Het einde van het hiernamaals?

1997-01-10
  • Jaargang 41
  • nummer 1
In de jaren zestig pakte men ons het hiernamaals af. Het moest nu maar eens afgelopen wezen met dat gezwijmeI over een beter leven na de dood, christenen moesten zich bewust worden van hun verantwoordelijkheid voor het hier en nu. Wie nog wat voor zijn ziel wilde, kon op zijn ziel krijgenl• Godsdienst als troost en geborgenheid werd ontmaskerd als kleinburgerlijke gezapigheid.
waarmee christenen hun verantwoordelijkheid voor de samenleving probeerden te ontlopen.
Een beter-leven-later was een zoethoudertje. omdat men niet wilde meewerken aan een betere-maatschappij-nu.

Luthers appelboom
Het zotste wat ik op het gebied van bekering-tot-het-hiernumaals heb meegemaakt, was een hervormd predikant die in een verpleeghuis een zaal vol suffige, dementerende rolstoelpatiënten aldus zegende: "Gaat dan heen in uw diakonale verantwoordelijkheid voor de samenleving!" Je kon aan 's mans gezicht zien dat hij dat een geweldige vondst vond! Vaak werd Luther er bij gehaald. Populair werd zijn uitspraak: "AI zou ik weten dat Christus morgen terugkomt, dan zou ik vandaag nog een appelboom planten." Alle nadruk werd gelegd op het tweede deel van Luthers opmerking: "dan zou ik vandaag een appelboom planten". Het eerste deel raakte ver op de achtergrond: "Als Christus morgen terug zou komen ...."
Ook in orthodoxe kringen overheerste het gevoel dat je je daar maar niet teveel mee moest bezighouden. Met een zekere meewarigheid werd gesproken over het Maranatha-christendom à la Johannes de Heer - alsof die zich niet verantwoordelijk voelde voor de sarnenlevinql" In het beste geval werd de 'wederkomst' als iets vanzelfsprekends beschouwd, een geloofswaarheid die je als bijbelgetrouwe christenen niet mocht schrappen, zoals de 'horizontalisten' deden. Maar het was niet iets waarop je geconcentreerd diende te zijn, laat staan dat je er je halsspieren op zou uittrekken.

De hemel als opium
Had men niet een beetje gelijk? In vroeger tijden had men het graag over de hemel. Wim Hazeu beschrijft in zijn biografie van Gerrit Achterberg de geestelijke ligging van de landadel, de grootgrondbezitters, in Neerlangbroek in de vorige eeuw. Deze landadel hield niet van een strenge, Schriftuurlijke prediking waarin de zondaar tot bekering werd opgeroepen, maar de predikant moest veel preken over 'de heerlijkheid van het hiernamaals', waar ze het nóg beter zouden hebben dan ze het nu al hadden'; Bij de gezeten liberalen waren preken over 'recht en gerechtigheid' (tegenover arme pachtboeren b.v.) niet in trek. De rijke man wilde, rakelings langs Lazarus heen, in de hemel komen.
Van koningin Victoria wordt verteld dat ze eens haar predikant bij zich riep en hem de vraag stelde of ze onmiddellijk na haar overlijden haar zeer geliefde, veel te vroeg gestorven echtgenoot Prins Albert zou weerzien. Ze zou het niet kunnen verdragen, zei ze, wanneer er tussen het moment van haar dood en het weerzien met Albert enkele uren, of zelfs maar enkele minuten, zouden zitten. Een confrontatie met God of Christus als Eerste werd kennelijk als een sta-in-de-weg beschouwd voor het hemelse geluk zoals zij zich dat voorstelde.
Met een kleine variant op Marx zou je uit bovenstaande anecdotes kunnen opmaken dat godsdienst de opium van de aristocratie was.

Naar wie keken ze uit?
En de vele armen in de samenleving?
Werden zij met de zuurstok van het hiernamaals als zoethoudertje in de mond de eeuwige leegte ingestuurd?
Dat hangt ervan af. Het verlangen naar een beter leven na dit leven is algemeen menselijk. Beslissend is niet de vraag 'naar wát keken zij uit?', maar 'naar wie keken zij uit?' Wie meende alleen op grond van zijn armoede straks een beter leven te krijgen, zal bedrogen zijn uitgekomen. Maar de arme die zijn recht en zijn heil bij de Here zocht, vond zichzelf terug in Abrahams schoot.
Dat pleit de liberale dominees die het hiernamaals als zoethoudertje hanteerden, niet vrij. Die mentaliteit wordt overigens weer actueel. VVD-leider BoIkestein, die theologie heeft gestudeerd(!), verweet in een interview socialisten en christen-democraten dat zij dingen die voor het hiernamaals zijn beloofd, naar vóren willen halen en nu reeds proberen te verwezenlijken. Tot aan Christus' terugkomst is de samenleving gebaseerd op eigenbelang en dat mag van Bolkestein zo blijven: keihard tot de jongste dag. Een kameel die niet door het oog van de naald wil.
In de vorige eeuw leefde in Groot-Brittannië een Anglicaanse bisschop die de grootste gezangendichter van het Victoriaanse Engeland wordt genoemd.
Maar zijn bijnaam was: 'de bisschop van de arme lui, van de kleine man'.
William Walsham How was een vurig evangelical, die als predikant voordelige benoemingen afwees om te kunnen doen wat hij zag als zijn plicht tegenover de armen. Het belangrijkste deel van zijn leven bracht hij door als bisschop in het industriële noorden, in Wakefield. Een eeuw eerder was Wakefield door een roman van Oliver Goldsmith nog bekend om z'n idyllische landelijkheid.
In How's dagen was daar niets meer van over: de industriële revolutie had er een "morsige, trieste, beroete en berookte"
streek van gemaakt'. In een van zijn liederen zingt How over "the saints who from their labours rest, who Thee by faith before the world confessed".
Het woord 'labour' dat hij hier gebruikt, heeft meer betekenissen dan het voor de hand liggende 'werk': het duidt op inspanning, worsteling, levensstrijd. Hij zingt over de heiligen (gelovigen) die in de harde strijd van hun bestaan tegenover de wereld Jezus Christus beleden hebben. In het tweede couplet noemt hij Jezus hun "rots, hun vesting en hun sterkte, hun kapitein in de goed-gestreden strijd, hun licht in de sombere duisternis".
Naar Hem keken deze mensen uit en van Hem gaven ze hoog op. In het derde couplet bidt How dat de Heiland ons even dapper wil maken als die vorige generaties en even trouw, opdat wij mét hen de kroon zullen ontvangen.
Wij putten moed uit hun overwinning, als we "op hun einde hebben gelet" en weten ons één met hen: wij in de 'struggle', zij in de glorie (couplet 4). In het heetst van de strijd klinkt de laatste bazuin ons al zachtjes in het oor ("steals on the ear", couplet 5). Als we de gouden zonsondergang zien, weten we dat onze rust in het paradijs dichtbij is (couplet 6). Maar nog veel heerlijker is de dag dat de heiligen overwinnend opstaan en de Koning in zijn heerlijkheid verschijnt (couplet 7). Vanachter alle grenzen en van de verste kusten stromen dan de ontelbare scharen de paarlen poorten binnen, terwijl ze zingen voor Vader, Zoon en Heilige Geest (couplet 8). Want naar Hem keken ze uit.
Voor alle heiligen (Gez. 299) Willem Barnard vertaalde dit bemoedigende gezang van How voor het Liedboek voor de kerken (Gezang 299):

Voor alle heUgen in de heerlijkheid die U beleden in hun aardse strijä, zij uw naam lof, Heer Jezus, t' allen tijd!
Hallell!Jahl Halleiujahl Gij wamt hun rots, hun bw-g en al hun macht; Gij, Heer, hun loods en licht in stonn en nacht;

Gij hebt uw pelgrims veilig thuisgebracht.
Hallelujah! Hallell!Jah!

Maak al uw strijders in dit aards gevecht moedig als hen wier pleit reeds werd beslecht tot aan de tijd die Gij hebt toegezegd.
HaUell!Jah! Hallelujahl

Hun is de prijs, de lauwerkrans, de kroon, toch zijn wij één, zij zingend voor de troon, wij in de wereld, wachtend op Gods Zoon.
Hallell!Jah! Hallell!Jah!

Met enige fantasie roept dit lied bij ons, moderne mensen, het beeld op van een groot stadion, waarin wij de spelers zijn en onze gelovige voorouders, de geloofsgetuigen van Hebreeën 11, op de publieke tribune zitten. Zij kijken toe hoe wij de wedstrijd spelen en vuren ons aan met de kreet: 'Zie op Jezus, de aanvoerder van ons team!' (Hebr.
12:1,2). Zelf hebben zij vroeger de wedstrijd gespeeld, en toen ze met de dood in hun schoenen afgepeigerd de kleedkamer wilden opzoeken, kwam de Aanvoerder, tegelijk de Trainer van hun team, hen al met de beker tegemoet en met prachtige kleren aan mochten ze om Hem heen zitten op de eretribune.
Maar het grote moment komt als de Aanvoerder van de tribune afdaalt en het speelveld opwandelt. Het vijandelijke team vlucht dan alle kanten uit, terwijl de spelers van Zijn team op Hem afhollen:

Daar is de Koning als eenjonge held!
Hem komen allen tegemoet gesneld van vreugde stralend, scharen ongeteld.

Van alle einders, van de verste kust zullen zij vinden vrede, feest en rust, U lovend, Vader, Zoon, Heilige Geest!
Hallell!Jah! Hallell!Jah!

Afgescheidenen
De verwachting van het komende Koninkrijk is geen zoethoudertje, maar een erfenis die ons in staat stelt het tegenwoordige leven te relativeren en in het verruimende perspectief van de eeuwigheid te zien! En goede keuzes te maken. Onze afgescheiden voorouders hadden veel te verduren: vervolging en achteruitzetting, inkwartiering van soldaten, gevangenschap en armoede; soms emigratie naar een werelddeel waar elk lapje grond voor het eerst moest worden ontgonnen. Ze hadden voor dit leven maar weinig te verwachten, maar ze verdroegen alles met het oog op de terugkomst van hun Heer".
Zoals Paulus, die ook weinig comfort in dit leven kende, aan de Romeinen schreef: "Zal God, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgegeven, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?
Wij zijn mede-erfgenamen van Christus: indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking"
(Rom. 8:32,17). Ook rijken en notabelen, zoals Maurits en Suze van Hall, hebben veel verdragen en met het oog op het komende Koninkrijk de zijde van de arme en onaanzienlijke afgescheidenen gekozen". Zouden al deze mensen het hebben volgehouden, indien ze de belijdenis van de berooide Job (19:25) niet tot de hunne hadden gemaakt: "Maar ik weet: mijn Losser leeft! En tenslotte zal Hij op het stof optreden! AI is mijn huid nog zo ernstig geschonden, uit mijn vlees zal ik God aanschouwen, mij ten goede. Mijn eigen ogen zullen Hem zien en niet een vreemde. Mijn nieren binnenin mij smachten van verlangen!"

Elan verloren
De profeten van de jaren zestig hebben hun doel niet bereikt. Wie dertig jaar later om zich heen kijkt, moet vaststellen dat het christenen niet is gelukt om door hun inspanningen de aarde meer op het Koninkrijk Gods te laten lijken.
Ze lijkt er eerder minder op dan ooit. De zorg van mensen voor elkaar is de laatste decennia eerder af- dan toegenomen; individualisme heeft de mensen in haar greep gekregen. Zelfs in de kerk kijken we liever langs stille armoede en eenzaamheid heen. Maar de profeten van de jaren zestig hebben wel iets ánders bereikt: dat christenen, van vrijzinnig tot orthodox bijbelgetgrouw, niet meer geconcentreerd zijn op de terugkomst van hun Heer. Men heeft zich inderdaad op het hiernümaals gericht: niet om de wereld te verbeteren (zoals die profeten te goeder trouw hadden gewild), maar om naar hartelust van die wereld te genieten en zich in haar schatten te begraven.
En daarmee hebben de christenen hun élan verloren. Het élan om Gods Koninkrijk te zoeken en het evangelie uit te dragen. De laatst decennia hebben duidelijk gemaakt dat concentratie op het hier-en-nu christenen niet ijveriger maakt, maar geestelijker luier.
Het accent op het hiernümaals heeft nog iets anders met zich meegebracht: we zijn torenhoge eisen gaan stellen aan dit leven, aan menselijke relaties, vriendschappen, huwelijken en aan de gemeente, zonder dat we zelf in staat zijn aan die eisen te voldoen. En daarmee zijn we met z'n allen in een soort relatie-kramp terechtgekomen, omdat de belangrijkste relatie-lijn (Jezus Christus uit de hemel verwachten) te vaag en te dun is geworden.
Er is voor gereformeerde christenen dan ook geen enkele reden om een beetje meewarig neer te kijken op de christenen van de Maranatha-beweging.
Volgende keer gaan we in de leer bij Johannes de Heer. Onder het motto: Maranatha! en het maken van de juiste keuzes.

Noten
1. Deze uitdrukking is, in ander verband gebezigd, van ds. H. de Jong.
2. Domus Elsman: Johannes de Heer, Evangelist in het licht van de wederkomst, blz. 32/33.
3. Wim Hazeu: Gerrit Achterberg, blz. 36/37.
4. W. Bamard in: Een Compendium van achtergrondinformatie bij de 491 gezangen uit het Liedboek voor de kerken, blz. 694.
5. H. Algra: Het wonder van de negenüende eeuw.
6. Gera Kraan-van den Burg: Brandende harten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief