Maranatha!, een nuancering(1)
1997-04-18
De afgelopen maanden is de heer Johan Klein uit Rijswijk in een viertal artikelen ingegaan op het belang van het levend houden van de Maranatha-gedachte.(2) Hij sprak daarin onder meer zijn zorg uit dat jonge christenen zich steeds vaker meer betrokken voelen bij wereldse problematiek, dan bij het Koninkrijk van God. Deze houding leidt tot een verduistering van het perspectief op de toekomst voor ogen houden, zien op de wederkomst van Christus, kan juist krachtig uitwerken in het leven van een christen(gemeente). Sterker uitgedrukt: een helder baken in het stormachtige westerse leven is essentieel om op koers te blijven.- Jaargang 41
- nummer 8
Als jong christen wil ik deze boodschap ter harte nemen. Ik ben de heer Klein dan ook erkentelijk voor zijn appèl. Het is vanuit deze waarderende grondhouding dat ik mij toch veroorloof een kanttekening te plaatsen.
Aanleiding hiervoor vormde het derde artikel in de reeks, waarin vragen aan de orde kwamen als: Waar haal je je informatie vandaan? Waar bid je voor?
Aan welke organisaties geef je geld?
De keuze heeft belangrijke implicaties.
Als je christelijke bladen leest, kan dat richting geven aan gebedsleven en samen met donaties aan christelijke organisaties draagt dit bij aan de voortgang van Gods Koninkrijk. Door het louter lezen van wereldlijke kranten en het ondersteunen van wereldlijke organisaties ontgaan ontwikkelingen op het christelijke front je en komen steeds meer christelijke organisaties in de financiële problemen. De algehele betrokkenheid op het christelijke werk neemt af. Met deze analyse kan ik instemmen. Zonder de informatie van Open Doors bijvoorbeeld zou ik veel minder weet hebben van de lijdende kerk. Nu kan ik daarvoor bidden (als ik dat maar eens wat meer deed!) en ook door geldelijke ondersteuning bijdragen aan het helpen van die broeders en zusters in nood.
Voorkeursbeleid?
Aan het slot van dit derde artikel staan echter enkele opmerkingen, waarmee ik toch wel moeite heb. Het lijkt op een pleidooi voor een voorkeursbeleid ten aanzien van medechristenen, die in een hulpbehoevende situatie verkeren?(3) Misschien is dit niet zo bedoeld, maar het vormde toch voldoende aanleiding om een zekere nuancering aan te willen brengen.
Ik heb al bij een eerdere gelegenheid als voorbeeld Jezus' gelijkenis over de barmhartige Samaritaan uit Lucas 10 aangehaald.(4) Hieruit maak ik op, dat de mens in nood geholpen dient te worden, zonder aanzien des persoons.
In dat artikel ging het om mensenrechtenschendingen, maar dit principe geldt ook ten aanzien van hulpverlening in bredere zin.
Voor ik op het verschilpunt inga, is het goed om aan te geven wat ons bindt.
Ook ik acht het van groot belang om christelijke organisaties te steunen. Ik steun liever Tear Fund dan Foster Parents Plan. Niet omdat die laatste organisatie slecht zou functioneren, maar omdat ik het standpunt van de heer Klein deel, dat het Woord een essentieel onderdeel van ontwikkelingshulp is. Maar, en dat is voor mij van cruciaal belang, Tear Fund zet zich in voor christenen èn niet-christe nen. Dáárom kan ik achter deze organisatie staan. Zo kan met de daad ook het Woord verspreid worden.
Overigens steun ik ook een niet-christelijke organisatie als Amnesty International, omdat ik van mening ben dat christenen en niet-christenen de handen ineen moeten slaan bij de bestrijding van het onrecht in de wereld.
Nog een tweede opmerking is noodzakelijk om eventuele misverstanden te voorkomen. Open Doors, een andere organisatie die ik van harte ondersteun, zet zich hoofdzakelijk in voor de vervolgde kerk, christenen dus. Is dat principieel te rechtvaardigen? Ja, want vanuit ons geloof hebben we de taak om medegelovigen een hart onder de riem te steken.
Laat ik met een voorbeeld duidelijk maken wat ik bedoel. Stel dat in een niet nader te noemen land twee mensen als gewetensgevangene (dus onschuldig) in de gevangenis zitten.
Eén is christen en de ander is moslim.
Indien nu een hulporganisatie, van welke signatuur dan ook, zich inzet om gewetensgevangenen vrij te krijgen, zal die naar mijn mening geen onderscheid tussen beiden mogen maken. Als het de gevangenen wordt toegestaan om geestelijke lectuur te ontvangen, zal de christen met een Bijbel geholpen kunnen worden. De moslim zou waarschijnlijk meer prijs stellen op een Koran. Hier speelt de identiteit van de hulporganisatie een rol. Van een christelijke hulporganisatie kan niet in redelijkheid gevergd worden om een Koran te verstrekken.
(Hoewel dat uit humanitaire overwegingen goed te verdedigen zou zijn.) Meer voor de hand ligt het dan, dat de moslimgemeenschap die taak op zich neemt.
Natuurlijk is dit een theoretisch voorbeeld.
In de praktijk is elke hulp een druppel op een gloeiende plaat, zodat er altijd veel meer gevangenen niet geholpen kunnen worden dan wel. Het gaat dan echter niet om het maken van onderscheid, maar om overmacht.
Mijn punt moge duidelijk zijn: Bij geestelijke ondersteuning, zoals onder meer Open Doors doet, wordt wèl onderscheid gemaakt, maar dat vloeit voort uit de aard van de zaak en is daardoor gerechtvaardigd.
Huisgenoten des geloofs
Dan wil ik nu ingaan op de argumenten, die de heer Klein aanhaalt bij wat ik geïnterpreteerd heb als een pleidooi voor een voorkeursbeleid voor hulpbehoevende medechristenen.
Hij schrijft hierover het volgende: "We kunnen straks niet bij Christus en zijn vervolgde broeders aankomen met de verontschuldiging dat we 'goed gedaan hebben aan àlle mensen', wanneer we dat niet in het bijzonder "aan de huisgenoten des geloofs", aan de 'minsten van Zijn broeders' hebben gedaan! "Ik heb je nooit gekend," zegt Hij dan."
Hiermee wordt aan twee Bijbelteksten gerefereerd, die zouden impliceren, dat door Jezus zèlf de opdracht tot een algemeen onderscheid wordt gegeven. Dit trof me. Daarom ben ik die teksten gaan nalezen, om te zien of ik hier inderdaad de plank missla, met mijn visie op de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Want ingaan tegen het gebod van Christus is wel het laatste dat ik wil.
De eerste tekst lijkt mij afkomstig uit Galaten 6:10 , die in de Statenvertaling luidt: "Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs."
Nu ben ik geen theoloog, maar als ik deze tekst in zijn verband lees, gaat het mijns inziens in dit tekstgedeelte om de geloofsondersteuning van medechristenen, zoals het kopje boven de perikoop ook aangeeft: 'Vermaning tot broederlijke liefde'. Het spreekt voor zich dat de christelijke opdracht ten aanzien van mede-christenen verder strekt dan ten aanzien van niet-christenen. Naast de algemene regel van liefhebben, die universeel geldt, hebben christenen jegens elkaar immers de taak tot opbouw, ondersteuning en vermaning.(5)
Dit geldt nog in sterkere mate voor die mede-christenen, waar een intensief contact mee bestaat. Galaten 6: 10 geeft daarom een alleszins logische afsluiting van die perikoop. Ik ben geneigd om het werk van een organisatie als Open Doors te zien als passend in deze specifieke taak van christenen onderling. Daarom is afbakening van hulp hier dan ook geoorloofd.
De vreemdeling
De andere tekst lijkt te verwijzen naar het laatste gedeelte van Matteüs 25.
Hierin wijst Jezus erop, dat de manier waarop wij omgaan met anderen door Hem gezien wordt alsof Hij zo behandeld wordt. Wederom de opdracht tot liefhebben van de naaste. Hij noemt daarbij een aantal praktische voorbeelden van gelegenheden tot het uiten van die liefde. Inderdaad neemt Jezus hierbij het woord 'broeders' in de mond. Opvallend is echter dat bij die voorbeelden ook de huisvesting van de vreemdeling genoemd wordt.
Vanuit het Oude Testament kennen we de opdracht tot zorg voor de vreemdeling. Deze maakte geen deel uit van het volk Israël, was dus geen Jood. Jezus sprak hier tegen Joden.
De enige conclusie die ik hieruit kan trekken, is dat Jezus hier de vreemdeling ook tot 'de minsten van zijn broeders' rekent. En daarmee lijkt het voor mij tevens duidelijk, dat onderscheid bij hulpverlening in algemene zin niet gerechtvaardigd is.
Waarom maak ik mij nu zo druk over dit (al dan niet toegestane c.q. verplichte) onderscheid? Daarvoor zijn twee redenen. De eerste heb ik al even aangestipt. Het zou pijnlijk zijn wanneer ik op een verkeerde manier Gods bedoelingen, zoals die door Jezus zijn uitgesproken, zou uitleggen.
Niet alleen mijzelf, maar ook anderen zou ik daarmee op een dwaalspoor leiden. Indien ik, ondanks mijn oprechte pogingen om de Bijbel recht te doen, toch tot een verkeerde conclusie ben gekomen, wil ik daar dan ook graag op terechtgewezen worden.
Maar als ik het wèl juist zie, is de waarschuwing van Jezus, die de heer Klein aan het slot van zijn derde artikel laat klinken, in dat kader te kort door de bocht. Vandaar dat nuancering hier van belang is. Overigens vind ik dat hij daar wel erg zwaar geschut in stelling brengt, met het oog op zijn onderwerp.
Mijn tweede beweegreden heeft betrekking op het beeld dat we als christenen bij de mensen om ons heen achterlaten. Laat toch vooral het licht van Gods liefde door ons heen schijnen voor iedereen, zonder onderscheid.
Staande midden in de wereld, mogen we ons dan laten bemoedigen door de hoopvolle verwachting van de wederkomst van Christus.
Noten:
1 Die nuancering geldt niet de Maranatha-gedachte zelf, maar de oproep van de heer Klein in zijn laatste artikel. (Opbouw nr. 7, p. 128)
2 Opbouw nr. 1, 3, 6 en 7
3 Opbouw nr. 6, p. 110
4 Opbouw nr. 19, 20 september 1996 - De vreemdeling in nood
5 Overigens geldt ten aanzien van de niet-christenen de zendingsopdracht, voorwaar geen geringe 'extra' verantwoordelijkheid.