6. De verwijzing naar Zacheüs is treffend, want de tollenaar mag dan de gastheer zijn, het is wel helemaal op initiatief van Jezus zèlj. En Zacheüs zoekt weliswaar Jezus te zien, maar aan het eind van de pericoop blijkt zijn zoeken toch ingebed te zijn in het zoeken van de Heer zèlj.

7. Thomas à Kempis, Ho.1Jevan Rozen, hoofdstuk 18. Veel vaker putte ik uit zijn meest bekende boek 'De navolging van Christus' in een uitgave van Kok Kampen, die voor f 49,50 in uw bezit kan komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief