Bezinning over ons zendingswerk in Zuid-Afrika (4 - slot)
1997-04-04
Klassieke zending in de zin van kerkplanting komt bijna niet meer voor. Van de Vrijgemaakte broeders lees ik dat bij hen alleen nog in Brazilië aan kerkplanting waar die nog niet is. wordt gewerkt. Op die wijze doen ook wij niet meer aan zending.- Jaargang 41
- nummer 7
Er zijn zowel in de Nqutuals in de Richmondwereld kerken geïnstitueerd. De zendende kerken in Nederland hebben reeds een nauwe kerkelijke relatie met jonge kerken in Noord- en Zuid-KwaZulu-Natal.
Zendende kerk - exit?
Ergens kwam ik de opmerking tegen dat we nu beter niet meer van zendende kerken maar liever van assisterende kerken moeten spreken. Letten we alleen op de relatie tussen de Nederlandse- en de Zoeloe-kerken, die vroeger weleens toen we nog 'maternalistisch' dachten, moeder-en dochterkerken werden genoemd, dan moeten we zeggen: precies, dat is het juiste woord. Maar toch, er is zoveel meer aan de hand dan 'assisteren'.
Samen met de Zoeloe-kerken houden de Nederlandse kerken een opleiding in stand waar uitsluitend of bijna uitsluitend zendelingen aan meewerken.
Dan zijn er nog legio plaatsen waar de Nederlandse kerken aan het werk zijn en waar nog geen ambten ingesteld zijn en waar de jonge kerken nog in geen tijden zelf aan de gang kunnen gaan.
Dat pleit ervoor het woord 'zendende kerk' nog even vast te houden. Maar er is nog een andere reden waarom ik zelf het oude Bijbelse woord niet zomaar de laan wil uitsturen. Het woord 'zenden' is zo oer-Bijbels. Het duidt de beweging naar buiten aan, weg van je eigen kerkelijke besognes, naar de wereld toe daarbuiten die God zo liefheeft. Die beweging naar buiten kan een activiteit zijn in de eigen woonplaats of ergens ver weg in de wereld zoals wij vanuit Kampen onder de Zoeloes terecht kwamen. Het woord 'assisterende' kerken mist die Bijbelse kleur van gezonden te zijn.
Waarom assisteren kerken uit Nederland jonge kerken elders? Omdat we ertoe gezonden zijn, zullen ze bij enig nadenken moeten zeggen. Laten we het mooie woord 'zendende kerk' nog maar even vasthouden!
Wel moeten we ons ervan bewust zijn dat we bezig zijn het een andere inhoud te geven. Het is niet meer een zendende kerk tegenover niet-kerk maar een kerk die belijdt gezonden te zijn om de jonge kerken bij te staan en dat te doen wat ze zelf nog in lange tijd niet kunnen.
Het kerkplantings-element is uit het woord verdwenen. En de zending in oude zin dan, zo zult U zeggen. We werken toch ook nog daar waar nog geen ambten zijn ingesteld? Inderdaad doen we dat. Maar wij in Zuid-Afrika leven onder de oude Kerkenordening van Dordrecht. Die hebben we juist weer opnieuw in Zoeloe vertaald en daarin staat ook art. 39: Plaatsen waar nog geen Kerkeraad zijn kan, zullen door de Classe onder de zorg van een genabuurden Kerkeraad gesteld worden. Dit gezonde beginsel verhindert ons kerk en zending teveel uit elkaar te trekken. We zijn alleen nog voorlopig met zending bezig naast de jongere kerken. De classis van KwaZulu-Natal kon wel eens zeggen: laat na een x-aantal jaren onze eigen kerk van y maar voor dat zendingswerk gaan zorgen waarvoor we dan steun van Nederland vragen. Op al die zendingspiekjes waar we vandaag nog bezig zijn en voor ons besef van niemand afhankelijk, is er dus vandaag al een relatie-in-natu met de Zoeloe-kerken.
Zending en kerk zijn met elkaar vervlochten. We kunnen al niet meer spreken van 'ons' werk tegenover 'hun' werk. Naar de mooie term zijn we 'partners in obedience'.
Verdwijnt de zendende kerk dus nog lange niet, veel werk dat onder haar verricht wordt glijdt langzaam aan onder haar opzicht uit, naarmate we meer met eigen, zelfstandige kerken in Afrika te doen krijgen. Consequent zou het contact met die kerken dan moeten worden overgeheveld naar de Sectie Buitenland van de Commissie voor Contact en Samenspreking met Andere Kerken.
Maar tegelijk behoren diezelfde zwarte kerken weer tot een breder kerkverband in Afrika dat als classis of synode ook weer zijn eigen contact heeft. Moet eventuele financiële assistentie via de Sectie Buitenland lopen of via de oude zendende kerk die dat in strikte zin in die relatie niet meer is?
Er zal nog heel wat nadenken - bij voorkeur gezamenlijk - nodig zijn voordat we voor dit alles onze oplossingen hebben, en niet te vergeten ons licht hebben opgestoken bij kerken die in dit alles meer ervaring hebben dan wij.
Afbouw?
Het is te verwachten dat vanuit de zendende kerken af en toe met overtuiging aan de bel wordt getrokken om de zendelingen op te roepen toch behoedzaam met de zendingsgelden om te gaan en liever eens even stil te staan dan uit te breiden. Zo is het altijd geweest.
Vóór mij ligt een brief van de zendingspenningmeester van 1964 waarin hij ons op het hart bindt dat het "thans aanbevelenswaardig is onze aandacht voorlopig niet te richten op nieuwe projecten". Dat er soms een gevoel van moedeloosheid, van verslagenheid zich neerlegt over de thuiskerken - en nu bedoel ik speciaal de Kamper afdeling - we begrijpen het maar al te goed. Ds. Ncwane samen met zijn jongste zoon doodgeschoten. Vader Amos Dlamini samen met zijn volwassen zoon doodgestoken nadat zijn moordenaars hem nog wel even de gelegenheid gaven om te bidden. We hebben nog maar pas de begrafenis van die drie jonge mannen achter de rug, in koelen bloede doodgeschoten op het perceel van de Ndaleni-kerk.
Hoeveel kerken hebben we al moeten dichtmaken als gevolg van geweld en hoeveel leden al verloren? En het gaat hier om vele, vele tientallen kerkleden!
Wat helpt het uiteindelijk om in dat van geweld vergeven Natal te blijven voortmodderen? Ik denk dat ikzelf meer dan wie ook van dat gevoel weet heb.
Maar het woord 'afbouw' roept een andere reactie bij mij wakker. Het lijkt mij in tegenstelling te staan tot het zendende kerk zijn. Dat is toch een door de Geest gewerkte overtuiging dat wij naar buiten moeten met het Evangelie.
Afbouw lijkt mij een woord te zijn uit een ander woordenboek afkomstig.
Het zegt toch: we maken er geleidelijk een einde aan? Waaraan?
Laten we eerst vaststellen waaraan we geen einde kunnen maken of wat het niet betekent. Het kan natuurlijk niet betekenen een zich onttrekken aan die sociale onderlaag van de Zoeloe-bevolking waaraan wij zitten vastgeketend, met zijn financiële en sociale armoede, en waarin de gelovigen van onze kerkelijke gemeenschappen leven. Dat wij met ons werk daarin zitten, is als gevolg van beslissingen lang geleden genomen en waarvan wij thans blijmoedig de gevolgen dragen. Het kan ook niet betekenen dat wij ons terugtrekken van de subsidiëring van predikantssalarissen en hun vervoer. We hebben die mannen zelf opgeleid en hebben 'dankuwei' tegen de Heer gezegd toen zij in het ambt bevestigd werden. Dat intussen van de jonge kerken wordt verwacht om toenemend zich verantwoordelijk te stellen voor hun eigen pastores, spreekt vanzelf. Dat zelfs op de lange termijn van uitfasering wordt gepraat, is verstaanbaar. Het is een algemeen Afrika-probleem waarin we in 1961 al aandacht begonnen te geven toen op Groothoek een comité werd ingesteld, uit drie mannen bestaande, om toezicht te houden op het innen van kerkelijke bijdragen.
Afbouw kan ook niet betekenen dat we botweg besluiten: we stoppen alle opleiding van voorgangers. Dat hangt af van de behoeften van de kerken en het aanbod van studenten. Op het moment is trouwens alle opleiding tot stilstand gekomen - wat Kampen betreft -. Maar ik denk dat op het huidige stadium geen zendende kerk éénzijdig kan zeggen, zonder overleg met de jonge kerken: we houden met alle opleiding op. Daartoe zijn we tezeer met elkaar al vervlochten. We vergeten intussen niet dat opleiding natuurlijkerwijs het laatste is waarin de zendende kerk in Afrika betrokken blijft. Rest nog wat wij zendingswerk noemen. Dat specifieke uitbreiding van nieuwe activiteiten naar waar we nog niet werkten, buiten bespreking is, is buiten kijf. Dat vereist speciale toestemming van de zendende kerk.
Maar waar we al werkzaam zijn, moet daar afgebouwd worden? Betekent dat dat wanneer er een gebouwtje nodig is, het er niet mag komen? Of wanneer er zelfs een 'helper' ingezet zou moeten worden, mag dat dan niet meer? En wanneer dat dan met financiële inbreng door dat nog-geen-kerkgeworden groepje gevraagd wordt, wordt dat verzoek dan geweigerd?
Wat is afbouw dan wel? Er is verschil tussen natuurlijke afbouw waarbij de plaats van zendelingen uit Nederland gaandeweg wordt ingenomen door inheemse predikanten, en onnatuurlijke afbouw die een rem zet op evangelische groei vanuit onze bestaande activiteiten en uitgaat boven het vermogen van de Zoeloe-kerken. Het is zaak hier nauwkeurig te formuleren.
En nu de toekomst in
We hebben nu gezien hoe het verleden zich in het heden vlechtte, en bereiden ons nu zo goed als we kunnen op de toekomst voor. Dat die moeilijker zal zijn dan het verleden, dat deskundigheid een vereiste zal zijn, heb ik op mijn wijze aangetoond.
De verhouding zendende kerk en jonge kerk ligt immers ingebed in de moeilijke relatie van Europa en Afrika.
Daarbij voorzie ik dat met het groeien van de jonge kerken de bufferrol van de zendelingen geringer zal worden naarmate er een directer contact tot stand zal komen tussen de zendende en de jonge kerken. Die richting moet het uitgaan. Hoe meer contact hoe beter. Het is zelfs mogelijk dat wanneer inderdaad één zendende kerk zich in meerdere zal opsplitsenzoals ik boven suggereerde - elk zijn eigen contact zal ontwikkelen met een jonge kerk of een brokje zending. In plaats van de vier contactlijnen van de vier zendende kerken naar Zuid-Afrika lopen er dan meerdere contactlijnen.
Een prachtige ontwikkeling op voorwaarde dat er wel een georganiseerd en gestandaardiseerd zendingsbeleid komt van de Nederlands Gereformeerde Kerken. Zelfs wanneer het bij vier zendende kerken zou blijven, zou het gebiedend zijn het beleid nauw op elkaar af te stellen in intens onderling overleg. Niets is zo verwarrend als wanneer verschillende zendende kerken ook inhoudelijk verschillende beleidslijnen onderhouden met kerken van een zelfde verband in Afrika. Dat is voeden van wantrouwen en vragen om grote moeilijkheden.
Moet het de kant van contact zonder de zendeling op den duur uit, makkelijker wordt het er niet op. De zendeling die wel één en ander van Afrika verstond en tegelijk ook zijn eigen mensen van thuis aanvoelde, is dan geheel of gedeeltelijk weggevallen, want Afrika wil in elk geval direct contact met Europa, ook in de kerk. Uit de politiek weten we al hoe moeilijk Europa en Afrika elkaar verstaan. In de wereld van de internationale financiën weten we ook al hoe uiterst stroef de verhouding is tussen het IMF en de ministeries van financiën van diverse Afrika-staten. Ik voorzie nu al de wrijving wanneer een zendende kerk om een begroting vraagt en een jaar later om het financiële verslag over dat jaar, een gewone procedure tussen een noodlijdende en een assisterende kerk. De broederschap van Europa ontdekt dan zomaar in de broederschap van de Zoeloes een moeilijk stukje Afrika en omgekeerd.
Hoe eerder de zendende kerken zich op deze contactperiode voorbereiden, hoe beter. Want de echo van het hele politieke probleem van vroegere kolonisatie en het huidige 'pleidooi voor rekolonisatie" vinden we in andere vorm weer in de kerk terug.
Van Europa wordt geld en gebed verwacht.
Laten wij beiden, geld en gebed, niet als complementaire elementen opvatten: het eerste morsig slijk der aarde en het tweede een Geestelijke gave uit de hemel. Ook het harde geld is een gave van de Geest, zo zei Prof. Veenhof jaren geleden al. Voor de zendende kerk kan het een verleiding worden geld als een geseculariseerde hefboom te gebruiken om nog wat vingertjes in de pap van de jonge kerk te houden. Zien we het als een gave van de Geest, dan strooien we er ook niet mee om ons historisch gegroeide nederlandse geweten te sussen. De kerk van Afrika mag aan de andere kant zijn armoede weer niet als aantrekkelijk uitvoerproduct naar Nederland toe etaleren om geld los te krijgen teneinde een stukje welvarend Europa in de Afrika-kerk over te planten. Evenmin als je Europa kunt Afrikaniseren, kun je Afrika Europeïseren. Het is uiterst moeilijk en vraagt dikwijls veel naden- ken en gebed om Christelijk-verantwoord tussen Europa en Afrika op te treden.
Waarschuwingsborden
Intussen blijven we op onze weg letten op de waarschuwingsborden. Dat we dat niet altijd gedaan hebben, blijkt wel uit wat in deze artikelen uit het verleden is opgediept. Ook wij als zendelingen van het eerste uur zijn dikwijls onoplettend geweest. Bladerend door oude documenten kom ik een brief tegen van Ds D.C.S. van der Merwe aan mij geschreven in 1963 en bedoeld voor Kampen. Deze oudere broeder die toen al jaren in de zending zat schreef: "wij hebben ervaren dat als je een zwarte predikant zonder meer ergens een gemeente te bearbeiden geeft, dan is hij zomaar paap.
Het is van Kampen niet verstandig helpers op te leiden tot predikant, en die straks een gemeente te bearbeiden te geven, zonder dat deze helperpredikant omringd is door een stevig stel ouderlingen".
Naar deze wijze raad hebben wij te weinig gehandeld. Ook hier vinden wij in het heden de fouten van het verleden terug. Want ook wij zitten in onze jonge kerken met de algemene Afrikakwaal van sterke predikanten zonder sterke kerkeraden. In het heden ligt ongemakkelijk hier 't verleden. Ik zou een lang verhaal ter verduidelijking kunnen houden maar ik zie er vanaf.
We hadden ons tijdig moeten laten waarschuwen.
Evenals wij - achteraf gezien - de kans voorbij hebben laten gaan om samen na te denken over de vraag of het nu zo nodig was geweest onze kerkelijke structuren van Nederland vrijwel ongewijzigd naar Afrika over te planten. Maar dat zo boeiende onderwerp zou een aparte behandeling vragen.
Het is mijn hoop dat deze artikelen die naar een bepaalde zijde toe de inventaris willen opmaken, ook als waarschuwingsborden worden herkend.
Dat bedoelen ze hier en daar zeker te zijn. Het is waar dat de Heer verleden, heden en morgen in Zijn hand heeft; niet minder waar is dat Hij ons als Zijn beelddragers zo serieus neemt dat wij de vrijheid en de opdracht hebben in het heden aan de toekomst te werken, wijzer geworden door het verleden.
Noot:
1 De Draagbare van Doorn, samengesteld en ingeleid door Gerry van der List, Amsterdam, 1996, p. 164-172