Werken aan vernieuwing in de gemeente
2010-03-05
Met Voor de verandering wil docent gemeenteopbouw dr. Sake Stoppels (VU) een handreiking bieden aan mensen die verantwoordelijkheid dragen in geloofsgemeenschappen om gericht en geordend te werken aan fundamentele verandering in de kerk. Dit is nodig omdat de kerk in West-Europa op de tocht staat. Binnenkerkelijkheid en traditionalisme biedt misschien enig comfort, maar geen toekomst. Vernieuwen is ook belangrijk vanuit missionair oogpunt. ‘Wanneer je kerk wilt zijn in en met het oog op de samenleving, zul je moeten veranderen als de samenleving verandert.’ En die samenleving verandert ingrijpend.- Jaargang 54
- nummer 5
Bevlogenheid en nuchterheid
Werken aan vernieuwing vraagt om een mix van gedrevenheid en bedrevenheid, spiritualiteit en zakelijkheid, bevlogenheid en nuchterheid. Luisterend bidden is nodig (hoofdstuk 4), immers de kerk redt het niet met uitsluitend een hoge mate van functioneel en calculerend denken. Begripvolle analyse van de bestaande gemeenschap is niettemin ook van belang om luchtfietserij of mogelijk zelfs dwingelandij te voorkomen (hoofdstuk 3). Gebed en begrip maken veranderen overigens nog steeds niet makkelijk. Zowel op persoonlijk niveau als in groepen zijn er tal van ‘remmende krachten’, variërend van onzekerheid of de macht der gewoonte tot regelrecht verzet tegen het evangelie van Jezus Christus (hoofdstuk 5).
Ruimte en zelfbeeld
Duidelijk is dat substantiële en creatieve verandering niet vanzelf gaat. Er zijn specifieke factoren die ruimte bieden of juist beperken (hoofdstuk 6). Een eerste factor is de mate van spirituele diepgang en discipline. Bij meer spirituele diepgang is de ruimte voor het werken aan verandering groter. Een tweede factor is het klimaat in de gemeente: In hoeverre is er ruimte om fouten te mogen maken? De kans dat veranderingsvoorstellen vrucht dragen, hangt ten derde ook af van het beeld dat mensen van de kerk hebben. Is de kerk bedoeld als veilige haven of als proefpolder? Is zij er om te troosten of om uit te dagen? Ook blijkt ten vierde dat lokale vrijheid en verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente een grote rol spelen. ‘Hoe vrijer lokale groepen en gemeenschappen kunnen optreden, des te groter lijkt hun vermogen om daadwerkelijk op experimentele wijze nieuwe wegen te verkennen en te gaan.’ (Uiteraard is dit voor de NGK met hun congregationalistische structuur goed nieuws!) De auteur bespreekt nog veel meer factoren, zelfs heel praktische over de fysieke ruimte: een hoekige tafel kan bijdragen tot een ‘hoekige’ vergadering!
Methodische aanpak
Concreet werken aan verandering vergt een methodische aanpak (hoofdstuk 7). Het begint met een probleem of uitdaging. Daarna volgt een analyse van de huidige situatie, die uitmondt in visievorming. ‘De ontwikkeling van een richtingbiedende visie en van een heldere doelstelling is bevorderlijk voor iedere kerkelijke gemeente.’ Werkdoelen helpen vervolgens om de visie te concretiseren (bijvoorbeeld: hoe kunnen wij het visionaire ‘een gastvrije gemeente zijn’ vertalen in concreet ruimte bieden aan gasten?). Na het bepalen van prioriteiten kan er een plan de campagne (draaiboek, taakverdeling, tijdschema, etc.) worden gemaakt. Dit wordt uitgevoerd, geconsolideerd en geëvalueerd. Dit laatste wil zeggen: de waarde van iets bepalen. ‘Een lerende gemeente evalueert en omgekeerd: een evaluerende gemeente leert.’ Dit alles klinkt wellicht vrij eenvoudig, maar dat is het niet. Bij elke stap kunnen er dingen mislopen. Als bijvoorbeeld de visie vaag is, belandt deze in een la in plaats van in de gemeenschap te landen. Stoppels geeft toe dat zijn boek deze prikkelende ondertitel zou kunnen dragen: ‘Een boek over alles wat fout kan gaan in de kerk.’
Een concreet veranderingsproces, ‘nieuwe vieringen in Rhenen’, staat centraal als een leerzaam voorbeeld van best practice in hoofdstuk 8. (Overigens vraag ik mij af of het hier gaat om een fundamentele vernieuwing van kerk-zijn, waar het boek aanvankelijk suggereert op aan te koersen.)
Leiderschap De auteur eindigt met een hoofdstuk over leiderschap in de kerk, als ‘cruciale factor in het functioneren van een geloofsgemeenschap’. Als belangrijkste capaciteit van een leider ziet hij ‘het vermogen zichzelf uit handen te geven en zich te láten leiden’. En zijn meest centrale functie in christelijke geloofsgemeenschappen is ‘het wekken en levend houden van verlangen’.
Evaluatie
Tot slot een korte evaluatie. Ik zou graag nog eens in gesprek met de auteur over de bespreking van wat hij noemt de ‘organisatiekundige benadering’ van de gemeente (p. 47), zijn exegese van Efeze 5 (p. 146), en zijn visie op leiderschap (hoofdstuk 9). Als geheel vind ik het een zeer waardevol boek: praktisch, herkenbaar, to the point, geschreven met bevlogen nuchterheid, en in goed verzorgd Nederlands. Zo lezen we naar aanleiding van Johannes 21 dat Petrus door Jezus niet wordt ‘vastgepind op zijn verleden, maar “losgepind” op Gods toekomst’. Prachtig geformuleerd! Als wij dit beamen voor ons eigen leven, en dat van onze gemeente, kunnen we ons met Voor de verandering geen betere gids wensen om een veranderingsproces in te gaan.
Stoppels, S. (2009) Voor de verandering. Werken aan vernieuwing in gemeente en parochie. Boekencentrum, Zoetermeer 243 p. €22,50.
Drs. R.J.A. Doornenbal is als docent verbonden aan de Academie voor Theologie van Christelijke Hogeschool Ede en bereidt een dissertatie voor over leiderschap in emerging churches. Hij is lid van de NGK Ede.