Het lied van een domme wijze bezien

1997-04-18
  • Jaargang 41
  • nummer 8
In het tweede februarinummer van Opbouw staat op pagina 68 het Lied van een domme wijze van Johan Klein vermeld. Nu is het niet mijn gewoonte direct met een ingezonden brief te reageren op het in Opbouw gepubliceerde.
Dat laat ik graag over aan predikanten of anderen die graag schrijven.
Maar nu wil ik na het lezen van dit lied iets kwijt, naar ik meen tot opbouw van de lezers en zangers en ook de dichter.


Nieuwe kerkliederen
Na de publicatie van een aantal nieuwe kerkliederen in het groene bundeltje(1) werd het in onze kerken stil rond het nieuwe kerklied. Een bundeltje waarin nieuwe zaden werden gezaaid, maar waarvan gelukkig niet ieder zaadje opkomt in het gezang der gemeente. Want er zitten naar mijn indruk minder goede liederen bij. Zo is ook mijn indruk van het Lied van een domme wijze. In het volgende maak ik duidelijk waarom dit lied beter in de aarde kan blijven.

Terug naar Spreuken
Na het lezen van het lied sloeg ik Spreuken 30 op om aan de hand van de bijbeltekst het lied te volgen. Het is een aardige vondst 'Agur, de zoon van Jake' in de ondertitel weer te geven met 'Agur Jakema'. Daarna valt de dichter meteen in huis met Als ik mijn speurzin naar de hemel wend, zie ik...
Letterlijk zegt Van Dale over speurzin: "Aanleg voor het opsporen". Dit is in de context van het lied een onbegrijpelijke opening. Johan Klein ziet "aan de hemel hoge sterren, een felle zon en een koele maan". Een beeld dat zijn wortels heeft in Psalm 19, het loflied op de majesteit van God in de schepping. Vanuit het zien naar Gods grote schepping ervaart de dichter vervolgens dat zijn domheid wordt ingeprent.
Nu kun je met domheid twee kanten op. In de eerste plaats het dom-zijn: weinig verstand hebben. Of als tweede een domme streek uithalen.
Bedoelt Klein nu dat het aanwenden van de speurzin naar de hemel een domme streek is? Volgen we de verzen 1 en 2 van Spreuken 30 dan zien we een man die worstelt met God. En die zichzelf in die worsteling ziet met al het menselijke dat in het niet zinkt tegenover de grootheid van God. Die kleinheid is iets heel anders dan domheid. Of heeft de dichter soms teruggegrepen naar de woorden 'onvernuftiger dan enig mens', wat letterlijk betekent 'redeloos vee'(2). In vergelijking met Gods wijsheid is ons verstand te vergelijken met dat van een koe. Een typische vorm van Joodse overdrijving om de gedachte scherp aan te zetten. Maar van domheid zoals wij dat verstaan in ons begrippenkader is hier geen sprake, wel van kleinheid, nietig zijn. In de volgende strofe vraagt de dichter Wie bindt het water in zijn kleed?

Een onbegrijpelijke zin waarvan de beeldspraak ook niet overkomt. Bijna letterlijk zoals in Spreuken staat: "Wie heeft de wateren samengebonden in zijn kleed". Bijna letterlijk, maar toch een groot verschil: 'het water' of 'de wateren'. Lees ik dan de kanttekeningen die verklaren: "De regenbrengende wolken staan God ter beschikking".
Dat is duidelijk, met dat beeld kan ik iets, kan ik mij verwonderen over de grote God.
Het hoogtepunt van dit lied komt in de derde strofe en herhaalt zich breder in de laatste strofe:
Heb ik dan nooit Gods diepste naam gehoord:
zijn naam die 'Ik ben bij u' luidt?
Spreekt Hij niet in zijn Zoon Zich uit als 'Vader', in zijn vleesgeworden Woord?

Johan Klein geeft vorm aan de laatste regel van vers 4 van Spreuken 30:
Hoe is zijn naam en hoe de naam van zijn zoon?

Bedoelde Agur nu een verwijzing naar Gods Zoon, naar de in Bethlehem geborene? Als dat zo was, dan hadden onze vertalers 'zoon' wel met een hoofdletter laten beginnen. Nogmaals de kanttekeningen erop nageslagen.
Bij deze regel staat de noot:
Welke mens met naam en toenaam kan God narekenen. Anderen laten deze uitdrukking op God slaan...
Geheel onjuist is het, om dan in 'zijn zoon' de tweede Persoon van de Drieëenheid te willen zoeken...

Wanneer een dichter een perikoop uit de Bijbel gebruikt als uitgangspunt voor een lied, dan moet hij wel blijven bij de gedachten die in het geciteerde zijn bedoeld. Je fantasie de vrije loop laten als je het woord 'zoon' leest, is mijns inziens dan niet toegestaan.
Want daarmee wordt voor de lezer, de zanger iets toegevoegd, iets ingevuld dat er niet staat. En dan denk ik aan vers 6 van Spreuken 30: doe niets aan zijn woorden toe.

Is het een mooi lied?
Eerlijk gezegd vond ik de woorden van Agur mooier en beter te begrijpen. Het gedicht van Johan Klein voegt wel toe, maar niet in duidelijkheid. Hij springt van de hak op de tak. Begint met Psalm 19, volgt een aantal gedachten van Spreuken 30. Denkt even aan Jesaja bij 'Gods knecht uit Bethlehem'.
Combineert dat tot Johannes' vleesgeworden Woord. Ook is het geschrevene niet altijd duidelijk. Ik moest de zin
Spreekt Hij niet in zijn Zoon Zich uit als 'Vader', in zijn vleesgeworden Woord? ettelijke keren lezen om er iets van te begrijpen.

In strofe 4 staat: elk woord van U ... brandmerkt wie het herschrijft.
Het onderwerp is dus 'woord van U' en de handeling 'brandmerken'. Nu is het doel van brandmerken een onuitwisbaar (eigendoms)merk aanbrengen.
Dat is niet duidelijk en ook niet juist, zie Spreken 30 vers 6: Doe niets aan zijn woord toe, opdat Hij u niet terechtwijze...

Hier is het Hij, God die handelt en wel een terechtwijzing geeft. Terechtwijzen heeft tot doel je tijdig terug te brengen van de dwaalweg. Door Christus is er dan vergeving, het is uitgewist.
Soms komt er een tussenwoordje ten behoeve van een later rijmwoord:
Heer, houd mij vast - ik huiver:
elk woord van U is zuiver.
Enkele rijmwoorden zijn minder fraai:
wenste - mensen! (strofe 1)
schild - schuilt (strofe 3en 5).

De melodie die voor dit lied geleend is, is oorspronkelijk van Psalm 40. In de berijming van die psalm volgt de dichter de opbouw van de muziek: een zin van vier regels, de volgende twee zinnen van elk drie regels. Johan Klein volgt die opbouw van de melodie in de strofen 1 en 4.
In de strofen 2 en 5 behoort de vijfde regel Wie stelt de mens zijn grenzen?
inhoudelijk bij van de eerste vier regels en niet tot de volgende regels zoals je zou verwachten. In strofe 3 wordt het eerste blokje van vier regels in twee zinnen gespleten (met als onderwerpen ik en Hij) waar de melodie om eenheid vraagt. Het rijkelijk gebruik van leestekens maakt het lezen, het zingen er niet eenvoudiger op:
- gedachtenstreepje 4 maal
" aanhalingstekens 2 paar
: dubbele punt 7 maal
! uitroepteken 4 maal
? vraagteken 10 maal.

Tot slot
Met de verwondering en het getob van de Spreukendichter Agur Jakema is Johan Klein op stap gegaan. Maar onderweg ziet hij zoveel andere dingen dat hij Agur overstemt. Je (brand)merkt dat hij herschrijft en toevoegt. Al met al het lied nogmaals lezend overheersen de vraagtekens.
Het is geen mooi lied.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief