111 Lied van een domme wijze

1997-02-21
  • Jaargang 41
  • nummer 4
1 Als ik mijn speurzin naar de hemel wend,
zie ik de hoge sterren staan,
de felle zon, de koele maan -
en steeds wordt mij mijn domheid ingeprent.
Ik, die mij wijsheid wenste:
de domste van de mensen!
Gods grootheid ken ik niet.
'k Heb mij vermoeid, o
Heer!
Mijn God, ik kan niet meer -
zie mij, die U niet ziet.

2 Wie heeft de stormwind in zijn vuist gevat?
Wie bindt het water in zijn kleed?
Wie is het, die ten hemel schreed
en als een vorst terugkeert op zijn pad?
Wie stelt de mens zijn grenzen?
Ik, die beheersing wenste:
mijzelf beheers ik niet.
'k Heb mij vermoeid, o
Heer!
Mijn God, ik kan niet meer -
zie mij, die U niet ziet.


3 Heb ik dan nooit Gods diepste naam gehoord:
zijn naam, die 'Ik ben bij u' luidt?
Spreekt Hij niet in zijn Zoon zich uit
als 'Vader', in zijn vleesgeworden Woord?
Zijn liefde scherpt mijn oren:
beproefd zijn al zijn woorden,
gelouterd in de gloed.

O God, Gij zijt een schild
voor elk die bij U schuilt,
U in uw Zoon begroet.


4 Laat, Heer, uw wijsheid nooit meer vàn mij gaan,
opdat ik aan uw woord van toen
niets toe en ook niets af zal doen,
niet als een leugenaar te kijk zal staan.
Heer, houd mij vast - ik huiver:
elk woord van U is zuiver,
brandmerkt wie het herschrijft.

O God, Gij zijt een schild
voor elk die bij U schuilt
en in uw woorden blijft.


5 Wie heeft de stormwind in Gods hand gekéérd?
Wie bindt de zondvloed in zijn kleed?
Wie is het, die ten hemel schreed,
wie keert terug als aller mensen Heer?
Wie stelt de mens zijn grenzen?
De minste van de mensen:
Gods knecht uit Bethlehem.
Gods Zoon: Hij is een schild
voor elk die bij Hem schuilt.
Gods wijsheid: hoor naar Hem!

Tekst: Johan Klein 1996
Melodie: psalm 40


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief