Leven uit de bron

1997-04-18
  • Jaargang 41
  • nummer 8
In de vorige jaargang van Opbouw is het referaat gepubliceerd, dat drs. H. de Jong gehouden heeft op de ouderlingenconferentie van 1995 onder de titel: Gemeente-zijn naar binnen, gemeente-zijn naar buiten(1).
De Jong meende te signaleren dat er momenteel een soort competitie gaande is tussen het gemeente-zijn naar buiten en naar binnen, waarbij de voorkeur nogal eens wordt gegeven aan het eerste (40/4). D.w.z. dat er alle nadruk wordt gelegd op het naar buiten treden va n de gemeente in evangelisatie. De Jong pleit er voor hiertussen geen ongezonde en onnodige spanning te creëren. Want er is geen buiten zonder binnen. Z.i. is de wereld buiten de kerk het meest gediend met een gemeente, die zich sterk concentreert op het eigen gemeente-zijn. En juist in een tijd van sterke secularisatie is het heel belangrijk zelfonderzoek te houden om antwoorden te vinden op de vragen die de situatie in de wereld ons stelt.


Extravert of introvert
Parallel met de publicatie van de lezing van De Jong over de taak van de kerk in deze wereld verschenen in Opbouw twee artikelen van ds. K.B. Holwerda onder de titel: 'Hoe krijgen we de gemeente missioneir?'(2). Holwerda stelt vast dat er wel degelijk werk aan de winkel is voor een missionaire gemeente, gezien de steeds sterker wordende vraag naar religieuze zaken (40/5). Maar het is een vergissing te menen, dat de gemeente missionair te máken is. Daar zal eerst een bekering van het hart aan vooraf moeten gaan.
B.v. bekering van de gedachte, die vaak heel diep zit, dat het leven zonder God in wezen prettiger is dan met Hem.
Het besef zal moeten groeien, dat alleen het leven met Hem glans en betekenis heeft.
Tenslotte kwam de vraag naar de taak van de kerk in dezen vorig jaar ook helder aan de orde op de 11e Ontmoetingsdag van onze kerken in Barneveld.
Het thema van deze dag was 'Weg van de kerk'. In het themanummer van Opbouw, dat aan deze dag gewijd was(3), vroeg dr. R.R. Ganzevoort zich af wat het bestaansrecht is van onze kerken, zowel landelijk als plaatselijk. Wat is het 'mission-statement' van onze kerk. Anders gezegd: Hebben we een helder antwoord op de vraag of we deze maatschappij iets te bieden hebben?
En zo ja, wat hebben we dan te bieden? Ganzevoort meent, dat we op deze vragen nog geen antwoord hebben.
Hij zelf zoekt dat antwoord, net als Holwerda dus, in geestelijke verdieping.
Daarnaast moet er een grondige bezinning komen op ons beleid. Hebben we visie voor de verkondiging van het evangelie in een donkere wereld? Wat vraagt de huidige cultuur aan vormen?
En als we erkennen dat de zendingsopdracht fundamenteel is voor het gemeente-zijn, wordt het dan geen tijd om ons eigen gemeente-zijn daarop te doordenken? Zijn onze erediensten b.v. toegankelijk voor buitenstaanders? Zijn onze andere activiteiten open voor gasten?
Zowel De Jong als Holwerda en Ganzevoort dringen er dus op aan, dat er bezinning plaats vindt op het gemeente-zijn.

Van Bron tot bron
Onlangs verscheen een boekje, dat uitstekend dienst kan doen als leidraad bij die bezinning. De titel van deze bijdrage is de titel van het boekje: 'Leven uit de bron'. En het is bedoeld als een basiscursus voor geloofsontwikkeling met het oog op gemeenteopbouw. De schrijver is drs. MA Noorloos, predikant voor missionaire gemeenteopbouw in dienst van de Gereformeerde Kerken (syn.) in Gelderland. En in het kader van deze taak heeft hij een cursus ontwikkeld, die hij in dit boekje presenteert.
De titel heeft Noorloos ontleend aan twee passages uit het evangelie naar Johannes.
De eerste is Joh. 4, waar de Heiland de Samaritaanse vrouw wijst op het water, dat in ieder die ervan drinkt wordt tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven (vs. 14). En de tweede passage is Joh. 7,37vv, waar Jezus zichzelf een bron noemt en verzekert dat ieder, die in Hem gelooft, zelf ook een altijd vloeiende bron zal zijn.
Kortom, aangesloten op de Bron worden gelovigen zelf tot een bron. Dat kan gelden voor individuele gelovigen, maar niet minder voor elke gemeenschap van gelovigen.
Noorloos werkt deze lijn verder uit aan de hand van drie activiteiten die, onlosmakelijk met elkaar verbonden, de kern uitmaken van het gemeentelijke leven en die hij als volgt definieert:
1. betrokkenheid bij de Heer
2. betrokkenheid bij elkaar als Zijn leerlingen
3. betrokkenheid bij Zijn werk in/voor de wereld
Het is een bekende drieslag, die ook wel wordt weergegeven als: geloofgemeenschap - dienst, zeg maar de G.G.D. van de gemeente. Hiervan zegt Noorloos terecht: "Dit drietal vormt de onvervangbare kern van de kerk en geen van drieën is dan ook te missen zonder de kerk wezenlijk tekort te doen en dus in haar kern te beschadigen" (blz. 9v). Maar hij waarschuwt er voor, dat het niet blijven moet bij een theoretische aanvaarding van deze drieslag, terwijl er in de praktijk niets van te ervaren is. Daarom pleit hij ervoor dat in de gemeente in allerlei kringen tot en met de zondagse erediensten alsook in het persoonlijk leven van de gemeenteleden de drievoudige betrokkenheid op de Heer, op elkaar en op de wereld regelmatig wordt beoefend.
Te beginnen uiteraard met de betrokkenheid op de Heer van de kerk, die immers de Bron van het leven is. Hij signaleert, dat aan het werken aan een levende relatie met Christus helaas nog maar al te vaak geen prioriteit wordt gegeven. Het gevaar is groot, dat het kerkenwerk in al zijn facetten teveel verzakelijkt is. Hij pleit er voor, dat commissies, werkgroepen en zeker ook kerkeraden allereerst als geloofsgemeenschappen functioneren om juist zo ook goede werkgemeenschappen te kunnen zijn. Maar al te vaak vormen de zgn. 'christelijke opening' met Schriftlezing en gebed en de dito sluiting niet meer dan de religieuze omlijsting van een vergadering. Maar zou het niet meer een moment van wezenlijke bezinning moeten zijn, een gretig drinken uit de Bron?

Oog voor elkaar en voor de wereld
Wijlen prof. dr. J.P. Versteeg heeft ons destijds op voortreffelijke wijze gediend met zijn woordstudie 'Oog voor elkaar'(4), waarin hij alle teksten uit het N.T. bespreekt, waarin het woord 'elkaar' een rol speelt. En hij heeft zo duidelijk kunnen maken, dat in de gemeente van Christus het samenleven hierdoor gestempeld wordt. De kerk is de gemeenschap waarin men elkaar aanvaardt, vergeeft, opbouwt, bemoedigt, dient, kortom: elkaar liefheeft, zoals de Heer ons heeft liefgehad.
Maar dan zullen er ook kringen en verbanden moeten zijn, waarin men elkaar ontmoeten kan om daaraan vorm te geven. Op de laatste landelijke ouderlingenconferentie is hiervoor ook nog eens weer gepleit door ds. Storms(5), Want de zorg in de gemeente is volgens Storms een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Ja, de zorg van de kerkenraad kan z.i. pas functioneren op basis van onderlinge bemoediging en vermaan. En nogmaals, daarvoor zijn binnen de gemeente kringen nodig waarin mensen elkaar ontmoeten om deze verantwoordelijkheid te concretiseren en de onderlinge geloofsopbouw te bevorderen.
In deze kringen zal een sfeer moeten groeien, waarin men hierin ook heel open zal kunnen zijn. Zo open, dat er ook voor de twijfel en de kritische vragen alle ruimte zal zijn. Ik denk hier ook aan wat ds. J. Kranenburg schreef als reactie op het hierboven genoemde referaat van drs. H. de Jong(6). Hij signaleert, dat het geloven vandaag in een enorme crisis verkeert. Dat geloven wordt in onze tijd op ongekende wijze geschud in de zeef van satan. Omdat het lijkt alsof Jezus Christus er in onze tijd helemaal niets toe doet. En hij vraagt zich af of in onze kerkdiensten niet maar al te vaak antwoorden worden gegeven op vragen, die allang niet meer gesteld worden. En dan pleit ook Kranenburg voor een radicaal zelfonderzoek om met onze antwoorden weer bij de tijd te raken. We moeten daarom elkaar lastig moeten kunnen vallen met al onze twijfels en problemen in verband met de bijbelse boodschap. En we moeten het ook aandurven de vragen een tijd lang open vragen te laten zijn.
Ook daarin zal de kerk zich als een gemeenschap van Christus moeten bewijzen. Ook dit heeft uiteindelijk alles te maken met geloofsopbouw.
Maar juist die onderlinge geloofsopbouw dient er vervolgens op gericht te zijn, dat de gemeente daarmee naar buiten treedt, de wereld in. Al is dat ook een wereld, die meestal niet op de boodschap van (de Heer van) de kerk zit te wachten. Er is duidelijk sprake van een grote verlegenheid bij veel christenen en christelijke gemeenschappen over wat wij de wereld te bieden hebben.
En als gevolg daar van beperken veel kerkenraden zich tot louter passen op de winkel: het zo goed mogelijk draaiende houden van allerlei activiteiten puur omwille van die activiteiten.
Maar daarmee doen wij Christus èn de wereld tekort. En daarom is het beslist noodzakelijk, dat gemeenten in haar geheel gebracht worden tot een proces van bezinning op haar roeping in en voor de wereld.

Een opbouwplan
Noorloos biedt in het tweede deel van zijn boekje een praktisch opbouwplan aan om de door hem genoemde drie betrokkenheden daadwerkelijk te beoefenen.
Het gaat om een cursus van vijf dagdelen van elk zo'n 21,5 uur. Het eerste dagdeel is bedoeld om deelnemers aan de cursus te informeren over inhoud en opzet van de cursus. Dan volgen er drie dagdelen, waarop elk van de drie 'betrokkenheden' besproken worden met resp. als thema's: zélf leven uit de Bron, sámen leven uit de Bron en ánderen laten leven uit de Bron. En het vijfde dagdeel gaat het over de vraag, hoe de bezinning is om te zetten in beleid. Het advies van Noorloos is om de dagdelen 2 t/m5 met een tussenpoos van twee weken te geven.
Voor elk van de vijf dagdelen geeft Noorloos een uitgewerkt programma en aanwijzingen voor degene, die als cursusleider optreedt. Ook heeft hij voorzien in een zesde dagdeel, waarop een half jaar na afsluiting van de cursus geëvalueerd kan worden hoe de deelnemers er in de praktijk mee gewerkt hebben. Het aardige en ook uitdagende van de opzet van deze cursus is, dat het gaat om wat 'ervarend leren' wordt genoemd. Zo wordt er aan het eind van het tweede dagdeel, dus de eerste bijeenkomst waarin concreet een thema aan de orde komt, aan de deelnemers gevraagd om m.b.t. dat thema 'bouwstenen' voor beleid aan te reiken. Deze bouwstenen kunnen worden vastgelegd in een 'werkdocument', dat dan weer dienst kan doen bij het vormen en uitzetten van beleid. In een bijlage worden suggesties voor dergelijke 'bouwstenen' gedaan.
Noorloos acht het van essentieel belang, dat met name de predikant zich goed kan vinden in de inhoud en de opzet van de cursus, omdat hij de aangewezen figuur is om het proces van geloofsontwikkeling met het oog op gemeenteopbouw te begeleiden. Als de predikant hier niets voor voelt, dan kan z.i. beter niet met deze cursus gestart worden. Wat Noorloos hier zegt m.b.t. de predikant zou ik liever willen uitbreiden tot heel de kerkenraad. Wil een vruchtbare bezinning op de kern van het gemeente-zijn op gang komen en resulteren in beleid, dan zal de kerkenraad als het orgaan dat beleid maakt en bewaakt als eerste en liefst in haar geheel achter de uitgangspunten van de cursus moeten staan. En ze zou eigenlijk ook als eerste aan zo'n cursus moeten deelnemen. Ik heb de indruk, dat met het door Noorloos aangereikte materiaal heel goed te werken is. Het lijkt mij bijzonder nuttig om met een dergelijke cursus te starten aan het begin van een nieuw seizoen. Misschien, zoals gezegd, te beginnen met de kerkenraad.
En van daaruit, mogelijk onder leiding van kerkenraadsleden, die de cursus hebben gevolgd, kan het worden voortgezet binnen de gemeente. Ik kan me voorstellen, dat dit dan wordt ingeleid door een serie preken over de Schriftgedeelten, die in de diverse dagdelen het uitgangspunt van de bezinning zijn. Zo'n prekenserie zou ook naderhand gehouden kunnen worden.
En daarom zou ik met name de kerkenraden willen aanraden het hier besproken boekje tijdig vóór de aanvang van het volgende seizoen aan te schaffen.
De brochure 'Leven uit de Bron' van drs. M.A. Noorloos is te bestellen bij het Centrum voor Educatie, Hoofdstraat 248, Postbus 1100, 3970 BC Driebergen; tel. 0343-518334/515725; fax: 0343-523250. Voor de prijs van f 6,75 (excl. verzendkosten) hoeft u het in elk geval niet te laten!

Noten:
1 Opbouw, 40e Jaargang, nrs. 4 en 5.
2 'Hoe krijgen we de gemeente missionair?', Opbouw, 40e Jaargang, nrs. 5 en 6.
3 Opbouw, 40e Jaargang nr. 6.
4 J.P. Versteeg, Oog voor elkaar, Apeldoornse Studies No. 15, Kampen, 1979.
5 'Pastorale zorg(en), voor en door de gemeente', Opbouw, 40e Jaargang, nr. 25.
6 'Gemeente-zijn binnenstebuiten', Opbouw, 40e Jaargang, nr. 8.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief