Het fundament in India (2)
1997-04-18
Reductie van de belijdenis tot een mini-stelsel, bijvoorbeeld de Apostolische Geloofs Belijdenis, is een heilloze weg. Dan vervang je het ene papier door het andere papier. Enerzijds blijkt er van de AGB nog wel een woordje af te kunnen zonder onherstelbare schade toe te brengen. Anderzijds hebben we vandaag méér nodig dan in de tweede eeuw. Geen reductie dus, zei ik, maar wel concentratie. En een helder onderscheid tussen het fundament van de kerk en de opbouw. Daarmee eindigen we in het vorige nummer.- Jaargang 41
- nummer 8
Over die concentratie het volgende. Ik bedoel daar natuurlijk mee: concentratie op Christus en zijn verlossend werk. De kerk is niet gebouwd op papieren, of het nu een mini-papier is (de AGB) of een maxi-papier (de Drie Formulieren). De kerk is gebouwd op het ene fundament van Jezus Christus en die gekruisigd. Of, met de woorden van Jezus: "op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen" - dat is op de belijdenis van Petrus: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God". Voor de goede orde: dat is precies wat onze belijdenis-geschriften willen. Iedere bladzij getuigt daarvan.
Maar wat ik wil zeggen is: we moeten het hebben van de inhoud van onze belijdenis, heel de belijdenis, meer dan van een discussie over de formele bewaking ervan.
Dat lijkt me in een tijd van geestelijke verwarring als de onze meer nodig dan ooit. Ds. Mudde schreef er helder over in ons vorige nummer. De lucht zindert van het spreken over God, tot en met een speciaal boekenweekthema toe. Maar je kunt nog zoveel zinderen over God, zonder Christus kom je in de woestijn.
Aan wat ds. Mudde erover schreef wil ik nu toevoegen: dit gebeurt niet alleen in de wereld van boeken en tijdschriften, maar ook in de kerk zelf.
Een positieve zaak is, dat veel mensen (lang niet iedereen) vandaag vrijmoediger over God spreken. In één van de brieven die we ontvingen voor 'Wat mij bezielt' schrijft een oudere zuster over vroeger: "Het spreken over de Here in de dagelijkse omgang was niet zo makkelijk als nu, het was, nu ik daar achteraf over denk, te wettisch en te weinig op persoonlijk geloof gericht. Als ik nu in jullie gezinnen kom, vind ik het heerlijk om de openheid te zien in het omgaan met de Here en het bidden van de kleintjes, ook het kring-gebed vind ik samenbindend."
Prachtig om deze blijdschap van een oudere zuster te lezen! Mijn catechisanten ervaren die openheid ook op school. Je bent vaak een eenling, als je gelooft. Maar minder dan vroeger vinden anderen het 'gek' om over God en geloof te spreken.
Mag ik er zijn?
Deze openheid heeft ook een andere kant. De werkelijkheid waarbinnen wij geloven is ook open in die zin dat de kaders weggevallen zijn. Laat ik maar in het midden laten of dat bij anderen ook zo is, bij ons is het in elk geval zo.
Je ziet dat we boeken en gedachten en manieren van geloof importeren uit allerlei hoek, rijp en groen. Je merkt, dat de vragen van jongeren (nee, van mensen) niet zozeer de vragen van de Catechismus zijn (waaruit ken ik mijn ellende, hoe kan ik verlost worden en hoe leer ik dankbaar zijn), maar de vragen van nu. Mag ik er zijn, wie geeft er om mij, hoe ga ik echte relaties aan, waar vind ik rust en hoe echt ben ik zelf?
Het helpt weinig om te roepen dat we de oude kaders nodig hebben. Wapperen met kerkelijke papieren doet het ook niet echt. Wat we als kompas nodig hebben, dat is het geloof in Christus en zijn genade. Van daaruit, nee, van Hem uit, zullen we alles moeten ijken waar we mee bezig zijn.
En alleen wat we met Hem verbonden doen, kan vrucht dragen. Daar zit overigens nog meer dan genoeg aan vast.
Want je moet dan vragen wat genade is en hoe al die noden en vragen van vandaag met genade te maken hebben.
Dàt is, in elk geval voor onze kerken, de urgentie van onze tijd, meer dan de hekjes en hokjes. En als je daarmee bezig bent, heus, dan zul je zien dat onze belijdenis als geheel kan helpen om ons bij dat centrum te bewaren.
Bouwen en groeien
Vanuit de Bijbel zelf kwam ik tijdens mijn lessen in India op dit spoor bij de uitleg van Efeze 3: 18, dat we "geworteld en gegrond in de liefde" samen met alle heiligen zullen verstaan hoe hoog en breed en diep de liefde van Christus is. Het gaat me nu vooral om die woorden, waarin Paulus bidt dat we geworteld en gegrond in de liefde zullen zijn. Hij gebruikt daarin twee beelden door elkaar. Het beeld van een boom die wortels heeft en dat van een huis dat gegrond is, een fundament heeft. Je ziet dat zomaar voor je: een boom die geen wortels meer heeft kan er mooi uit zien, maar je weet op voorhand dat de bladeren gauw zullen vallen en zeker dat er geen vrucht aan komt. Een huis zonder fundament verzakt en 't valt in puin bij zwaar weer.
Vandaar dat Paulus bidt, dat de Efeziërs hun wortels in de liefde zullen hebben en dat de liefde hun fundament zal zijn. Welke liefde is daarmee bedoeld? Je zou kunnen zeggen, dat je drie typen kerk hebt, afhankelijk van het antwoord op die vraag. Als je aan naastenliefde denkt, tja, dat zou zijn wat we vroeger 'horizontalistisch' noemden. Is het dan de liefde tot God? Dat klinkt vromer, maar stel je even voor dat mijn liefde tot God de bron zou zijn waaruit ik drink of het fundament waarop ik bouw... Heb je daar op termijn voeding aan, en vaste grond? Een van de studenten in India riep spontaan 'arminianism' toen ik dit besprak en in wezen had hij daarmee precies gelijk.
Maar wat Paulus werkelijk bedoelt, is de 'liefde van Christus' (vgl. vs. 19) en daar moeten we het toch van hebben?
Als je wortels drinken van de liefde van Christus en als je huis gebouwd is op de liefde van Christus, dan alleen kun je gevoed worden en vrucht dragen; dan alleen kun je ook staande blijven tegen allerlei wind van leer. Als ik spreek over de noodzaak van concentratie op het werk van Christus, dan bedoel ik daarmee dat het bij alle verwarring er vooral op aankomt: blijven we drinken uit de bron, blijven we bouwen op het fundament?
In dit bijbelwoord uit Efeze 3 zie je zo prachtig de vermenging van die twee beelden: een groeiend iets, en een huis dat gebouwd wordt. Dit is een geliefde mengeling van de apostel als hij over de kerk spreekt. Het is een groeisel en een bouwsel tegelijk. Allebei die aspecten heb je nodig. Spreek je over de kerk alleen als een bouwwerk, dan wordt het te statisch, zelfs wanneer het een huis in aanbouw is.
De kerk is niet alleen een huis om te wonen of een tempel voor de eredienst, maar er zit groei en dynamiek in en God vraagt naar de vrucht ervan.
Maar anderzijds gaat het niet alléén om de vrucht van de kerk, maar ook om het huis zèlf, het bouwwerk van levende stenen. Vandaar die twee beelden van groeien en bouwen. Een tempel, die opwast. Een lichaam, dat zichzelf opbouwt.
Gods akker en bouwwerk
Welnu, dit dubbele beeld komen we ook in 1 Corinthe 3 tegen, het hoofdstuk waarin Paulus zegt dat er maar één fundament ligt en dat daarop met heel verschillend materiaal gebouwd wordt. Dit beeld is in de samensprekingen van Ned. Geref. zijde gebruikt om aan te geven dat niet alles in de leer even fundamenteel is; het heeft bij de broeders aan de Vrijgemaakte overzijde veel losgemaakt. Maar voordat ik daarop in ga, plaats ik het gebruikte beeld even in z'n verband: Paulus gebruikt ook hier weer het dubbele beeld van een groeisel en een bouwsel. Eerst spreekt hij over de gemeente als een akker, waarop hij zelf geplant heeft terwijl anderen de irrigatie verzorgden. Daarna spreekt hij over de gemeente als een bouwwerk, een tempel, waarvan hij zelf het fundament heeft gelegd en anderen de opbouw deden. De twee beelden worden verbonden in 1 Corinthe 3:9: "Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij."
Over dat bouwwerk schrijft hij dan, dat het fundament, namelijk Jezus Christus, beslissend is. En dat het wel uitmaakt of daarop gebouwd wordt met goud of zilver, dan wel met hout, hooi of stro, maar dat dit ten eerste pas op 'de dag' zal blijken en dat dit ten tweede niet beslissend is, omdat zelfs iemand die met stro gebouwd heeft, nog behouden zal worden als hij maar op het ene fundament bouwde.
In het verband van 1 Corinthe 3 is de strekking bijzonder duidelijk: de mensen waren zo ellendig gauw klaar met hun oordeel over de verschillende knechtjes van God. De een hing Paulus aan, een ander Apoilos en een derde hield het op Cefas. Maar, aldus de apostel, het gaat niet om de planter of de begieter, maar om de wasdom en die geeft God alleen. Of, tweede beeld, het gaat er zelfs niet om of Gods ene knechtje met mooier materiaal bouwt dan de ander, maar het gaat om het fundament. En als je blijft vitten op het materiaal van de bouwers, bedenk dan wel: jullie zijn het gebouwen dat gebouw is een tempel. "Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden."
Relativisme
Welnu, toen onze Commissie voor Contact en Samenspreking met de Vrijgemaakten sprak, toen hebben we geschreven: in gesprek met u hoeven we onze waardering voor de gereformeerde belijdenis niet zo uitvoerig te belichten; daar zouden we het snel over eens zijn. Maar we ontkomen er, gezien ons gezamenlijk verleden, niet aan om te bespreken om welke zaken een kerk ambtsdragers zou mogen schorsen. "In geding is dus niet of ambtsdragers zich moeten verbinden aan de gereformeerde belijdenis, maar in welke gevallen je aan een afwijking disciplinaire maatregelen moet verbinden.
We erkennen een verlegenheid op dit punt, maar we menen er niet aan te ontkomen om van geval tot geval te oordelen." Onder verwijzing naar 1 Cor. 3 schreven we toen: "Bij ons zal daarom een dienaar van Christus niet gauw geschorst worden als hij op enig punt afwijkt van de belijdenis wanneer de kerken niet de overtuiging hebben, of dat deze afwijking een aantasting is van het ene fundament, namelijk Jezus Christus, of dat deze afwijking het bouwen op dit ene fundament hindert. Deze terughoudendheid komt niet voort uit relativisme, maar uit de bezorgdheid om niet (nu of straks!) van de Opperherder te horen te krijgen dat wij Gods tempel geschonden hebben."
Als gezegd, deze opmerkingen hebben veel uitgehaald. We schreven er eerder al eens over. Nu zijn daar maar liefst vijf hoofdartikelen in 'De Reformatie' bijgekomen, van de hand van ds. J.J. Burger. De hoofdlijn van zijn kritiek is, dat wij hiermee de binding aan Schrift en belijdenis minimaliseren en in feite reduceren tot 'Christus alleen en genade alleen'. Ons gebruik van 1 Corinthe 3 is de doodsteek voor de leertucht en kan daarom niet kloppen.
Eerder betoogde hij, dat het in dit hoofdstuk niet over de leer, maar over het leven gaat; bouwen met hout of stro zou dan betekenen dat zelfs iemand op gereformeerde grondslag nog flink kan zondigen. In de recente artikelen is de schrijver ruimer. Paulus kan nu eventueel ook leerverschillen bedoeld hebben, maar dan gaat het "om kleinigheden, zoals het eten van offervlees of het houden van bepaalde feestdagen". Een heel aparte opmerking, trouwens. Voor Paulus' wereld waren dit immers de hot issues, waarbij vergeleken de veronderstelde wedergeboorte peanuts zou zijn. Hoe dan ook, gezien het geheel van wat de Bijbel zegt over de leer en de zuiverheid van de leer, mag je het fundament niet beperken tot Christus en zijn genade - aldus ds. Burger. We denken nog één artikel nodig te hebben om hierop in te gaan. En daar zal dan weer wat meer India in zitten...