Antwoord op 'Het lied van de domme wijze bezien' van L.A.F. Godschalk

1997-04-18
  • Jaargang 41
  • nummer 8
Reaktie van de dichter
Pretlichtjes kwamen er in mijn ogen toen ik de reaktie van de heer Godschalk las. Laat ik beginnen de onderliggende angst die hij onder het kopje 'Nieuwe kerkliederen' uitspreekt, weg te nemen. Wanneer ik in Opbouw een lied publiceer, staat dat niet in het kader van 'het nieuwe kerklied'. Zulke liederen zijn niet dwingend bedoeld voor gemeentezang.Voor een reformatorische gezangenbundel zou ik dit lied hoogstwaarschijnlijk afkeuren; voor een rubriek 'Schriftberijmingen' komt het in ieder geval niet in aanmerking.
De heer Godschalk zal ook bij zijn eigen liedteksten, waarin hij soms vrolijk Van Dale negeert, niet specifiek aan gemeentezang denken.

Speurzin en domheid
Louis Godschalk heeft gelijk: de eerste zin kan niet. Ik had willen beginnen met: "Als ik mijn speurzin op de hemel richt", maar dan miste ik het rijmwoord op 'ingeprent'. Ik zal er van maken: "Als ik mijn ogen naar de hemel wend"; een beetje cliché, maar dat moet maar.
Bij 'domheid' heeft hij ongelijk. Volgens Koenen heeft het woord twee betekenissen: 1. het domzijn; 2. domme streek. De eerste betekenis had ik op het oog: "Mij wordt weer eens ingeprent hoe dom ik ben".
Het begin van het lied refereert niet aan Psalm 19: daar vertelt het uitspansel iets over God; in mijn lied wordt de dichter teruggewezen, zijn naar Godskennis speurende blik stuit af op de hooghartigheid van de sterren, de verblindende felheid van de zon, de ongenaakbare koelheid van de maan.
Waar kan hij God dan wél vinden? In zijn naam, in zijn woord, onder het kruis van zijn Zoon. Daarover zingt dit lied.
Heeft dat nog iets met Agur en Spreuken 30 te maken? Agur, een Arabier aan het hof van koning Hizkia(?) (K.v. blz. 312 onderaan), kwam onder de indruk van de betrouwbaarheid van de Thora, van de woorden van God. Van Gods woord met een kleine letter maak ik een sprong naar Gods Woord met een hoofdletter: Gods vleesgeworden Woord uit Joh. 1. Daarbij maak ik dankbaar gebruik van Agurs vraag: "Hoe is de naam van zijn zoon?"
Natuurlijk heeft Agur niet aan Gods zoon, aan de Christus gedacht: dat lag buiten het bereik van zijn wijsheid.
Evenmin als de dichter van Psalm 8 aan Christus dacht toen hij dichtte: "Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij naar hem omziet?" Maar de schrijver van de brief aan de Hebreeën maakt er dankbaar gebruik van door dat woord op Christus toe te passen: "Maar wij zien Jezus!" (2:9). En zo doet men dat regelmatig in het Nieuwe Testament en zo hebben de kerkvaders ook Spreuken 30:4 ge(her)interpreteerd.
Dit lied is dan ook geen Schriftberijming: ik loop twee coupletten lang met Agur op, om daarna een bergpad in te slaan dat in Agurs dagen nog aan het gezicht was onttrokken.
Van 'herschrijven en toevoegen' aan Gods woord, zoals Nico ter Linden dat doet (of van een 'afbouwen' van Gods woord, waar Kuitert mee bezig is) is hier geen sprake - al kon ik mijn pret niet op bij Godschalks zinnetje: "Je (brand)merkt dat Klein herschrijft en toevoegt." Misschien ben ik mij te buiten gegaan aan nieuwtestamentisch 'vernuft'. Ik had het aanvankelijk dan ook ingezonden voor het Kerstnummer.

Een vriendelijke terechtwijzing?
Godschalk denkt bij de wateren die God in zijn kleed heeft gebonden, aan de wolken; ik heb gedacht aan oceanen en vloeden, omdat de gelijkenis tussen Spreuken 30:4b en Psalm 104:5-9 zich dwingend aan mij opdrong. Vandaar dat ik in strofe 5 ook durf te schrijven dat Christus de zondvloed in zijn kleed heeft vastgebonden: de wateren zullen de aarde niet weer bedekken.

Ook in strofe 4 is er die verwijzing naar Christus, in dit geval naar Joh. 12:48: "Wie mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft één die hem oordeelt: het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de jongste dag." Godschalk heeft in dit verband bezwaar tegen het woord 'brandmerken'.
Hij denkt bij Spr. 30:6 kennelijk aan een vriendelijke terechtwijzing om iemand 'tijdig terug te brengen van een dwaalweg'. Maar het is iets veel ergers waarvoor Agur waarschuwt: voor de situatie dat iemand openlijk als een leugenaar te kijk staat, als leugenaar 'gebrandmerkt' wordt. Brandmerken werd in het verleden voor méér doeleinden gebruikt dan het 'aanbrengen van een onuitwisbaar (eigendoms)merk'. Zo werd in het 16e-eeuwse Frankrijk een praktizerende pedofiel gebrandmerkt op het voorhoofd, zodat iedereen hem voortaan als 'knapenschender' zou herkennen.
Zo'n man liep z'n leven lang te kijk.
Waarom koos ik voor zo'n zwaar woord als 'brandmerken'? In de Hebreeuwse grondtekst staat een werkwoord dat in deze vorm vier betekenissen kan hebben: terechtwijzen; verwijten; tuchtigen; straffen. Ik koos voor de laatste betekenis, omdat Agurs woorden hier als twee druppels water lijken op de vervloekingsclausule die aan iedere verbondssluiting werd toegevoegd en die we ook nog eens tegenkomen in Openbaring 22:18: "Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen die in dit boek beschreven zijn."
Onder zulke bedreigingen werd in oudtestamentische tijden ieder verbondscontract getekend, iedere akte verzegeld. De Arabier Agur realiseerde zich, zo 'onvernuftig' als hij mocht zijn, dat hij in de Thora met de verbondsakte van de Allerhoogste God te doen had! Daarom waarschuwt hij voor iets veel ergers dan voor een milde 'terechtwijzing', hij waarschuwt voor een (verterend) vuur waaraan je je maar beter niet kunt branden! "Handen af van de Schrift", roept hij zijn collega-wijzen toe, "anders brand je je eraan!"
Dr. J.H. Kroeze uit Potchefstroom geeft het in de Paraphrase als volgt weer: "Voeg niets aan zijn woorden toe. Wil niets weten boven die zuivere openbaring, opdat Hij u niet terechtwijze en ge gebrandmerkt wordt als iemand die onjuistheden verkondigde."
Wie aan de Schrift komt, komt aan de troost die Agur Jakema - en een domme Rijswijkse wijze mét hembuiten zichzelf heeft gevonden. De enige handen die aan de Schrift mogen komen, zijn gelovige handen: wie zijn hand op Gods beloften legt, ervaart dat Hij "een schild is voor wij bij Hem schuilen".

Literaire fijnproevers
Terug naar de eerste vraag: is dit lied geschikt voor gemeentezang, voor opname in een reformatorische gezangenbundel?
Ik ben geneigd hierop ontkennend te antwoorden. Daarvoor is de sprong die ik maak van het Woord met een hoofdletter in strofe 3 naar het woord met een kleine letter in strofe 4 (en weer terug naar het Woord met een hoofdletter in strofe 5) waarschijnlijk te verwarrend. Een kerklied moet helderheid en een zekere eenvoud bezitten. Overigens werd dit lied op een dag van het Christelijk Literair Overleg (t.g.v. het chr. boekenweekgeschenk) gepresenteerd en gewaardeerd als een 'kerkliedtekst'.
Na afloop kwam Hans Werkman nog op me af om van zijn waardering voor dit lied blijk te geven. Maar bij de vraag of een lied geschikt is voor gemeentezang, is het uiteindelijk niet de smaak van de literaire fijnproevers die de doorslag moet geven. Het is goed dat daar nog eens de aandacht op is gevestigd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief