Kerkasiel: terug naar de Middeleeuwen?

1997-10-17
  • Jaargang 41
  • nummer 21
In het Groningse dorpje Westeremden zijn enkele asielzoekers omgekomen. Ze hadden hun toevlucht gezocht in het dertiende-eeuwse kerkjes, maar daar bleken ze niet veilig te zijn. Toen ze de pastorie invluchtten, werd die door hun belagers in de brand gestoken: de asielzoekers ontkwamen ternauwernood uit de vlammen. Ze wisten het kerkgebouw weer te bereiken, waar ze echter zonder pardon allemaal werden doodgeslagen.

Het zal duidelijk zijn dat dit geen gebeurtenis van vandaag of gisteren is, anders had u er immers op de voorpagina van uw dagblad over gelezen. Het incident vond plaats in april 1399 en vormde één van de vele episoden in de partijtwist tussen Schieringers en Vetkopers. Dat de slachtoffers, Vetkopers in dit geval, bescherming gezocht hadden in een kerk, behoeft ons niet te verwonderen. In de Middeleeuwen was het in het christelijke Westen niet ongebruikelijk en ook door de overheid erkend dat mensen rechtsbescherming zochten door te vluchten in een kerk. Het uitzonderlijke van de situatie in Westeremden was eerder dat daar in de hitte van de strijd zelfs het kerkgebouw niet meer heilig was.
In de huidige discussie over het moderne kerkasiel komen de Middeleeuwen nogal eens ter sprake. Tegenstanders wijzen er namelijk op dat 'kerkasiel' een fenomeen is dat thuishoort in een middeleeuws rechtssysteem dat fundamenteel verschilt van het onze. Maar hebben zij daarin gelijk? Wellicht is het voor de huidige discussie verhelderend ons te verdiepen in dat middeleeuwse kerkasiel. Zijn de situaties van toen en nu werkelijk onvergelijkbaar?

Heilig is veilig
We leven niet meer in de Middeleeuwen. De rechten van zwakken in of aan de rand van de samenleving zijn over het algemeen bij onze overheid in goede handen. 'Middeleeuwse toestanden' als die in Westeremden in 1399 kennen wij in ons land niet meer. Sinds de Reformatie is de verhouding tussen kerk en staat in ons land bovendien ingrijpend veranderd. Als de kerk meent zich nu met asielzaken te moeten bemoeien, gaat zij dan niet op de stoel van de overheid zitten?
Hoewel deze laatste vraag in de Middeleeuwen niet in die vorm speelde, lag de zaak ook toen niet eenvoudig.
Het middeleeuwse kerkasiel was gebaseerd op de sacraliteit van het kerkgebouw. Op grond daarvan was het justitiële ambtenaren verboden een kerkgebouw te betreden om een misdadiger te arresteren. Wie dat toch probeerde en gewapenderhand een kerk of een daaromheen liggend kerkhof binnendrong om er iemand met geweld uit te halen, ontwijdde het gebouwen haalde zich een zware kerkelijke straf op de hals. Dit gold ook voor kloosters en voor andere huizen van geestelijken. Het ontwijde gebouw kon pas na bisschoppelijk ingrijpen weer gebruikt worden voor religieuze activiteiten.
Deze consequenties vormden serieuze drempels die de asielzoeker in de kerk een zekere veiligheid bezorgden.
Slechts bij hoogoplopende partijtwisten en ontstentenis van een krachtig centraal bestuur, zoals in de Groninger Ommelanden, was ook de kerk voor een werkelijke of vermeende misdadiger niet veilig. Maar werd elke misdadiger door de kerk beschermd? Uiteraard was dat niet het geval. AI vanaf de vroege Middeleeuwen werden bepalingen uitgevaardigd waarin uitzonderingen gemaakt werden. Bepaalde ernstige misdadigers zoals moordenaars, struikrovers en ketters (!) bood de kerk geen asiel en ook degenen die in de kerk zelf misdaden pleegden (o.a. zakkenrollers) hoefden niet op kerkelijke bescherming te rekenen. De kerkelijke rechter moest dus eerst vaststellen of een asielzoeker één van de misdaden had begaan waarvoor het kerkelijk asielrecht een uitzondering had gemaakt. Als dat zo was, mocht de betreffende persoon zonder problemen uit de kerk of van het kerkhof worden gehaald.
In 1423 waren enkele in het nauw gedreven zeerovers de Broederkerk van Kampen binnen gevlucht. De bisschop van Utrecht gelastte de rovers in de kerk te arresteren en in te sluiten in het gevang. Zo gebeurde, maar de zeerovers wisten uit de gevangenis te ontsnappen en zochten hun toevlucht opnieuw in de kerk. Ditmaal verschansten zij zich in het koor. De schout en schepenen van Kampen kregen van de bisschop officiële toestemming de misdadigers opnieuw in te rekenen. Zij gingen de kerk binnen, waar ze met veel geweld het ijzeren koorhek moesten openen om de rovers in de kraag te grijpen. Sommige mensen spraken er schande van en meenden dat de kerk erdoor was ontwijd en dat er geen missen meer konden worden opgedragen. De bisschop liet desgevraagd echter weten dat er niets aan de hand was, omdat de verwijdering uit de kerk in zijn opdracht was geschied.

Kerk en staat
In de praktijk heeft het asielrecht vaak tot conflicten tussen kerk en staat geleid. De kerk als 'staat in de staat' kon immers een bedreiging gaan vormen voor de uitoefening van het gezag door de wereldlijke gezagsdragers.
Niet dat de wereldlijke overheid het principe van kerkasiel aanvocht. Zo bepaalde de stad Haarlem nog in 1462 dat degene die een ander in de kerk of op het kerkhof met geweld te lijf ging, zijn lijf en goed zou verliezen. Bovendien zou men zijn nalatenschap te gelde maken om de kosten van de herwijding van de kerk te dekken. Wie een mes trok op een gewijde plaats, zou zijn hand moeten missen of twintig jaar verbannen worden uit de stad. Dat waren strenge maatregelen, die illustreren dat het kerkasiel principieel door de wereldlijke overheid werd gerespecteerd. Maar de praktijk was wel eens anders. In 1504 werd een zekere Jan Gijsen door de stad Utrecht van het Janskerkhof gehaald, waarheen hij was gevlucht. De man werd vervolgens door het stadsbestuur ter dood veroordeeld. De kanunniken van Sint Jan stonden op hun achterste benen. Zij riepen hun collega's van de andere kapittelkerken bijeen en de voltallige vergadering besloot het stadsbestuur een ultimatum te stellen. Toen dat verlopen was zonder dat er iets gebeurd was, kwamen de geestelijken opnieuw bijeen. Ze besloten tot een 'cessatio a divinis', een staking van de godsdienstige handelingen. Dus geen missen en geen voorbeden meer. Juist toen dit besloten was, kwamen vertegenwoordigers van het stadsbestuur de vergaderzaal binnen om hun standpunt uit te leggen. Na een lange discussie besloten zij een schikking te treffen. De kerk had in de 'godsdienststaking' blijkbaar een machtig wapen in handen.

Verval
Toch heeft de kerk in de late Middeleeuwen langzamerhand moeten inbinden. De lijsten met uitzonderingsgevallen werden langer en de wereldlijke overheid trok steeds meer macht naar zich toe. Op aandringen van de stad Leiden stelde de bisschop van Utrecht in 1376 bijvoorbeeld een termijn van veertig dagen voor asielzoekers in Leidse kerken. Na die veertig dagen liep het asiel af en mocht de asielzoeker niet opnieuw door de kerk worden opgenomen. Iets dergelijks was al veel eerder in Dordrecht afgekondigd, waar schout en schepenen de duur van het kerkasiel mochten vaststellen. De asielzoeker kreeg wel een vrijgeleide tot buiten de stad, mits hij het kerkgebouw vrijwillig verliet.
In rechtsbronnen uit het bisdom Utrecht in de late Middeleeuwen vinden we diverse aanwijzingen dat het asielrecht vanwege de wereldlijke overheid eenzijdig werd ingeperkt. Jan van Beieren gaf in 1423 de Haarlemse kloosters opdracht alle asielzoekers van hun kerkhoven te laten verwijderen. Alleen degenen die in verband met een {onversienen onnoselen ende sympelen dootslage} asiel hadden gezocht, mochten blijven. De Bourgondische hertog Filips de Goede kondigde in 1449 eenzijdig af dat degenen die door het stadsbestuur van Delft uit de stad verbannen waren niet meer onder het kerkasiel zouden vallen.
In 1454 gebood hij iemand die beticht werd van sodomie, de {onnoemelycke zonde, die zoe groot ende vervairlick is, dat hem mit rechte die vryheit van der kercke nyet sculdich en was te bevryen}, van het kerkhof van Rijnsburg te halen. Als de bisschop van Utrecht of een andere geestelijke rechter de kerk van Rijnsburg daardoor een 'cessacye' ('godsdienst-
staking') zou opleggen, zou Filips zelf voor de gevolgen opdraaien. Hij hield dus rekening met de mogelijkheid dat hij als wereldlijk landsheer andere normen zou hanteren dan de kerkvorst. In 1492 vroeg de stad Middelburg aan de Utrechtse bisschop een algemeen verlof om alle misdadigers voortaan van het kerkhof te mogen halen. De bisschop hield vast aan zijn recht. Hij hield staande dat de kerkelijke rechter dergelijke verzoeken van geval tot geval moest beoordelen. Maar de poging van de Middelburgers alleen al vormt een aanwijzing dat het kerkelijk asielrecht op zijn retour was. In de protestantse kerken is het kerkasiel met de Reformatie uit het kerkrecht verdwenen. Een recente inleiding tot de studie van het kerkrecht meldt dat het is afgeschaft, omdat de kerk erdoor genoodzaakt werd als rechter op te treden in niet-kerkelijke delicten. Bovendien zou de noodzaak tegenwoordig niet meer bestaan: 'In Nederland is de rechtspraak zo georganiseerd, dat een rechtvaardige behandeling van iedere recht-zoekende haalbaar is.' In het katholieke kerkrecht is het asielrecht formeel veel langer blijven bestaan, zij het in uitgeholde vorm. In 1917 werd de formulering nog eens verzwakt. De sanctie (excommunicatie) werd geschrapt en de arrestatie van verdachten in een kerkgebouw door justitiële ambtenaren werd toegestaan.
De toestemming van de plaatselijke pastoor bleef als enige hindernis over.

Terug naar de Middeleeuwen?
In tijden en op plaatsen waar vetevoering en eigenrichting welig tierden, was het kerkasiel een belangrijk instituut dat kon voorkomen dat onschuldigen werden gestraft, al moet toegegeven worden dat juist toen en daar het kerkasiel niet altijd werd gerespecteerd. De vraag is of het zijn betekenis niet heeft verloren naarmate een onpartijdige wereldlijke overheid de openbare orde ging handhaven en voorwaarden schiep voor een onafhankelijker en dus meer rechtvaardige rechtspraak? En geven de Middeleeuwen niet voldoende voorbeelden van misbruik van het kerkasiel. Misbruik van het asielrecht is er ongetwijfeld veel geweest en ik ben de laatste die zal beweren dat het instituut in de Middeleeuwen altijd recht en gerechtigheid heeft bevorderd. Bovendien is de visie op het kerkgebouw als sacrale ruimte en op de betekenis van godsdienstige handelingen in onze kringen zo anders dan vijf eeuwen geleden, dat er van kerkasiel in middeleeuwse zin bij ons geen sprake meer kan zijn, noch afgezien van de veranderde verhouding tussen kerk en staat. Toch is daarmee niet alles gezegd. Er zat in het middeleeuwse kerkasiel een element dat we ook vandaag in de kerkelijke actie voor uitgeprocedeerde asielzoekers aantreffen. Om dat duidelijk te maken, wil ik tenslotte nog even terug naar de vroege Middeleeuwen, naar de vijfde en zesde eeuw, de periode waarin het kerkasiel in het Christelijke Westen is ontstaan.
Men had toen te maken met het probleem van de weggelopen christenslaven die hun toevlucht zochten in kerken. In het jaar 441 was in Orleans bepaald dat die niet zomaar moesten worden teruggegeven, maar dat de kerk moest bemiddelen. Het eerste concilie van Orleans (511) voegde daaraan toe dat de slaven zouden worden teruggegeven aan christeneigenaren mits deze een eed aflegden dat zij de ontvluchte niet zouden straffen. Als zij zich niet aan de eed zouden houden, zouden ze in de kerkelijke ban gedaan worden. Alleen wanneer de slaaf ondanks de eed van de eigenaar niet wilde meewerken aan zijn terugkeer, mocht er geweld gebruikt worden. Het kwam wel voor dat christen-eigenaren de eed niet wilden afleggen en zich hun 'bezit' toch met geweld toeëigenden. Dergelijke heren werden door het concilie van Maçon van 585 streng veroordeeld. Zij werden {pseudo-christiani} genoemd. Niet-christelijke eigenaren konden de eed niet afleggen en moesten de tussenkomst inroepen van christenen. Uit de vroege concilieteksten blijkt dat dit nieuwe, christelijke asielrecht niet eenvoudig was uit te voeren, dat er tal van juridische haken en ogen aan zaten en dat het misbruik steeds op de loer lag. Maar dat is niet de parallel met vandaag die ik bedoel. In de vroege Middeleeuwen hebben kerkelijke leiders van de hun gegeven mogelijkheden gebruik gemaakt om hun visie op barmhartigheid en rechtvaardigheid - toen niet identiek met 'het heersende recht' - concreet gestalte te geven.

In die zin is de situatie van vandaag misschien toch enigszins vergelijkbaar. Het asiel- en uitzettingsbeleid van de overheid wordt door veel christenen als onbarmhartig ervaren. Is het dan niet meer dan begrijpelijk dat de kerk als organisatie aan die overtuiging praktische consequenties verbindt en tracht met behulp van de publiciteit druk uit te oefenen op die overheid? Dat het concrete asiel niet meer verleent wordt in kerkgebouwen, maar in tenten - waar het altijd nog warmer is dan op een Nederlands perron - of in particuliere huizen, geeft aan dat 'kerk' in het moderne 'kerkasiel' niet meer duidt op het gebouw, maar op de gemeenschap. En die gemeenschap, waar asielzoekers soms lange tijd te gast zijn geweest, heeft haar eigen verantwoordelijkheid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief