Over de historiciteit van bijbelverhalen (2)
1997-09-05
Wanneer de bijbelschrijvers over feiten en jaartallen berichten, doen ze dat altijd in het kader van een boodschap die ze willen overbrengen. Om die boodschap gaat het bij het Bijbellezen, aldus de teneur van het vorige artikel in Opbouw over dit onderwerp. Maar hoe verhoudt zich die boodschap tot de historische feiten? Daarover meer in dit artikel.- Jaargang 41
- nummer 18
De wonderbare spijziging
Aan de hand van de geschiedenis van de eerste wonderbare spijziging wil ik de problematiek uiteenzetten. Alle vier de evangeliën berichten over dit broodwonder, waarbij zij op hoofdpunten onderling ook niet verschillen.
Voor wat betreft de details echter lopen hun versies uiteen. Om het eenvoudig te houden vergelijk ik alleen die van Marcus en Johannes, en beperk ik mij tot de inleidende gebeurtenissen. Volgens Marcus 6:30-37 is er dit gebeurd: Jezus gunt de discipelen, die zojuist zijn teruggekeerd van een enerverende missie, een rustpauze. Daarom vertrekt Hij samen met hen per schip naar een eenzame plaats, ergens aan de oever van het meer van Tiberias. De mensenmassa die zich rondom Hem verzameld had, neemt met dat vertrek evenwel geen genoegen. Langs de oever loopt men naar de plaats waarheen Hij op weg is, zodat Hij bij aankomst wordt opgewacht door de velen die van Hem bevrijdende woorden en daden verwachten. Jezus is hun ter wille, en besteedt de rest van de dag aan onderwijs. Tegen de avond komen de discipelen tussenbeide: zij stellen voor dat de mensen weggestuurd worden om inkopen te gaan doen. In reactie daarop moedigt Jezus hen aan om zélf voor een maaltijd te zorgen. Nu de versie van Johannes 6:1-6. Hier wordt bericht hoe Jezus (vanuit Jeruzalem? te voet?) naar de oostelijke zijde van het meer van Tiberias trekt. Hij wordt daarbij gevolgd door veel mensen, die afkomen op zijn wondertekenen. Samen met zijn discipelen beklimt Hij een berg, van waaraf Hij de mensenmenigte ziet naderen. Aan Filippus legt Hij de vraag voor, hoe al die mensen moeten eten. De evangelist vertelt er echter bij, dat het geen vraag uit verlegenheid is. Jezus weet zelf al wat Hij gaat doen; Hij stelt de vraag aan Filippus om deze te beproeven. Het is duidelijk dat deze twee versies van de geschiedenis op een aantal minder belangrijke details verschillen, waarvan ik er twee uitlicht. Het eerste is, dat volgens Marcus Jezus bij het verlaten van het schip al wordt opgewacht door de mensen, terwijl Hij volgens Johannes zijn plaats van bestemming al bereikt heeft voordat de mensen er zijn. Het tweede is, dat volgens Marcus de discipelen het initiatief nemen om over het eten te beginnen, terwijl volgens Johannes Jézus het initiatief neemt. Men kan zich nu de vraag stellen, wat er precies gebeurd is. Waren de mensen er eerst, of Jezus? Begonnen de discipelen over het eten, of Jezus? Iemand zal tegenwerpen: "Maar dat is toch van geen enkel belang?" Inderdaad: het zal ons een zorg zijn hoe de gang van zaken nu precies geweest is. De vraag is dan wel waarom zowel Marcus als Johannes deze details in zijn berichtgeving verwerkt, en waarom ze het zo verschillend doen. Wisten ze het zelf niet precies, en hebben ze vervolgens op goed geluk ingevuld hoe het gegaan is? Of zit er meer achter? Bij nader inzien moet dat laatste het geval zijn. Want het verschil in beschrijving verraadt nu net ook het eigene van elk van beide. In de versie van Marcus heeft Jezus iets heel ontwapenends. Hij wordt overrompeld door de mensen die Hem maar niet los kunnen laten, en staat hun toe zijn programma in de war te sturen. Daarbij gaat Hij zo op in zijn werk, dat de discipelen Hem er attent op moeten maken dat Hij ook eens een keer van ophouden moet weten. Dat is het evangelie van Marcus ten voeten uit: het presenteert ons de Heiland in zijn warme menselilkhsid en dienstbaarheid. In de versie van Johannes straalt Jezus veel meer soevereiniteit uit. Hoog op de berg gezeten ziet Hij de mensen tot zich naderen, en trekt Hij zijn plan. Het overleg met Filippus heeft dan ook geen betrekking op de dingen die geregeld moeten worden, maar doet dienst als leermoment voor de discipelen. Het is écht Johannes, zoals hij de gang van zaken beschrijft: hier treedt de Heer op die alles volkomen onder controle heeft. Er is dan ook geen sprake van, dat Marcus geschreven zou kunnen hebben wat in Johannes 6 staat, en omgekeerd. De twee evangelisten drukken onmiskenbaar hun eigen stempel op hun berichtgeving.
Verhaal en feit
De intrigerende vraag is nu, hoe de belichting van de evangelisten zich verhoudt tot de feitelijke gang van zaken. Ik zie drie mogelijkheden. De eerste is dat Marcus' weergave precies overeenkomt met de feiten, zodat Johannes de zaken dan expres iets anders heeft voorgesteld in het kader van zijn eigen evangelieverkondiging.
De tweede mogelijkheid is dat Johannes nauwkeurig gerapporteerd heeft, zodat het dan Marcus is geweest die de toedracht enigszins vervormd heeft vanuit zijn kijk op de Here Jezus. De derde mogelijkheid is dat noch Marcus noch Johannes wist wat er precies is gebeurd, en dat zij beide de details naar hun eigen inzicht hebben ingevuld.
Maar voor welke van de drie mogelijkheden men ook kiest: altijd is er minstens één evangelist van wiens berichtgeving men niet kan zeggen dat zij geheel overeenstemt met de feiten. Onmiskenbaar vindt er een verschuiving van de aandacht plaats: wat er echt gebeurd is, wordt wat minder belangrijk; de boodschap van de evangelist daarentegen komt meer op de voorgrond te staan. Ziedaar het spanningsveld dat de bijbelse theologie van deze eeuw beheerst. Want hoe ver gaat het, die 'invulling' of 'vervorming' van de feiten? Als het gaat om details als de zojuist besprokene, zullen weinig mensen er wakker van liggen. Maar nu komt er iemand die zegt: héél het verhaal van de spijziging van de vijfduizend is een creatie van de evangelisten; die wonderbare vermenigvuldiging heeft in werkelijkheid zo niet plaats gevonden. Jezus zal best een maaltijd hebben gehouden met al die mensen, maar de evangelisten hebben dat 'opgeblazen' tot de proporties van een wonder, om zo te laten zien
dat Jezus niet onderdeed voor de wonderdoener Elisa (11Koningen 4:42-44). De volgende vraag is dan natuurlijk, wat er dan nog wel 'echt' gebeurd is. Of is álles in de bijbel interpretatie, invulling, verhaal? AI heel de twintigste eeuw zijn de theologen die zich bezig houden met de studie van Oude en Nieuwe Testament daarover met elkaar in een levendig gedachtewisseling verwikkeld. Lange tijd overheerste de mening, dat de historische gang van zaken er niet zo veel toe doet, omdat ons geloof in God niet door de dode dingen uit het verleden bepaald wordt, maar daarin bestaat dat wij áángesproken worden door het evangelie. In dat kader schrok men er niet voor terug om aan bijna alle bijbelse verhalen het historisch karakter te ontzeggen.
Langzaam maar zeker echter zette zich een tegenbeweging door. Een belangrijk woordvoerder daarvan werd de Duitser Wolfhart Pannenberg (geb. 1928), een internationaal vermaard systematisch theoloog. Hij gooide een steen in de vijver door te poneren, dat het uiteindelijk toch om die harde feiten gaat, en dat de 'boodschap' van de verhalen geen eigen leven kan leiden, los van de geschiedenis waarin God van zich heeft doen spreken. Daarbij denkt Pannenberg voor alles aan de opstanding van Christus, als hét historische feit dat openbaringswaarde voor ons heeft.
Willem van Oranje en Abraham
Van dit theologisch debat, dat nog altijd voortgaat, wordt men merkwaardigerwijze bij ds Nico ter Linden niets gewaar. Alsof er geen Pannenberg geweest is bepleit hij een radicale onthistorisering van de bijbelse verhalen.
In een paginagroot interview met NRC Handelsblad van 23 november 1996 zegt hij: "We zijn in een onbewaakt ogenblik historiserend gaan lezen. Op de lagere school kregen we vroeger het vak bijbelse geschiedenis. Eerst kregen we les in Willem van Oranje en daarna kregen we les in Abraham. Ik heb op de lagere school nooit anders gedacht dan dat dat twee Vaders des Vaderlands waren. Dan zit je mis. Bij Willem van Oranje kun je in Delft het gaatje in de muur nog zien. Maar Abraham is geen gestalte van vlees en bloed. Abraham is de vader van de gelovigen waarin Israël zichzelf portretteert, het prototype van de gelovige met al z'n ups en downs." En over de evangeliën: "Iedere keer tuin je er weer in. Ieder keer denk je toch weer dat het voorval uit het leven van Jezus gegrepen is. En dat is het niet. Het is een verháál dat uit het leven van Jezus gegrepen is." Zo hakt Ter Linden de knopen door, waarover in de theologie zoveel te doen is. Sterker nog: hij beweert dat iedere serieuze theoloog het met hem eens is. Op de vraag van de interviewer: "Waar staat u in theologische zin? Bent u liberaal?"
antwoordt hij: "Het is niet typisch liberaal wat ik schrijf. Het is mainstream theologie .... Ik zeg wat iedere behoorlijke universiteit in Amerika en West-Europa leert." Dat antwoord heeft iets hautains. Os Ter Linden suggereert hiermee immers, dat een universiteit waaraan men wél historiserend leest, niet meetelt. In feite onttrekt hij zich daarmee aan de discussie: mensen die er anders over denken zijn in wetenschappelijk opzicht niet de moeite waard om op in te gaan ...
En dat, terwijl theologen van groot kaliber er anders over denken! Want het is eenvoudig niet waar wat Ter Linden zo stellig beweert. Ongetwijfeld zijn er oud- en nieuw-testamentici op wie hij zich kan beroepen voor zijn radicale keuze vóor het verhaal en tégen de geschiedenis. Maar vele anderen, die toch allerminst tot de fundamentalisten gerekend kunnen worden, gaan ervan uit dat de bijbelschrijvers wel degelijk historie beschreven hebben, hoe stilerend en vormend zij daarbij ook met hun 'materiaal' zijn omgegaan.
De betekenis van de geschiedenis
Het belang van deze discussie is niet te onderschatten. Het gaat uiteindelijk om de vraag, welke betekenis de geschiedenis heeft voor ons geloof in God. De ont-historiserende richting moet in wezen weinig van de geschiedenis hebben, omdat zij meent dat we niets opschieten met het geloof dat allerlei feiten en gebeurtenissen ooit hebben plaatsgevonden. Want wat heb je eraan, te geloven dat Jezus in ver vervlogen tijden mensen genezen heeft en zelfs uit de dood heeft opgewekt?
Die feiten raken óns leven toch niet? Wij, die nu leven, hebben alleen belang bij het aangesproken worden door God in het heden. En dat aangesproken worden is een kwestie van woorden, niet van historie. Concreet betekent dat, dat je meer hebt aan een goede preek en aan een opbeurend verhaal, dan aan een mirakel dat misschien tweeduizend jaar geleden gebeurd is.
Daar zit wel wat in. Het enkele feit dat Lazarus uit de doden is opgewekt doet mij niet zoveel. Een préék over die opwekking kan mij daarentegen stimuleren, om mijn vertrouwen te vestigen op die God voor Wie er kennelijk nooit een 'te laat!' geldt. De grote vraag is alleen, wat er van die preek overblijft als er geen geschiedenis aan beantwoordt. Wat heb je aan een mooie preek die je troost met de bemoediging dat er geen 'te laat!' geldt voor God, als er geen enkel feit is waarop die bemoediging steunt? En als het historische feit van een dodenopwekking er niet toe doet, hoe staat het dan met de tóekomst? Geldt ook van de bijbelse toekomstverkondiging, dat het daarbij helemaal niet gaat om feiten en gebeurtenissen die ooit zullen plaats vinden, maar om het aangesproken worden hier en nu? Maar wat heeft het voor zin om rouwenden bij een begrafenis aan te sporen over de dood heen te blijven kijken, als we in de toekomst niet de realiteit hebben te verwachten dat Christus de doden uit hun graven zal roepen? Als de geschiedenis er niet toe doet, vervliegt dan ook niet de christelijke hoop?
Naar mijn besef weet de ont-historiserende richting op deze indringende vragen geen goed antwoord te geven.
Haar sympathie voor het verhaal, voor de verkondiging, voor het aansprekende woord, die deel ik. Maar de manier waarop zij het verhaal tegen de feiten uitspeelt - dat komt mij voor een doodlopende weg te zijn. Het verhaal gaat, omdat er zoveel gebeurd is en nog zoveel zál gaan gebeuren! Het bijbelverhaal is niet denkbaar zonder de bijbelse geschiedenis. Intussen blijft ook het omgekeerde gelden: de bijbelse geschiedenis wordt verteld ter wille van de boodschap die ervan uitgaat.
Zo is in de bijbel sprake van een eigenaardige wisselwerking tussen 'feit' en 'verhaal'. Er worden verhalen verteld omdat er zulke bijzondere feiten zijn, maar je zult die feiten nooit los kunnen weken uit de verhalen. De bijbelschrijvers sommen geen droge historie op, maar voegen de gebeurtenissen vrijmoedig naar de specifieke boodschap die zij op grond van die gebeurtenissen te vertellen hebben. Daardoor ziet Marcus' verslag van de eerste wonderbare spijziging er anders uit dan dat van Johannes. De bijbelse geschiedschrijving staat altijd in dienst van de prediking. Over de gevolgen die dat inzicht heeft voor onze manier van bijbel-lezen wil ik in een derde en laatste artikel nog iets schrijven.