Bemoeienis en getuigenis
1997-09-05
Dr. P.J. Visser schreef een prachtige dissertatie over het leven en de missionaire theologie van Prof. Dr. J.H. Bavinck (1895-1964), de eerste Gereformeerde zendingshoogleraar (1939) die nog altijd de aandacht weet te boeien van de huidige generatie zendingstheologen, ook al wordt in zijn eigen kerken weinig meer gedaan met zijn theologische erfenis. Nu is het bespreken van theologische proefschriften in een blad als Opbouw geen sine cure; ik mag onder de lezers geen al te grote belangstelling voor theologie in het algemeen en missiologie in bijzonder veronderstellen. Daarom dat ik gekozen heb voor het bespreken van een aantal onderwerpen die Bavinck hebben beziggehouden en die vandaag de dag nog niets aan actualiteit hebben ingeboet. Ik stip kort zijn levensgang aan, geef aandacht aan zijn theologie van godsdiensten en sluit af met een paar opmerkingen over de inculturatie, door hem possessio genoemd. - Jaargang 41
- nummer 18
Bavincks levensgang
In het biografische hoofdstuk wordt Bavincks familie-geschiedenis beschreven; hij was een volle neef van de bekende dogmaticus H. Bavinck, en had veel karaktertrekken met hem gemeen. Dat is een goede greep van Visser geweest om Bavinck te plaatsen in het kader van de geestesgeschiedenis van zijn familie; dat levert belangwekkende inzichten' op in de persoon en het werk van deze integere en bescheiden zendingstheoloog (p 33). De biografie van een theoloog is onmisbaar in het verstaan van zijn theologie. Dat is in het verleden wel eens vergeten. Visser wijst erop dat Bavinck opgroeide in een vroom gezin, waarin een levende relatie met God zich kon ontplooien en waardoor heel zijn levensgang gestempeld is geworden. Bavinck ontwikkelde vanaf zijn studententijd een positief-kritische houding naar de eigen kerken en naar christenen van andere origine. Als de meeste zendingsmensen van zijn generatie was hij oecumenischer ingesteld dan de toonaangevende Gereformeerde theologen van zijn dagen. Zijn vriendschap met de Hervormde Hendrik Kraemer, die grote invloed op hem uitoefende, is daar bewijs van. Het geeft te denken dat hij, net als de meeste zendingsmensen van zijn generatie, niet met de Vrijmaking is meegegaan. Er valt weinig of geen invloed te bespeuren in zijn theologisch werk van wat wij wel eens met een al te grote term de Schriftbeweging van de 1930-er jaren noemen (pp 68 e.v.). Dat zou eens onderwerp van kritisch onderzoek moeten worden; en dan ook kritisch naar die Schriftbeweging toe. Waarom zat er voor hem geen aantrekkingskracht in de beweging door Schilder op gang gebracht? Was ze niet missionair genoeg gericht en missiologisch te weinig bewogen? Was ze voor de eerder bevindelijke Bavinck toch wat te dogmatisch-afstandelijk ingesteld? De heilshistorische methode van prediking had zijn sympathie maar was hem toch vaak te gekunsteld. Hoe dit ook zij, het is interessant te noteren dat Bavinck in vrijgemaakte zendingskringen thans grote aandacht geniet: een teken van een zich veranderend geestelijk-theologisch klimaat?
De niet-christelijke religies
Bavinck heeft zich indringend bezig gehouden met het religieuze besef van de niet-christelijke volkeren. Dat het er was, dat God in natuur, geschiedenis en geweten zich met ieder mens bemoeit, met hem of haar in gesprek wil treden en ontmoet wil worden, stond voor hem vast. Daarbij stond onder meer de uitleg van Romeinen 1:19-32 centraal. Op bijzonder treffende wijze heeft hij beschreven wat er in die ontmoeting tussen God en mens plaatsvindt. Op Gods (algemene) openbaring reageert de mens met het onderdrukken van wat God van zichzelf laat kennen; maar het onderdrukte komt vervormd weer terug in de religie van de mens. Dit onderdrukken en vervangen en zo ook vervormen van Gods openbaring vindt veelal onbewust plaats. Hier laat zich Bavincks grote kennis van de toenmalige psychologie gelden. Zo is het hem mogelijk een aantal bijbelse noties vast te houden. Allereerst dat God zich bemoeit met ieder mens, ook al voordat het getuigenis van het evangelie hem of haar bereikt, zodat de schuld van de mens als vervormer van de openbaring erkend kan worden.
Vervolgens dat elk volk inderdaad een religieus besef heeft, wat communicatie van het evangelie ook mogelijk maakt. Ik laat het bij deze opmerkingen. Mijn kritische vraag aan Bavinck zou zijn: is deze gerichtheid op de mens, en niet op het religieuze systeem waarbinnen men functioneert, toch niet te psychologisch van aard? Dit onderdrukken en vervangen gebeurt onbewust en is ook onvermijdelijk deel als men uitmaakt van de religieuze wereld waarbinnen men leeft. Maar kan men schuldig gehouden worden voor iets dat men onbewust doet, wat iemand als het ware overkomt (zie ook p 139)? De bijbel heeft het ook over de tijden van onwetendheid, die voorafgaan aan de confrontatie met het getuigenis van het evangelie. Hoe verhouden deze onwetendheid en schuld jegens God zich tot elkaar? Is er verschil in schuld vóór en na het verwerpen van het Christusgetuigenis? Ik wil maar zeggen: Bavincks beschouwingen dagen nog altijd uit tot nadenken over een vraag die tot op vandaag relevant is.
Inculturatie
Hierover kort even een opmerking. Wat Bavinck over het ingaan van het evangelie in de culturen der volkeren heeft geschreven, is nog volop actueel, al is de term possessio met Visser af te wijzen (p 258). Maar beide kanten van dit proces heeft hij onderkend: het evangelie moet thuis raken in de culturele vormen die beschikbaar zijn, tegelijk bezit het evangelie een cultuurtransformerende kracht. Hij waarschuwt tegen het gevaar van syncretisme dat hier op de loer ligt, en moet niet veel hebben van wat tegenwoordig theologisch gangbaar is - om in andere culturen en religies heilswaarheid te erkennen, wat over het algemeen vrucht is van het relativeren van de unieke openbaring van God in Christus.
Hier stonden Bavinck en Kraemer onwrikbaar op het ene fundament dat gelegd is: Jezus Christus en die gekruisigd. Ik denk zelf dat nog meer aandacht gegeven moet worden niet alleen aan de objectieve capaciteit die elke cultuur heeft om het evangelie te ontvangen, maar ook aan de inherente weerstand die in elke cultuur, inclusief de westerse, ingebakken zit tegen dat evangelie. Inculturatie is maar niet een interessant studieveld; het verwijst naar een slagveld waar Christus worstelt met de Boze om het behoud van de volkeren. In die strijd zijn kerk en zending betrokken. En in die strijd kan Bavinck ons nog altijd terzijde staan met zijn vele boeken en artikelen, die dr. Visser zo buitengewoon goed toegankelijk heeft gemaakt voor de huidige generatie. Dat een Hervormd-Gereformeerde theoloog de eerste moest zijn om een proefschrift over Bavinck in Utrecht te verdedigen, geeft wel te denken.
N.a.v. P.J. Visser, Bemoeienis en getuigenis. Het leven en de missionaire theologie van Johan H. Bavinck (1895-1964). Zoetermeer: Boekencentrum (pp 339; prijs f 45,-; ISBN 9023905873).