Christus en de schepping (2)
1997-01-10
Wat heeft onze Here Jezus met het ontstaan van de wereld te maken? Schepping is toch het werk van God de Vader, terwijl de Here Jezus er voor de verlossing is en de Heilige Geest voor de heiligmaking? Maar we geloven ook in een drie-ene God. We kunnen daarom niet aannemen I dat bij de schepping God de Zoon en God de Geest er niet bij betrokken waren. Dat zou een onhoudbare spanning veroorzaken in God zelf tussen de drie goddelijke Personen. Hier liggen uiteraard moeilijke vragen, waar alleen eerbiedig over gesproken kan worden bij het licht van de bijbel. In dat licht heeft de gereformeerde traditie altijd anders over Christus en de schepping I gesproken dan de theologen die we vorige keer aan het woord lieten. Dit maal volg ik Ds S.G. de Graaf en verwerk tegelijk wat eigen commentaar in de tekst.- Jaargang 41
- nummer 1
Opvallend trouwens dat G.C. Berkouwer, voor zover ik weet, I nooit een boek over de schepping heeft geschreven, wel over !
de voorzienigheid (1950).
Met twee woorden
Er is schepping en er is zondeval: verlossing is daarom ook een reaktie op de zondeval. Vandaar dat de volgorde tussen schepping en verlossing theologisch niet kan worden omgekeerd. Verlossing gaat niet aan de schepping vooraf, omdat er nog geen zondeval had plaats gevonden. God schiep de wereld goed, Genesis 1:31. Het was Gods bedoeling al van vóór de schepping om met de mens op aarde te leven in een verbond - door De Graaf gunstverbond genoemd. God schiep met het oog op dat verbond; Hij wilde in liefde en in gemeenschap met de mensen op aarde leven en werken naar een volkomen voltooide schepping toe. Daar kwam de zondeval tussen, die geheel en al op rekening van de mens moet worden geschreven. Het gunst- werd genadeverbond.
De noodzaak van heil voor de mens en heling voor de schepping was zo gegeven. Daarom dat uiteindelijk God mens werd, Johannes 1:1 e.v. De vleeswording van het Woord was Gods laatste en definitieve antwoord op de krisis veroorzaakt door de zondeval, de krisis van menselijke schuld en goddelijk oordeel. Gods liefde voor mens en wereld was inderdaad niet stuk te krijgen, Johannes 3:16. De schepping was herschepping waard naar Gods eeuwig oordeel.
Kunnen we nu Jezus van Nazareth, het vleesgeworden Woord, direkt met het scheppingswerk verbinden? Dat Christus als de eeuwige Zoon ook bij de schepping was betrokken, wordt duidelijk in het Nieuwe Testament geleerd: Johannes 1:1 e.v.; Filipenzen 2:6 e.v.; Kolossenzen 1:15 e.v.; Hebreeën 1:1 e.v., om me nu maar te beperken tot de vier meest bekende christologische scheppingsteksten. Wat in het Oude Testament aan God als schepper wordt toegeschreven, wordt in het Nieuwe Testament aan Christus toegekend. En dat moet te denken geven. Daarvoor heeft men aangeknoopt bij wat in het Oude Testament gezegd wordt over Gods scheppen door het woord, door zijn spreken. Want in het Oude Testament zelf lezen we niet dat Christus als het eeuwig of vleesgeworden Woord scheppend aanwezig was in den beginne. Dat staat ook niet in Genesis 1:2 e.v.; het Nieuwe Testament heeft deze tekst christologisch uitgelegd vanuit de ontmoeting met Christus als de Zoon van God. We lezen hier ook niet over het werk van de Heilige Geest bij de schepping - een onderwerp dat vrijwel nergens in de hele bijbel voorkomt!
We zagen al dat de Geest bij de schepping als voorzienigheid kan betrokken worden. Is er dus inderdaad sprake van een onverbrekelijke relatie tussen Christus en de schepping, opnieuw moet hier met twee woorden gesproken worden: niet Jezus van Nazareth, het vleesgeworden Woord, maar God de Zoon, het eeuwige Woord, was samen met de Vader scheppend bezig in den beginne.
Dat is van oudsher in de gereformeerde traditie geleerd, waarin ook Ds de Graaf stond, en waar ook wij maar bij moeten blijven.
Het Nieuwe Testament over Christus en de schepping
Het moet opvallen dat wanneer er in het Nieuwe Testament geschreven wordt over het eeuwige Zoon schap van Jezus in verband met de schepping, dat vrijwel altijd gebeurt vanuit de geloofskennis van Jezus als de gekruisigde en opgestane Heer, die thans aan Gods rechterhand in de hemel gezeten is. Vanuit deze kennis worden dan soms - veelal in hymnologische kontekst - de lijnen tot voorbij de schepping in den beginne doorgetrokken. Men speculeert niet over de drie-eenheid, over de relaties tussen de drie goddelijke Personen, over de vraag hoe het nu precies zit met de menselijke en goddelijke natuur van Christus. Men belijdt dat deze Jezus de eeuwige Zoon van God is in het vlees verschenen. De liefde van God in zijn scheppingswerk kan worden gekend uit zijn liefde ons bewezen in Jezus Christus.
