De broeder en de wet

1997-09-05
  • Jaargang 41
  • nummer 18
Spreekt geen kwaad van elkander, broeders. Wie van zijn broeder kwaad spreekt of hem oordeelt, spreekt kwaad van de wet en oordeelt haar; en indien gij de wet oordeelt, zijt gij geen dader, doch een rechter der wet. Eén is wetgever en rechter. Hij die macht heeft om te behouden en te verderven. Maar wie zijt gij, dat gij uw naaste oordeelt? (Jac. 4, 11. 12)

Welke 'wet?'
Wat mag wel het verband zijn tussen den broeder en de wet, dat Jacobus hier de uitspraak aandurft: "Wie zijn broeder zwart maakt of veroordeelt, maakt de wet zwart en veroordeelt die"? Als ik zeg - om maar een vergelijkbare uitspraak te noemen - : "Wie zijn neus schendt, schendt zijn aan gezicht", dan berust die uitlating op het innige verband dat er is tussen neus en aangezicht. De neus is een deel, en zelfs het meest prominente deel, van het aangezicht. Aantasting van de neus beperkt zich daarom niet tot dat lichaamsdeel, maar betekent tegelijk ook een aantasting van heel het gezicht. Hoe ligt nu het verband tussen 'broeder' en 'wet'? Waarom raakt wat je van je broeder ten kwade zegt en oordeelt, tegelijk ook de wet? Om dat te kunnen begrijpen, zullen we moeten nagaan, op wat voor 'wet' Jacobus hier doelt. Nu heeft deze apostel het in de voorafgaande hoofdstukken al meer dan eens over die wet gehad. En als wij die gedeelten naslaan, vinden we van die wet de volgende kwalificaties: a) in 1, 25 spreekt hij van de volmaakte wet, t.w. de wet van de vrijheid; b) in 2, 8 duidt hij die wet aan als de koninklijke.

De wet van het Koninkrijk
Bij die laatste tekst zou ik willen beginnen. Het vervullen van de koninklijke wet staat daar in tegenstelling (blijkens het "maar" van v. 9) tot het handelen met aanzien des persoons, een kwaad waartegen Jacobus in de voorafgaande verzen (1-7) had gewaarschuwd. Wie zich daaraan schuldig maken noemt hij 'rechters die zich door slechte overwegingen laten leiden' (v. 4). "Rechters": zij beoordelen immers, welke zit- of staanplaats een bepaalde broeder in de samenkomst der gemeente verdient. Maar slecht zijn de overwegingen die ze daarbij laten gelden. Wie "naar wereldse maatstaven arm" is, zetten zij nl. achteraan, terwijl Gód zo iemand juist ervoor heeft uitgekozen "rijk te zijn in het geloof en een erfgenaam van zijn Koninkrijk" (v. 5). Hun oordeel over zo'n broeder is dus tegengesteld aan dat van den Heere. Zij hanteren kennelijk een heel andere maatstaf dan God. Ik denk, dat in die woorden van v. 5: "erfgenaam van het KoninkrijK' een aanwijzing te vinden is voor het antwoord op de vraag, wat we onder "de koninklijke wet" van v. 8 hebben te verstaan. Jacobus zal bedoelen: de wet van het Koninkrijk der hemelen. Een slecht vonnis is het waardoor een broeder, d.i. een door God uitgekozen erge naam van het Koninkrijk, wordt behandeld als een verschoppeling; een vonnis waarmee de wet van het Koninkrijk der hemelen terzijde wordt geschoven (v. 8). En hiermee is eigenlijk al duidelijk geworden, dat wat wij een broeder "tekort doen aan eer" (2, 6a; "smadelijk behandeld" NBG) een inbreuk betekent op de wet van het Koninkrijk der hemelen.

