Andreas is een bijzonder mens...
1997-04-18
Het beeld dat veel mensen hebben van verstandelijk gehandicapten is dat het ‘lieve mongooltjes’ zijn. Aan de andere kant wordt – o.a. via berichten in de media – ook steeds vaker duidelijk dat er binnen instellingen voor verstandelijk gehandicapten mensen wonen die een zeer intensieve begeleiding nodig hebben.- Jaargang 41
- nummer 8
Geert Koudijs werkt als begeleider op de 'Merwebolder' in Sliedrecht. Op zijn groep wonen 3 mannen en een vrouw; ze worden begeleid door een team van ongeveer 8 begeleiders. Op dit moment werken er op de groep alleen mannen. Ondanks de intensieve begeleiding wordt het personeel nog regelmatig geconfronteerd met ernstige vormen van agressie en zelfverwonding.
Hoe komt het dat je in de zorg voor verstandelijk gehandicapten terecht bent gekomen? Was dat een oud ideaal van je, trok dit werk je altijd?
Ik wilde boswachter worden, maar daar heb je wiskunde voor nodig en dat was bepaald niet mijn sterkste kant op school. Ik ben toen naar de Sociale Academie 'De Vijverberg' in Ede gegaan, om de HBO-lW (elnrichtinqswerk) te volgen. Dat was niet zo'n bewuste keuze. Achteraf denk ik wel dat het een goede keus was, want het werk dat ik nu doe is me op m,n lijf geschreven. Ik denk dat het op mijn weg werd gezet.
Maar met een opleiding op de Sociale Academie kom je nog niet automatisch op zo'n groep terecht...
Tijdens een stage kwam ik terecht op een instelling die gespecialiseerd is in de behandeling van jongeren die ernstig ontspoord waren. De gedragsproblematiek op deze instelling boeide me.
Het thema agressie heeft me ook altijd bezig gehouden. Wat is agressie en hoe moet je daar mee omgaan? Hoe hou je je eigen agressie in bedwang?
Ben je na je opleiding meteen op deze instelling gaan werken?
In 1988 behaalde ik mijn diploma aan de Vijverberg. Daarna ben ik een tijdje in een fabriek gaan werken, vervolgens kwam de militaire dienst en daarna heb ik op een grote inrichting in de Randstad gesolliciteerd. Eerst werkte ik op een laag-middengroep (d.w.z. gehandicapten met een verstandelijke leeftijd die te vergelijken valt met die van een peuter). Het is op zo'n groep erg belangrijk dat je een goed team hebt, je moet het van elkaar hebben. En je moet bevrediging kunnen halen uit hele kleine sprongetjes, of uit humor met de bewoners.
Het was een grote groep, er woonden 12 mensen. Als je iets met ze wilde ondernemen, kon dat eigenlijk niet; daar was de groep te groot voor, zeker als je in je eentje werkte....
Daarna heb ik twee jaar op een sociowoning gewerkt; dat is een huis in het dorp. De mensen die daar woonden konden veel meer, maar ze vertoonden wel periodiek psychiatrische problemen.
Ik merkte dat je daar heel actief met de bewoners bezig kon zijn en dat dat goed voor hen is. De verleiding is groot om op zo'n groep gemakkelijke diensten te draaien, een peuk, koffie, Goede Tijden, Slechte Tijden.
Mijn visie botste nogal met die van collega's. Ik vond dat het zo niet moest en ging met de bewoners uit vissen, knutselen, een moestuin bijhouden.
Ik had het idee dat dat heel bevredigend was voor de bewoners.
Als ik in de moestuin werkte, kwamen de buren ook kijken waar we mee bezig waren. Ze vonden het leuk dat er iets gebeurde. Het is belangrijk om de leefomgeving aantrekkelijk te maken en zelf te onderhouden: bloembakken, tomaten kweken, dingen goed bijhouden. Dat hoort bij je woonomgeving.
Uiteindelijk ging je werken op deze zeer gespecialiseerde groep. Hoe kwam dat zo?
Er zat ook een privé belang bij; deze omgeving trok me meer dan een grote stad. Daarnaast zocht ik een actieve baan, met veel uitdaging. Het werken met mensen met gedragsproblemen trok me toch het meest. Zo ben ik hier in gerold.
Toen ik hier kwam werken bestond de groep uit 3 bewoners. AI heel snel vertrok het grootste deel van het team. Er stond toen opeens een nieuw en betrekkelijk onervaren team dat heel veel te stellen had met deze 3 mannen.
Ik werd al binnen een half jaar de mentor van Andreas. Je bent als mentor verantwoordelijk voor het welbevinden van zo'n jongen; je hebt contacten met de familie en andere mensen die betrokken zijn. Zo krijgt Andreas ook regelmatig bezoek van mensen uit de kerk. Het klikte direct goed tussen Andreas en mij en ook met zijn familie.
Kun je iets vertellen over het werk met Andreas?
Het gaat erom dat je kleine signalen heel goed waarneemt. Je kijkt heel precies naar zijn ogen, zijn neus, zijn mond, zijn lichaamshouding. Andreas heeft momenten waarop hij gespannen wordt, hij raakt dan de controle over zichzelf en zijn omgeving kwijt.
Je zou dat een soort alarmfase kunnen noemen. Op dat moment moet je ingrijpen om erger te voorkomen. Als je niet op tijd bent kan hij agressief worden of zichzelf verwonden. Dat ingrijpen was vroeger vaak lichamelijk, je moest soms stevig ingrijpen om het contact te herstellen. Tegenwoordig heb ik ook meer invloed met mijn houding of met woorden.
Zo'n groep krijgt natuurlijk een stempel. Er zijn maar weinig mensen die op zo'n groep kunnen werken. Hoe kijk jij aan tegen jouw bewoners?
Ik zie ze als mensen met een autistisch beeld. Er is daardoor iets mis in hun denken. Ik vind dat je daar rekening mee moet houden, maar het probleemgedrag accepteer ik niet. De persoon mag er zijn, maar het afwijkende gedrag dat schadelijk is voor Andreas en voor zijn omgeving stuur ik bij. Mijn doel is om Andreas en de andere bewoners een zo zinvol mogelijke invulling aan hun leven te geven.
Het probleemgedrag zie ik dan als een onderbreking van het dagelijkse bestaan, maar die onderbreking gaat ten koste van het welbevinden. Wat er ook gebeurt, we gaan dus toch door, zij het soms met horten en stoten. De houding die je uitstraalt is: 'Doe maar gewoon, ga maar gewoon verder!'
Er zijn veel mensen die verstandelijk gehandicapten eng vinden. En als ze dan ook nog eens agressief kunnen zijn dan is het natuurlijk helemaal eng. Hoe kijk jij naar Andreas?
Andreas is een heel bijzonder mens, een uniek persoon. Hij heeft heel veel humor. Je moet daarbij niet het accent leggen op wat iemand niét kan: ook bij Andreas niet, hij handelt naar zijn vermogen.
Hij heeft zijn beperkingen, maar ik probeer hem als begeleider te laten functioneren op de toppen van zijn kunnen, van de talenten die ook hij heeft gekregen. Hoe geconcentreerder hij moet werken, hoe zin-voller het voor hem is, hoe beter het voor hem is. Ik weet natuurlijk nooit helemaal zeker hoe Andreas dat ervaart, maar zo ervaar ik het wel. Het gaat erom dat we hem een gevarieerd bestaan kunnen bieden, dat hij niet opgesloten raakt in zijn eigen wereldje. Dat streven naar een gevarieerd bestaan houdt ook in dat we hem echt iets willen bieden: er moet wat te beleven zijn. Je bent dan ook constant aan het werk.
Wat ik ook bijzonder vind aan Andreas is dat hij, ondanks het feit dat hij in zijn leven zoveel heeft meegemaakt, toch zichzelf is gebleven. Als je met Andreas een relatie aangaat, leert hij jou kennen. Hij voelt ook goed je zwakke plekken aan. De bedoeling is dat je daar doorheen groeit. Een relatie bouw je alleen met vallen en opstaan op; door dik en door dun. Het gaat er daarbij om dat je voor hem als begeleider zo voorspelbaar mogelijk wordt.
Dan weet Andreas wat hij aan je heeft; daardoor ben je voor hem betrouwbaar; je bent zijn gids, hij ontleent aan jou zijn zekerheid. Je moet Andreas als het ware bij de les houden, actief bezig zijn, samen bezig zijn. Contacten maak je door de kanalen die hij begrijpt. Bij Andreas is dat vooral het directe lichamelijke contact. Hoe beter de relatie is, hoe beter hij weet hoe jij in elkaar steekt, hoe minder je echter lichamelijk hoeft in te grijpen.
Hoe hou je dit werk vol? Prof. W. ter Horst noemt in zijn boek 'Het herstel van het gewone leven' dat opvoeders fit moeten zijn. Dat lijkt me voor jou niet gemakkelijk...
Van huis uit ben ik gewend om hard te werken, om niet toe te geven. Ik zit hier prima op mijn plaats. Ook ervaar ik veel steun van mijn collega's. Maar wat misschien wel het allerbelangrijkste is, is dat je een stabiele thuissituatie hebt. Werk en privé kun je in dit werk toch nooit helemaal gescheiden houden; alleen fysiek al niet. Je voelt de zwaarte van het werk soms in je vrije dagen. Of er is een incident geweest waarbij een collega het zwaar te verduren heeft gehad, daar blijf je dan over nadenken. Je belt dan op hoe het met ze gaat. Gelukkig kan ik dat thuis goed kwijt en dat is heel belangrijk.
Daarnaast geniet ik ook van mijn twee kleine kinderen.
Ben je een optimist?
Zo wil ik het niet direct noemen. Ik ben wel overtuigd van mijn eigen kunnen, al moet je dat niet arrogant opvatten.
Je hebt die zekerheid gewoon nodig in dit werk. Andreas voelt het feilloos aan wanneer jij niet lekker in je vel zit. Als je 7 dagen achter elkaar werkt, hoe lever je dan nog die 100% die je nodig hebt? Je moet echt fit en alert zijn, want dan ben je pas de zekerheid die je bewoners nodig hebben. Het past dus niet bij mijn werk om een halve nacht in een café door te brengen, dat kan gewoon niet. En als je je minder goed voelt op een dag, moet je daarover afspraken maken met je collega.
We staan op onze groep namelijk altijd dubbel.
Een aantal jaren geleden stond er in bijna alle kranten een foto van Jolanda Venema, die naakt was vastgeketend in een kale kamer. Op jouw groep ziet het er heel anders uit. Ik zag net de bewoners en hun begeleiders buiten stevig aan het werk...
Ja, dat is ons uitgangspunt. Je moet mensen niet opsluiten, je moet je leven met hen delen. Je gaat een relatie aan, je zoekt contact. Dus moet je niet zeggen: een autist wil geen contact, dus sluiten we hem maar op. Je moet ook niet samen niks zitten doen, koffie en een peuk; nee: samen aan het werk.
Wat ik heel belangrijk vind is dat je sámen aan het werk bent. Ik heb te vaak gezien dat een begeleider met handen in de zakken liep en dat bewoners moesten sjouwen. Zo moet het dus niet! Als Andreas met een kruiwagen loopt, loop ik er naast met ook een kruiwagen. Op die manier ben je een voorbeeld voor Andreas, maar je laat ook aan de rest van de instelling zien dat sámen werken goed is. Het hoort bij een respectvolle benadering.
In militaire dienst heb ik ervaren hoe demotiverend het is als je begeleid wordt door leiders die jou alleen maar commanderen en die zelf niet de handen uit de mouwen steken. Zo wil ik het niet. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet...
Er zijn maar weinig mensen die het volhouden op de groep waar jij werkt. Wat heb je nodig om het vol te houden?
Inderdaad: niet iedereen kan dit werk aan. Maar ook niet iedereen kan op een groep werken waar heel veel lichamelijke verzorging nodig is. Ze moeten mij ook niet vragen om achter een bureau te gaan zitten. Je moet handig zijn, je moet van nature actief zijn, je moet van het avontuur houden.
Daarnaast is het ook belangrijk dat je lichamelijk tegen een stootje kan. Er hebben op mijn groep mensen gewerkt die er door de agressie fysiek onderdoor zijn gegaan; en dat kan nog steeds gebeuren. Dat is iets wat ik ook niet mag ontkennen; dat gebeurt dus ook.
Heeft jouw werk ook iets met je christelijke levensovertuiging te maken?
Ja, ik geloof dat dit werk op mijn weg gekomen is, dat het niet toevallig is.
En ik kijk ook op een bepaalde manier naar mensen; of ze nu verstandelijk gehandicapt zijn of niet: ze horen er bij. Ieder mens is uniek. Het is onze roeping om hem of haar een zin-vol leven te geven. Wat ik als heel bijzonder heb ervaren is dat Andreas in de afgelopen jaren uit een diep dal is geklauterd. Het ging niet goed met hem en bijna niemand zag het meer zitten met hem.
Daar moest ik ook opeens aan denken toen we zondag in de kerk Lied 473 zongen. 'Neem mijn handen, maak ze sterk, trouwen vaardig tot uw werk.' Ik geloof dat het werk met Andreas een stukje van het werk in het Koninkrijk is.
| Wat is autisme? Autisme is een ernstige vorm van contactstoornis, die al duidelijk merkbaar is in de eerste 30 maanden van de kinderlijke ontwikkeling. Sommige ouders merken binnen enkele dagen dat er iets mis is met hun kind. Anderen valt het later op dat hun kind niet naar hen lacht, veel in zichzelf gekeerd is, geen knuffel heeft. Een deel van de autisten leert niet te spreken, anderen hebben een opvallend taalgebruik. De meest op de voorgrond staande handicap is echter het onvermogen om gevoelens van anderen te begrijpen. Autisten ontlenen daardoor vaak hun houvast aan vaste patronen. Omdat ze moeite hebben om de wereld te begrijpen zoeken ze via rituelen naar een stukje houvast. Sommigen bouwen een enorme kennis op een bepaald (meestal technisch) gebied op. Opvallend zijn daarbij het scherpe waarnemingsvermogen van details en hun sterke geheugen. Veel autisten vertonen niettemin een sterk achterblijvende intellectuele ontwikkeling. De handicap komt 4x zoveel bij jongens als bij meisjes voor. Naast de 'klassieke' vorm van autisme zijn er ook aan autisme verwante contactstoornissen. Deze mensen vertonen wel een aantal kenmerken van het autistische beeld, maar de handicap wordt meestal later ontdekt en staat minder op de voorgrond. De prestaties op school kunnen zeer goed zijn, maar het kind heeft wel veel moeite met de omgang met leeftijdgenoten. Over de oorzaak van autisme tast men nog in het duister. Vermoedelijk is er sprake van een aangeboren afwijking. Het is dus volstrekt onjuist om de schuld van de handicap bij de ouders neer te leggen (zoals in de jaren '60 en '70 vaak gebeurde). De opvoeding van een autistisch kind stelt ouders vaak voor een bijzonder moeilijke opgave. De Nederlandse Vereniging voor Autisme en verwante contactstoornissen (NVA, Bussum) helpt ouders bij het zoeken naar mogelijkheden voor de opvoeding van hun kind. |