Bezinning over ons zendingswerk in Zuid-Arika (1)
1997-02-21
Het woordje 'ons' zou U als lezer de verkeerde weg op kunnen sturen, zo U denken mocht dat de schrijver, zijn hele leven lang aan Kampen verbonden, ook als emeritus niet verder kijkt dan de poorten van de Hanzestad. Het 'ons' probeert juist naar alle Nederlands Gereformeerde Kerken tegelijk te kijken, waar immers de grote meerderheid ervan betrokken is bij zendingswerk in Zuid-Afrika via de zendende kerken van 's-Gravenhage , Bunschoten-Spakenburg, Leerdam of Kampen.- Jaargang 41
- nummer 4
Nu wil ik niet graag gevangen worden op het woord 'zendingswerk'. We weten allemaal dat strikt gesproken er lang niet overal meer van zendingswerk sprake is, nu er kerkeraden zijn van geïnstitueerde gemeenten. Het mogen gemeentetjes zijn hier en daar en de grens tussen kerk en zending is niet overal even duidelijk. Feit is dat het kleine kerkje van Mancane Bijbels gezien net zoveel lichaam van de Heer is als de massieve kerk van Kampen. De geloofsgemeenschap op Groothoek, kerkordelijk geen gemeente meer, valt wel, die van Mancane niet onder het hoofdstuk zending. Wat beiden bindt, is hun financiële afhankelijkheid van de Nederlands Gereformeerde Kerken.
Zal de lezer toch zo vriendelijk zijn het woord zendingswerk als een paraplu te zien waaronder ik bij deze gelegenheid ook de burenhulp van de rijke Nederlandse kerk aan haar arme Zoeloe-buurvrouwen in Zuid-Afrika reken?
Voor het gemak noemen we al dat werk nu maar even zendingswerk; er is tenslotte een gemeenschappelijke factor die vrijwel alle Nederlandse kerken raakt - zendingswerk of burenhulp - en die is dat er hulp gevraagd wordt.
Maar hoelang nog? Ik heb het gevoel dat er hier en daar van onze Nederlandse kerken ongeduldig beginnen te raken. Nu er onder de Zoeloes zelfstandige kerkjes zijn, moeten we nog steeds doorgaan ons goede geld te geven? Wat betekent 'zelfstandig' wanneer wij een aanzienlijk deel van hun kerkelijk werk schijnen te moeten financieren? Daarbij zien we op de TV altijd maar weer goedgeklede en weldoorvoede Zoeloe-meneren in vloeiend Engels hun verhalen houden - zo kunnen wij het niet - en daarheen moeten wij onze niet onaanzienlijke bijdragen sturen? Hier en daar schijnt men naar andere mogelijkheden als alternatief voor Zuid-Afrika uit te zien. Het woord 'afbouw' begint gebruikt te worden, wat op het eerste horen even vreemd is want zending en afbouw zijn vreemde bedmaats. Ik stel voor dat we, om voor vandaag wat duidelijkheid te krijgen, teruggaan naar waar we met onze zending in Zuid-Afrika begonnen.
Gevraagde maagdelijkheid
Wie kent vandaag nog de uitdrukking 'maagdelijk terrein'? Maar toen ik in 1957 als eerste zendeling voor Zuid- Afrika werd beroepen, trok niemand ooit in twijfel dat ik uitsluitend ergens in Zuidelijk Afrika naar 'maagdelijk' terrein waar geen Christenen wonen maar alleen heidenen, en waar geen andere kerk actief was, mocht uitkijken.
Het behoorde tot de expliciete instructies. Het werd verder omschreven als een terrein waar de zendeling in "zelfstandigheid en vrijheid het Evangelie kon gaan verkondigen", zo lezen we in 'Van Zorg en Zegen'.
Men moet vandaag de uitdrukking in het raam van die tijd proberen te verstaan.
We hadden de Vrijmaking nog maar kort achter de rug. Politiek, maatschappelijk, educatief, in alles stonden de vrijgemaakte kerken gereed om een nieuw begin te maken.
We waren vast van plan het Schriftuurlijker en beter te doen dan ons Gereformeerde voorgeslacht. Het gold voor de zending niet minder. In 1951 had de Synode van Kampen besloten art. 52 van de DKO op te heffen waarin stond dat voor de arbeid van de kerkelijke zending er een Zendingsorde was met de nodige algemene bepalingen. Die viel met één klap weg met het gevolg dat elke plaatselijke kerk met voldoende élan en geldelijk vermogen waar ook maar ter wereld zending kon gaan bedrijven, met als enige beperking de "inachtneming van de indeling in ressorten door het kerkverband aanvaard". Zijn we eerlijk vandaag, dan moeten we de omschrijving 'in zelfstandigheid en vrijheid' van toen wel nadere invulling geven. We bedoelden ermee in isolatie te willen werken zonder afhankelijkheid van of band met andere kerken. Dat was wat Kampen betreft niet omdat men er met het schema ware- en valse kerk opereerde, maar omdat we voor alles vrij wilden zijn. Van de zelfstandige plaatselijke kerk neigden we naar de onafhankelijke plaatselijke kerk.
Mijn opdracht, eenmaal in Zuid-Afrika aangekomen, bleek een vrijwel onmogelijke te zijn. Maagdelijke terreinen leken er in Zuidelijk Afrika nauwelijks nog te zijn. En al heel snel kwam ik er tot de conclusie dat je er in isolatie als kerk geen voet aan de grond kon krijgen.
Was je buiten Zuid-Afrika overgeleverd aan de toen nog bestaande 'International Missionary Council' die weinig geduld had met kerken als de vrijgemaakte, binnen Zuid-Afrika kon je alleen aan de gang wanneer een door de staat erkende kerk zichzelf voor jou verantwoordelijk stelde. Dat was een streep door de rekening van alle dromen. Maar met dank aan de Heer aanvaardde Kampen het aanbod van 'Die Gereformeerde Kerk in Suid-Afrika', en dan specifiek de plaatselijke kerk van Pietermaritzburg, om in vrijheid - maar niet in isolatie - met zendingswerk te beginnen. Er werd in de kring van de Nederlandse kerken zelfs niet overwogen om b.v. in de lokaties rondom Pretoria aan de slag te gaan wat toen wel mogelijk was geweest.
Daar waren immers al andere kerken aan de gang. Wij zochten naar maagdelijke gebieden. Wat de Vrijgemaakten vandaag - bijna 40 jaar later - wel doen om namelijk in die gebieden rondom Pretoria met zendingswerk een begin te maken, was toen ondenkbaar. Wij kwamen op Groothoek terecht, dat toch wel een klein en achteraf hoekje bleek te zijn.. Daar lag het begin van onze Zuidafrikaanse zending.
Dubieuze maagdelijkheid
Was dat conform de opdracht een maagdelijk gebied? Nee, maar het was wel het naast als wat we ooit aan zo'n gebied zouden hebben kunnen komen. Het gros van de bevolking was on-Christelijk, onaangeraakt door het Evangelie. Wel waren er een handjevol Rooms-Katholieken, één Methodistisch gezin en een paar leden van de Ethiopische secte. Kampen was te laat met zijn instructie van "in zelfstandigheid en vrijheid" te werken op een maagdelijk terrein. Wat hebben de Roomsen ons dwars gezeten! Zelfs een heidense hemel was op deze aarde niet te vinden! Het verging de tweede zendeling, Ds M.R. van den Berg al niet anders. Overal vond je in heidense gebieden wel groepjes Christenen. Wat niet betekende dat er geen zendingsmogelijkheden waren.
Wie met het Evangelie aan de slag wilde, kon met puur zendingswerk uit de voeten, tot vandaag toe. Later kwam Ds W.L. Kurpershoek, minder onder de druk van de gevraagde maagdelijkheid dan ik, het zo te formuleren: "In geheel Zuid-Afrika zijn geen maagdelijke zendingsterreinen meer te vinden. Zo is ook ons werk in Nqutu niet de eerste zendingsarbeid" (rapport aan Haarlem van 31 Mei 1966).
Ik hoor U de vraag stellen: wat heeft dit alles uit de oude doos met de situatie van nu te maken? Met dank voor Uw vraag ben ik bijna toe aan het antwoord erop. Wat het één namelijk met het ander te maken heeft, wordt wel duidelijk wanneer U zo vriendelijk zou willen zijn om met mij op zoek te gaan naar een zo maagdelijk mogelijk gebied. Waar zoeken we dat? Ergens in afgelegen streken, het liefst wat minder toegankelijk en waar de nieuwe tijd nog het minst is binnengedrongen.
Dat betekent voor de zwarte bevolking van Zuid-Afrika ergens een vergeten, afgelegen, landelijk gebied.
Zo kwam ik ook op het mooie maar weerbarstige, bergachtige gebied van Groothoek terecht. In onze Westerse zin zeker geen 'achterbuurt' van mensen met een lager moraal. Integendeel, er woonden mensen die aan de traditie vasthouden, meer dan in de steden maar wel een 'achterbuurt' in die zin dat de rest van de wereld hen voor is geraakt. Minder invloed van onderwijs, van radio en TV, nauwelijks invloed van het Christendom. Het zijn wel mensen van statuur die staan voor wat hun door oudere generaties is overgeleverd, maar het zijn ook de armen in de samenleving, de achtergeblevenen die het zonder scholen, medische voorzieningen, wegen en wat niet al moesten doen. Zo zag Groothoek eruit toen we er begonnen.
Kampen was er in 1958 wat blij mee; het was dan wel niet helemaal maagdelijk gebied maar het was het beste dat we in die omstandigheden konden krijgen. Met andere kerken hadden we - gelukkig - alleen op een afstand wat te maken. Zo dachten we immers als Vrijgemaakten!
Aan het eind van de zestiger jaren heb ik al ergens geschreven (Van Zorg en Zegen, p. 101-102) dat je in dit soort verspreide en dunbevolkte gebieden nooit grote kerken kunt verwachten.
Dat had ik meteen al wel door. Maar wat ik toen niet zag en nu wel, is dat door zó te beginnen een stempel op de toekomst van het zendingswerk werd gedrukt. Door voor een maagdelijk gebied te kiezen, kwamen we in de wat haveloze, achtergebleven onderlaag van de samenleving terecht, en daarin zijn we sindsdien gebleven. Dat zal wel een sociologische wet zijn!
Waar het de mensen zijn die via familie of relaties het Evangelie verder dragen, daar bleven we gedurig sociologisch waar we begonnen waren. En dat is vandaag nog evenzo het geval.
Waar onze leden als slachtoffer van de stam- of politieke gevechten in de steden terechtkomen, vinden we hen weer bij de 'squatters' terug, de allerarmsten.
Nog levendig herinner ik mij gelegenheden waar mij van Methodisten-zijde te verstaan werd gegeven, dat zij hier in het Richmond-gebied eigenlijk tot de Christelijke aristocratie behoren terwijl wij slechts het 'klootjesvolk' trekken. Waar ook maar het werk zich naar andere gebieden begon uit te breiden, bleef dat beginpatroon van de onderlaag het onze.
De hele Kamper zending bleef maatschappelijk zó gestructureerd. Er zijn er wel in onze gemeenten opgeklommen tot het maatschappelijk middenkader, maar dat is de uitzondering. In het Nqutu-gebied van 's-Gravenhage, Leerdam en Bunschoten, is het al niet anders. Ds. Kurpershoek met wie ik een jaar geleden het over hetzelfde onderwerp had, dacht er niet anders over. Hij wees - het is overal hetzelfde refrein in die achteraf gebieden - op de armoede van het Nqutu-district waar de mannen helemaal naar Johannesburg moeten om werk te vinden, voorzover aanwezig, en de familie blijft in armoede achter en krijgt toegeschoven wat vader - die dikwijls in de stad een tweede gezin heeft gesticht - kan missen.