De liefde van de Zoon bij de schepping in den beginne kan worden afgelezen uit zijn liefde bewezen aan het kruis .tot heil van de mens en tot heling van de schepping. AI vóór de vleeswording vonden alles en allen hun grond en bestand in hem, het eeuwige Woord, dat toen nog geen menselijke natuur bezat. Anders zouden we moeten geloven in een soort pre-existente Godmens, een gedachte die geheel vreemd is aan de bijbel. Het Woord werd vlees; de Zoon nam op een gegeven moment in de tijd een menselijke natuur aan. Als Jezus van Nazareth was hij niet aanwezig bij het begin van de schepping.
Maar de Zoon die wel bij de schepping werkzaam betrokken was, kan geen andere zijn in karakter en wezen dan deze Jezus die wij als Heer en Heiland belijden. De Graaf meent dan ook dat vóór de vleeswording niets en niemand buiten de Zoon om bestond. In hem vond de schepping grond en bestand.
Hij was het die de verbondsrelatie tussen God en mensen onderhield. Zo was hij ook het normatieve concentratiepunt van de schepping als de Zoon. Dat werd hij als het vleesgeworden Woord na zijn geboorte in de stal van Bethlehem door kruis, opstanding en hemelvaart heen.
De Graaf meent dat God in zijn eeuwige raad al rekende op de herschepping ter bescherming van zijn schepping. Zo lief had God de wereld, dat Hij al voorzorgsmaatregelen trof ter bescherming van zijn werk, de schepping, de wereld en de mensen. God die de Vader van onze Here Jezus Christus is, kan niet anders dan de wereld in liefde en daarom goed geschapen hebben. God kan toch niet anders zijn dan zoals Hij zich in Jezus Christus heeft geopenbaard.
Omdat de Zoon, die wij als Heer en Heiland in liefde mogen kennen, in den beginne bij de schepping betrokken was, mogen we vast en zeker geloven dat de schepping als geordend geheel en niet als chaos geschapen werd. Wat God in het eeuwige Woord wilde zijn, vormde het motief bij de schepping der wereld, schrijft de Graaf (1954:172). En dat kunnen we weten ook: uit wat God is voor ons - en de schepping - in het vleesgeworden Woord.
Christus en de schepping
Inderdaad, de schepping vindt haar grond en bestand in Christus, want ze is in hem als het eeuwige Woord geschapen.
En dat is ook aan de schepping af te lezen. Terecht belijden we dan ook dat God te kennen valt uit de empirische werkelijkheid, de natuur, bij het licht van de bijbel. Dat kan niet missen!
Maar tegelijk ontkennen we niet dat deze schepping vol gruwelijkheid en afschuwelijkheid zit: Auschwitz, Bosnia en Rwanda - om van al het andere kwaad ook op persoonlijk vlak nu maar te zwijgen. Maar juist omdat Christus als het vleesgeworden Woord normatief concentratiepunt van de schepping is, is er hoop. De gekruisigde is opgestaan en regeert vanuit de hemel de aarde ten goede. Hem wien alle macht in hemel en op aarde geschonken werd, verwachten wij terug om een totaal vernieuwde schepping in te luiden - de hemel op aarde. Maar tot dan zucht de schepping nog; tot dan is er de strijd tegen de machten en krachten niet van vlees en bloed in de hemelse gewesten.
De sporen van het Beest zijn ook in de schepping aan te wijzen. En dat merken we ook, niet alleen in ons persoonlijke leven maar net zo goed in onze cultuur.
Er zijn twee tegengestelde krachten in de schepping aan het werk: de kracht van de liefde van Christus en die van de haat van het Beest. In dat krachtenveld houden we ons alleen staande door de Heilige Geest. In dat krachtenveld is de balans al doorgeslagen ten gunste van hem in wie de schepping haar grond en bestand heeft - maar het moet nog openbaar worden, Rom. 8:18 e.v.
Tenslotte ...
Er valt natuurlijk wel meer te zeggen over dit onderwerp; er zou dieper gedoken kunnen worden in de theologische theorieën over Christus en de schepping.
Wat te zeggen over de visie van Prof. Troost over de boventijdelijkheid van Christus als concentratiepunt der schepping? Ik zou het niet weten. Ik trek maar een theologisch baantje op de sloot achter mijn huis; het bijbelstheologische ijs is juist dik genoeg. Ik kan op mijn friese doorlopers geen filosofische figuren daarop neerzetten; ik ben bang dat ik dan door het ijs zak. Misschien dat iemand anders daar nog eens op terug kan komen. Boventijdelijkheid: inderdaad, daar weet ik theologisch geen raad mee.