Bezige bijen
1997-09-05
Nehemia 3 is een hoofdstuk, dat stikt van de namen en de bedrijvigheid rond de herbouw van Jeruzalem, de stad van God. De een deed dit, de ander dat en ‘daarnaast was bezig..’ Allemaal namen van bezige bijen. Echt een hoofdstuk om over te slaan, als je de (goede!) gewoonte hebt om aan tafel uit de bijbel te lezen. Ik bedoel: het is een hoofdstuk om eerst zelf eens rustig te lezen en te bestuderen, en om dan al lezend wat over te vertellen. Goed om te lezen aan het begin van een nieuw seizoen.- Jaargang 41
- nummer 18
Het eerste wat opvalt is dat de herbouw van de muren en de poorten heel geordend plaatsvindt. Nehemia is goed doordacht te werk gegaan. Hij heeft in zijn nachtelijke inspectietocht (Neh. 2) de situatie van Jeruzalem in kaart gebracht. Vervolgens heeft hij alles besproken met de verschillende sleutelfiguren, en een bouw- en restauratieplan opgesteld. Daarna zijn de ruim 40 klussen verdeeld over degenen die beschikbaar waren. Het werk in Gods koninkrijk wordt niet gedaan op goed geluk. Het vraagt om gedegen voorbereiding, analyses en een goed plan zodat je elkaar niet in de weg loopt.
Iedereen kan meedoen
Het tweede wat opvalt is dat iedereen wordt ingeschakeld bij de uitvoering van Nehemia's plan. Mensen die op allerlei manier van elkaar verschillen, bijv. qua geografische herkomst: mensen uit de stad en mensen uit de rustige dorpjes op het platteland. Maar ze verschilden ook qua beroep. Genoemd worden priesters: die waren thuis in de wetten van Mozes, ze hielden van studeren en deden hun heilige werk in de tempel. Maar ze trekken hun gewaden uit en de 'overall aan, ze achten zich niet te hoog om hun handen vuil te maken. Ook hun assistenten in de tempel, de levieten, zijn van de partij, evenals de tempelhorigen, d.w.z. de knechten in de tempel die de vuilste karweitjes moesten opknappen. Verder worden genoemd goudsmeden, mensen die gewend zijn aan fijn handwerk en apothekers, nette mensen die hun handen graag schoon houden voor de bereiding van zalfjes en drankjes. Maar ze doen mee, evenals mensen uit het bedrijfsleven en de handel. Hard werkende mensen met een vlotte babbel, die misschien wel 'ns wat klussen in eigen huis maar verder onervaren zijn in de bouw. Maar als de nood aan de man komt, kan iedereen meedoen. AI is het maar met stenen sjouwen, grond verplaatsen of planken tillen. Iedereen die mee wilde doen kon meedoen. Ook de vrouwen, zoals de dochters van Sallum (vs 12).
En de vraag is, of bij ons ook iedereen kan meedoen in de opbouw van de gemeente. Worden alle beschikbare gaven ingezet of zijn er onder ons ook die het gevoel hebben aan de kant te staan? Als dat zo is, is er iets mis! Dan moeten we iets creëren, waardoor iemand ook zijn gaven' kan gebruiken ten dienste van de opbouw van de gemeente! Want alle heiligen dienen te worden toegerust tot dienstbetoon, elk lid dient op zijn eigen wijze bij te dragen aan de opbouw van het lichaam (Ef. 4:11-13).
Omgaan met frustraties
Niet iedereen die kon wilde ook meedoen: de aanzienlijken uit Tekoa lieten het afweten (vs 5). De reden daarvan staat er niet bij. Wel dat het aanzienlijken waren. Misschien hadden ze 't te hoog in hun bol, doordat ?-.eveel geld of veelliersens hebben. Voor zulke mensen is het vaak moeilijk om mee te doen met dat hele gewone: werken voor de zaak van God. Dat is niet interessant. Financieel word je er niet wijzer van, en voor je maatschappelijke status ofèarrière hoef je het niet te doen. Dat gevaar is ook vandaag levensgroot! Als je het in je leven "gemaakt" hebt, als je boven het gemiddelde uitstijgt met je verstand, je inkomen, je bedrijf, je huis, je auto, kun je gaan neerzien op het gewone werk binnen de gemeente. Dan kan je "bijdrage"
tot het werk binnen de gemeente teruglopen tot het bezoeken van één kerkdienst per zondag, en dat is het dan. Hoe ga je hier nu mee om als je zoiets tegenkomt binnen de gemeente? Je kunt je verschrikkelijk gaan zitten ergeren.
Misschien zeg je: als 't zó moet, dan doe ik ook niks ... Het mooie in dit hoofdstuk is, dat je daar eigenlijk niets van leest. Wel kom je dat prachtige vers 27 tegen: "verderop herstelden de Tekoïeten een volgend stuk ...'! Ze hadden al het nodige gedaan (vs 5) en nu doen ze er nog een schepje bovenop, zoals Baruch, de zoon van Zabbai (vs 20) "vol ijver" nog een volgend stuk deed. Geen gechagrijn maar gewoon nog iets extra's doen om het nare gedrag van je stadsgenoten te compenseren.
Prachtige christelijke reactie!
Prioriteit
Wat had nu de meeste prioriteit bij de herbouw? Daarom draait ons hoofdstuk: de restauratie van de Schaapspoort (vs 3 en 32). Door die poort kwamen de schapen die als offerdieren geslacht werden in de tempel. M.a.w. het eerste wat gebeuren moest was, dat de dienst der verzoening weer goed kon plaatsvinden. En dat is vandaag ook nog zo. We kunnen bouwen aan de kerk -Gods bouwwerk van vandaag (1 Cor. 3)- we kunnen hier en daar wat vertimmeren en restaureren, soms zullen we zelfs hele stukken moeten vernieuwen (lees maar in dit hoofdstuk!), maar het eerste waar het om moet gaan in ons bezig zijn binnen het koninkrijk van God is de dienst der verzoening. Nieuwtestamentisch gezegd: het gaat om de verkondiging van Onze Heer, die zijn leven gegeven heeft aan het kruis en die zo de zonde, de dood en de duivel heeft overwonnen.
Als dat centraal staat, zullen we niet verlamd worden door discussies, waarbij de een alles bij het oude wil houden en de ander voortdurend wil vernieuwen. Dan zijn we ook vandaag actieve bouwers, gericht op de vraag hoe dat ene, dat geweldige nieuws van onze gekruisigde en opgestane Heer doorgegeven kan worden aan elkaar, aan onze kinderen en degenen die nog (weer) buiten staan. Dat verlost van krampachtiqheid, dan bouw je en sommige dingen laat je dan bij het oude en andere dingen vervang je door nieuwe. Paulus zou zeggen: wat doet het ertoe? Als Christus maar verkondigd wordt (Fil. 1:18)!