De wet die vrij maakt
Nu, de parallellie van het pas besproken gedeelte met 4, 11.12 lijkt mij al aanstonds in zoverre evident: ook dáár staat God als rechter tegenover den mens die recht spreekt over zijn broeder. Het verschil is, dat in het begin van hoofdst. 2 sprake is van het achteruitzetten van den broeder, in 4, 11 van het zwart maken van den broeder.
Ging het in 2 over een verkeerde beoordeling, hier in 4 is - gezien de combinatie met "zwart maken" - een veroordeling van den broeder aan de orde. Nu wordt het tijd eens naar 1, 25 te kijken. Daar komt opnieuw de wet ter sprake; en hier wordt die genoemd: de volmaakte wet, t.w. die van de vrijheid. (Vgl. ook 2,12.) Die formulering geeft aanleiding te denken, dat Jacobus naast déze wet ook een andere kent, een onvolmaakte, t.w. die van de slavernij. Ik houd het daar maar op, en meen commentaar op deze zegswijze te vinden bij Paulus, en wel in Rom. 8, 2: "de wet van den Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrij gemaakt van de wet der zonde en des doods".1(Vgl. ook Gal. 4, 21-5; 1: 2 Cor. 3, met name v. 17, en Joh. 8, 32.) De wet van Christus (vgl. Gal. 6, 2) heeft den gelovig geworden mens wat gedaan, hem nl. vrij gemaakt van de oudtestamentische wet die hem veroordeelde, hem vrij gesproken. Wat doe ik dus, als ik dien door Christus' wet vrijgesproken broeder zijn zonden van vroeger nahoud, die uitbreng en hem daarop veroordeel? Wel, dan spreek ik in feite kwaad van de wet, en veroordeel ik de wet; de wet van Christus nl., de wet van het Koninkrijk der hemelen, de wet van de vrijspraak uit genade. Wie, wetend van diens verleden, van een broeder zegt: "die vent deugt niet", die zegt in feite: "die wet deugt niet, krachtens welke hij vrijuit gaat, en vrij ingaat in het Koninkrijk (2, 5)". Maar juist om die laatste wet wil Paulus voortaan niemand meer "kennen naar het vlees" (2 Cor. 5, 16). Want "wie in Christus is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan; kijk maar: het is nu nieuw" (v. 17). Paulus beoordeelt zijn mede-gelovigen niet meer naar wat ze van nature waren en deden, want dat is verleden tijd en hoort in het vergeetboek (vgl. Filipp. 3, 14). En precies zo stelt hij zich op tegenover zijn medeapóstelen: "wat zij vroeger geweest mogen zijn, doet er voor mij niets toe"(Gal. 2, 6). En tot onze verrassing wordt dat gemotiveerd met de woorden "God ziet de persoon niet aan".Zo blijkt opnieuw, hoezeer 4, 11 een parallel is van 2, 8: niet alleen wie een broeder aanziet op zijn maatschappelijke status, maar ook wie hem aanziet op zijn verleden, oordeelt met aanziens des persoons. En dat verbiedt de Heere, "de enige die de wet stelt en oordeel velt" (4, 12). Hoe roerend zijn - in tegenstelling tot wat Luther meende - Jacobus en Paulus het eens over de wet van Christus.

Rechter en Redder
Het verdient de aandacht, dat in het pas geciteerde 12de vers van Jac. 4 de Heere niet bij name genoemd wordt, maar wordt aangeduid als "Hij die bij machte is te redden en te verderven". Ik denk, dat "redden" hier de nadruk heeft, juist zoals in Luc. 6, 9, waar Jezus vraagt: "Is het geoorloofd op de sabbat een leven te redden of te verderven?" (Jezus drukt zich hier in dezelfde woorden uit als Jacobus in onze tekst.) Dat het daar in Lucas om het 'redden' begonnen is, blijkt uit de parallel bij Mattheüs (12, 10): deze spreekt alleen van "genezen" (en verderop - v. 12 - alleen van "goed doen", terwijl Lucas - v. 9 - heeft "goed doen of kwaad doen"). Lucas - en ook Marcus, 3, 1-62)bedient zich hier van wat men noemt de polaire uitdrukkingswijze. Wetgever en Rechter is enkel Hij die redt, zo wil Jacobus rn.i. naar voren brengen. Dat heeft de Heere zijn oude volk reeds ingeprent in de aanhef van de wet der tien geboden: "Ik ben de Heere, uw God die u uit de slavernij van Egypte heb verlost", En als onder de nieuwe bedeling God in zijn Zoon tot zijn volk komt, dan zegt deze: de Vader heeft aan zijn Zoon "macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is' (Joh. 5, 27). "Zoon des mensen": dat is Hij van wien Jezus in 3,13-15 gezegd had, dat deze uit de hemel was neergedaald en aan het kruis moest worden gehesen, "opdat een ieder die gelooft in Hem leven hebbe" . Als Rechter treedt enkel Hij op die onze Redder is. En als Rechter treedt Hij ook pas dan op, als Hij de weg tot onze redding geheel heeft afgelegd: zie mijn artikel 'Pas door de dood heen Rechter', Opbouw, jrg. 38, blz. 405. 3" Van Hem moeten wij voor onze onderlinge bejegening als broeders dan ook leren: een rechtvaardig oordeel is alleen mogelijk, als wij onze verlossing in rekening brengen.

Noten:
1. In Gal. 2. 19 brengt Paulus dezelfde gedachte op een kortere noemer: "Door de (ene) wet (nl. die van Christus) ben ik voor de (andere) wet (nl. die van Mozes) gestorven, om voor God te leven".

2. Zie Kühner-Gerth 2, 587 Anmerk. 2. Deze neiging tot polariteit in de uitdrukking leidt soms tot voor ons gevoel bijna komische wendingen, zoals in Sophocles' Antigone 1108.11 09, waar Creon de hem begeleidende dienaren toeroept: "Vooruit, mijn dienaren, aanwezige en afwezige".
Een oudtestamentisch voorbeeld van deze spreekwijze lijkt mij 2. Sam. 13, 22 "Absalom sprak met Amnon noch ten kwade noch ten goede". Dat Absalom na het gebeurde met Tamar ten goede met Amnon zou spreken. ligt niet in de lijn der verwachtingen; enkel dat hij met hem ten kwade zou spreken, m.a.w. hem de huid vol zou schelden.

3. Daarmee in overeenstemming is het, als Jezus zegt: "Het woord dat Ik gesproken heb (d.l het evangelie der verlossing door MYJ,zal den mens oordelen op de jongste dag", Joh. 12. 48. Men lette erop, dat ook Jacobus "wet" afwisselt met "woord": wat hier in v. 11 een "dader der wet" heet, wordt in 1, 22 een "dader van het woord" genoemd. En onder "woord" verstaat hij "het (evangelie)woord, dat in geplant is en uw levens kan redden" (v. 21).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief