Historiciteit van bijbelverhalen - een reactie
1997-10-17
Naar aanleiding van de artikelenreeks ‘Over de historiciteit van bijbelverhalen’ van de hand van dr. v.d. Dussen zou ik graag het volgende te berde brengen.- Jaargang 41
- nummer 21
Ik behoor, dacht ik, niet tot de mensen, die met alle moeite proberen allerlei ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in de bijbel weg te werken door krampachtig te harmoniseren. Ik geloof daar niet zo in. Kramp is niet nodig. De andere kant is, dat je er evenzeer voor moet oppassen al te gauw tegenstrijdigheden te constateren en ze op die manier min of meer te construeren.
Wonderbare spijziging
Ik ben van oordeel, dat collega V.d. Dussen in het tweede artikel van genoemde reeks aan dat laatste niet is ontkomen. Hij leest een tegenstrijdigheid tussen Marc. 6:30-37 en Joh. 6: 1-6 in de beschrijving van de wonderbare spijziging van de 5000. In Marc. 6 zou de Here Jezus bij zijn aankomst per schip aan de andere kant van het meer van Galilea opgewacht worden door de schare, die gauw om het meer is heengelopen. Terwijl de Here volgens Johannes de plaats aan de andere zijde van het meer al heeft bereikt voordat de mensen er zijn. Ja zelfs heeft Hij al een berg beklommen met zijn leerlingen en ziet dan van daaraf de mensenmenigte naderen.
Daar heb je dan de tegenstelling. Die tegenstelling kan er echter alleen zijn bij minder nauwkeurige lezing. Want er staat in Màrcus niet, dat ze Hem opwachten op de plaats waar Hij aan land komt. En er staat in Johànnes niet, dat Jezus op een berg gezeten de mensen ziet naderen. In hun tocht om het meer. Min of meer van verre dus. Zo stelt dr. V.d. Dussen het voor.
Maar als in Marcus staat dat de mensen er vóór de Here Jezus waren, hoeft dat nog niet te zijn: op de landingsplaats, waar ze Hem nu stonden op te wachten. Dat kan net zo goed zijn, dat ze eerder in dat gebied aan de andere kant van het meer waren. Maar nog op enige afstand. En als er dan staat "en toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare", wil dat nog niet zeggen, dat Hij ze daar direct aan het water vlak voor zich had. Je hebt vaker in de bijbelverhalen een ingekorte manier van vertellen, waarbij zaken worden overgesprongen. En klaarblijkelijk zijn er ook in deze geschiedenis zowel door Marcus als door Johannes zaken overgeslagen. Zo slaat Johannes bijv. over dat de Here eerst de schare nog geleerd heeft. Bij hem bereikt de schare de Here Jezus en gaat het direct over brood. Terwijl Marcus, bij vergelijking met Johannes, overslaat dat de Here Jezus met zijn discipelen een berg is opgegaan en daar de schare niet van verre ziet aanmarcheren, zoals dr.
V.d. Dussen wil, maar tot zich ziet komen. Voor zich krijgt. Er staat: ze kwamen tot Hem. Ze waren al in de buurt, maar nu bereiken ze Hem. Dáár op de bèrg was Hij eerder dan zij.
(Dis)harmonie
Ik dacht dat dàt er bij nauwkeurige lezing staat. Als mensen vinden, dat ik nu toch krampachtig harmoniseer, dan zou ik daartegenover willen stellen, dat dr. V.d. Dussen duidelijk met zijn 'opwachten' en (in de verte) 'naderen' dit gedeelte dis-harmoniseert. Er is in dit gedeelte geen tegenstelling. Die wordt m.i. gecreëerd. Maar op deze manier worden naar mijn idee problemen opgeroepen, die dan weer vervolgens roepen om een oplossing. En dat wordt dan de alleraanvechtbaarste oplossing, dat we, in wat de bijbelschrijvers schrijven, van doen hebben niet met feiten, maar met verhalen. En wat met verhalen dan bedoeld is, blijkt uit de bijgevoegde synoniemen, die dr. V.d. Dussen geeft: interpretatie, invulling, vervorming van de feiten. We hebben in wat voor ons staat niet van doen met wat echt gebeurd is, hoewel het zich wel zo geeft, maar met de subjectieve weergave van ons onbekende en uit de verhalen niet te achterhalen achterliggende feiten.
Bavinck
Dit is dan wel een heel stuk verder en heel wat anders ook dan wat de zo met instemming genoemde Herman Bavinck voorstaat. Ik heb de indruk dat Bavinck dienst mag doen als baanbreker en breekijzer. Maar wat je, dacht ik, bij Bavinck vindt en wat elke goed-gereformeerde zal toestemmen, dat is dat niet het héle verhaal, àlle feiten in de bijbel genoemd zijn. Er wordt een keuze gedaan uit een veelheid van feiten. Zo komt uit het lange leven van Abraham een weergave van slechts enkele hoofdstukken. De schrijvers zijn er niet in geïnteresseerd, dat jij àlles weet, maar dat je dit weet. Zo zegt Johannes in Joh. 21 :25: "Er zijn echter nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen bevatten". Neen, de schrijvers doen een keuze uit een overvloedig materiaal. En die keuze is bepaald door wat hun doel is met hun schrijven, afhankelijk van wie hun eerste lezers zijn, en wat hun omstandigheden. Hun eigen persoonlijke kleur komt er ook in mee. Maar iemand als Johannes, die dan dus het bovenstaande schrijft, zegt in het vers ervóór, Joh. 21 :24 niet: dit is mijn invulling van de feiten, of dit is mijn interpretatie ervan, maar: "Dit is de discipel, die van deze dingen getuigt en die deze beschreven heeft en wij weten dat zijn getuigenis waar is." Maar dat is de taal van de bijbel overal: "en het geschiedde", en daar zijn getuigen bij, oog- en oorgetuigen, die een betrouwbaar getuigenis afleggen. En waar je zo mee van doen hebt, dat zijn geselecteerde feiten, in een bepaald raam gezette feiten, maar wel feiten. Waar je wel erg zorgvuldig en erg eerbiedig en ook erg bescheiden mee mag omgaan. Zoals dr. V.d. Dussen nu net ook vertelt van Herman Bavinck: "Hij toont zich er beducht voor de betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedschrijving aan te tasten." Dat gebiedt, aldus dr. V.d. Dussen, de eerlijkheid te zeggen. En deze beduchtheid van Bavinck geldt dan zelfs ten aanzien van de geschiedenis van de zondeval in Gen. 3.
Onzorgvuldige exegese
Wat ik me dus afvraag, is of deze beduchtheid bij de door dr. V.d. Dussen gevolgde methode wel voldoende aanwezig is. Wat ik zie, ook in de zaak van Marcus tegenover Johannes bij de spijziging van de 5000, is eerst een voorbarige onzorgvuldige exegese, die vervolgens roept om een bepaalde leer, een bepaalde theorie, die één en ander verklaart. Maar je kunt erop rekenen dat hier vervolgens een wisselwerking gaat optreden: een voorbarige onzorgvuldige exegese roept die theorie op, en die theorie roept weer een onzorgvuldige exegese op: je hoeft overal niet zo precies te kijken wat er nu staat, want de feiten zijn intussen immers gedegradeerd en gedeclasseerd tot verhalen, tot vertelsels. Verhalen, het theologische modewoord van deze tijd. Meer dan beladen. Maar op deze manier durft dr. V.d. Dussen dingen zeggen over de evangelisten, die ik niet zou durven te zeggen. Zoals "Altijd is er minstens één evangelist (Marcus of Johannes) van wiens berichtgeving men niet kan zeggen, dat zij geheel overeenstemt met de feiten".
Maar op welke critische manier wordt zo eerst de tekst van de bijbel benaderd. Dat geldt ook voor wat van Prof. Oosterhoft prijzend naar voren gebracht wordt. Van diens methode, de zgn. profetische symbolische benadering wordt gezegd, dat Prof. Oosterhoft op een verrassende manier de zeggingskracht van Gen. 2 en 3 op de lezer weet over te brengen. Maar dat is dan wel de lezer, die blijkbaar al niet zo onbevangen de gegeven tekst benaderde. Immers, zo wordt gezegd, 'menigeen', die zijn schouders ophaalde over die 'sprookjesachtige' verhalen en er bij een 'letterlijke' uitleg allerminst door geboeid werd, heeft juist door de symbolische opvatting een nieuw respect gekregen voor de openingshoofdstukken van de bijbel".
Je kunt van hieruit de vraag stellen of ook bij deze methode de bijbel gered moet worden voor wat dan heet de moderne mens. En dan is niet alleen Gen. 1-11 in het geding. Diezelfde moderne mens zal de geschiedenis van de sprekende ezel van Bileam ook wel sprookjesachtig vinden. En de vis van Jona, en wat niet meer. Maar de vraag is welke critische geest men zich al veroorlooft of aan welke critische geest van anderen men ruimte wil geven voordat men tot zijn theorie komt. In elk geval: ik kan het enthousiasme van dr. V.d. Dussen bij dit alles niet delen. Het bewijs dat het zo is, wordt mij niet geleverd. Integendeel, wat mij opvalt, dat is hoe vaak bij dergelijke theorieën uitdrukkingen terugkomen als: het lijkt me het is mogelijk, je zou kunnen veronderstellen. Belanden we niet bij het subjectieve verhaal van mensen over het subjectieve verhaal van bijbelschrijvers.
Verhalen
Nu dan terug naar de verschillen tussen verschillende bijbelschrijvers. Kost het dan soms geen moeite om bepaalde gebeurtenissen in de bijbel met elkaar in overeenstemming te brengen? Dat zal best. AI zal het heel wat minder het geval zijn dan men wil doen voorkomen. Maar in elk geval houd ik me dan liever aan de voorzichtigheid en terughoudendheid van Bavinck dan aan de zo aangeprezen weg, waarop nu verder gegaan moet worden dan hij deed. En dan vrees ik bij dr. V.d. Dussen nog niet het grootste kwaad, maar er wordt m.i. een deur geopend, waardoor nog wel eens te voorschijn kon komen wat dr. V.d.
Dussen doet verbleken van schrik. Mij lijkt de weg vàn onbekènde feiten, die àchter de bijbelse geschiedenissen liggen náár géén feiten, die er achter liggen, niet bijster lang. Je hebt allebei al verhalen, die het eigenlijke niet bevatten.
Dan nog dit: ik kom van alles waar we het nu zo over hebben voor mezelf steeds maar terecht bij wat ds. Visee destijds zei in de discussie over het zgn. anthropomorfe spreken van de Schrift. De Here zou volgens sommigen mensvormig voorgesteld worden in de bijbel. Met ogen, oren enz. Maar, zo zei men, dat staat er wel, maar zo is het niet. Want Hij heeft natuurlijk geen ogen en oren. En ds. Visee bestrijdt dat met allerlei argumenten, maar wat mij vooral is bijgebleven, is dat hij ook zegt (in mijn eigen woorden weergegeven): het mag allemaal heel geleerd klinken en er mogen bladzijden mee gevuld worden, maar je mag er wel oog voor hebben dat het schijnproblemen zijn, die schijnwetenschappelijk worden behandeld. Maar die ook helemaal niets opleveren. Als je dan bijv. ook in de Korte Verklaring zulke gedeelten tegenkomt, kun je ze gerust overslaan. Je mist er niets mee. Om ná een dergelijke uiteenzetting verder te gaan met wat echt uitleg is van wat er staat.
Maar zoiets proef ik ook in heel wat dat tegenwoordig onder ons geschreven wordt. Niet zoveel meer, zoals vroeger wel, heerlijke uitleg in boek en artikel van wat daar staat. "Moet je eens zien wat in deze tekst of in dit gedeelte staat, nooit zo gelezen". Laat ik het vergelijken met lekker brood: wat hebben we gesmuld van wat ons zo voorgezet werd. Ik heb het gevoel, dat het tegenwoordig meer gaat om praten over brood. Verhandelingen over hoe het met brood zit, waaruit het is samengesteld en wat erin werkt. En als je het leest, kun je het het best overslaan en kijken of verderop de echte verkwikkende uitleg nog eens wordt hervat: brood om te eten. Naar mijn gevoelen zijn we tot genoegen van onze grote slimme tegenstander schijnwetenschappelijk bezig met schijnproblemen. Met tekort een eerbied voor wat echt betrouwbaar woord van God is. Dat ons feiten meedeelt. Heilsfeiten, waar je het van moet hebben, waar je hart van opleeft.