Prijzige maagdelijkheid
Het beginsel van de 'maagdelijke terreinen' uit het vrijgemaakte leefklimaat van een veertig jaar geleden en ons wat armoedig kerkelijk publiek van 1997 blijken dus nauw samen te hangen.
Ik werd er nog eens met de neus opgedrukt toen ik - uitgenodigd om lezingen te houden bij de Vrije Gereformeerde Kerk in Pretoria - daar ook de zwarte Vrijgemaakten broeders in Soshanguve kwam toe te spreken.
Zo'n kerkelijk publiek als daar uit het zwarte maatschappelijk middenkader van Zuid-Afrika kennen wij niet. Mannen zich van hun eigen waarde bewust met een vaste baan achter zich, treden er welbewust op, stellen vragen naar het kerkelijk beleid, willen graag weten hoe naar Gereformeerd kerkrecht dat beleid wordt vastgesteld.
Jongelui die op een jeugdmeeting deskundig informatie uitruilen over beroepskeuze. Ik wist niet wat ik hoorde! Ook niet toen mij verteld werd dat in betrekkelijk korte tijd zo'n gemeente even R.30.000 inzamelt voor kerkbouw. Zo hadden de Nederlands Gereformeerde Kerken van vandaag in Nederland ook met 'goedkope' zending bezig kunnen zijn ware het niet dat onze vaders een veertig jaren geleden in hun wijsheid voor maagdelijke terreinen kozen. En wij als zendelingen met hen. Maar er bleek wel een prijskaartje aan dat beginsel te hangen!
Onze maagdelijke gebieden van toen zijn de achtergebleven armoegebieden van nu, haarden van werkeloosheid waaruit de mannen het liefst wegtrekken en waar het uiterst moeilijk is kerkeraden te vormen.
Er zou nog meer te noemen zijn. Je zit in Zuid-Afrika onmiddellijk met de ingewikkelde situatie dat waar je een belovende jongeman in het midden van een achtergebleven Derde-Wereld-gemeente als predikant opleidt, hij meteen met de opleiding de reuk van de Eerste Wereld opsnuift en naar een dienovereenkomstig salaris begint te kijken. Je kunt niet eenvoudigweg stellen: logistiek mogen die achtergebleven gebieden duur zijn door hun structurele armoede en hun uiterst gebrekkige infrastructuur; behandel de predikanten maar navenant.
Dan kom je te dicht bij het wat wrange zogezeide engelse kerkenraadsgebed: "Lord, make him humble, we will keep him poor".
Wat ik duidelijk had willen maken in dit eerste artikel, heb ik naar beste weten nu gedaan. En dat is dat wij door onze keuze van vroeger nog lange tijd de arme Zoeloe kerkjes als onze behoeftige buurvrouwtjes en zustertjes bij ons houden. Ze zijn niet minder lichaam van de Heer dan welvarender gemeenten maar ze zullen nog lang behoeftig en afhankelijk blijven. De zendingsmannen uit Nederland zullen hier hard moeten blijven werken om de arme verre naasten hun eigen verantwoordelijkheid bij te brengen maar ze zullen nog lang bij ons blijven. Men kan wat onnatuurlijk een stop zetten op zendingsuitbreiding - er valt over te praten wat daaronder precies bedoeld wordt en wat niet - maar van afbouw op korte termijn als uitfasering van steun aan de zusterkerken kan voor lange tijd nog geen sprake zijn.
Het is dan wel geen zendingswerk meer. Noem het maar christelijke ontwikkelingshulp.
Je kunt slechter projecten echter hebben dan de zorg voor een paar arme buurvrouwen.
Noot:
1 Joh. Lagendijk, Van Zorg en Zegen, Kampen, 1971, p. 25