De Heer staat op tot de strijd
1997-10-31
Het lied van Debora bezingt de strijd van Israël tegen Koning Jabin van Kanaän. Het wordt een strijd die één groot vertoon van de macht van de Here is. Debora bezingt dat op kleurrijke wijze. Het is een bemoediging en opsteker voor ieder die het leest.- Jaargang 41
- nummer 22
De Here trekt op
Het eerste gedeelte van dit lied plaatst de Here helder in de schijnwerpers. Hij is de eerste. Hij neemt het initiatief. Dat was toen zo. Dat is nog steeds zo. Hij heeft het eerste woord. Om scherp in beeld te brengen dat de Here zelf optrekt om te strijden begint Debora niet bij het gevecht zelf, maar beschrijft zij in dichterlijke taal dat de Here oprukt. De beelden ontleent zij aan Israëls intocht in Kanaän. God trekt op vanuit het zuiden, uit Seïr, vanuit Edom. Edom een volk dat nota bene eerder voor het volk Israël een obstakel was geweest, wordt nu tot een startplaats. Hemel en aarde worden bij het oprukken van God bewogen. Zelfs de Sinaï, de plaats van de levende ontmoeting van God met zijn volk, trilt ervan. Niets staat de Here in de weg. Hij komt eraan om Israël te verlossen.
De afwezige stammen
Als wij zo lezen dat het initiatief vanuit de hemel genomen wordt, hoe komt het dan dat de periode van de Richteren niet één van de meest succesvolle perioden in de geschiedenis van Israël is geweest, in plaats van dat het een tijd was van verval en neergang? Het antwoord vinden we in het middengedeelte van dit lied. Tegenover de stammen die hun leven wagen tot de dood, staan de stammen die stil zitten. Efraïm, Benjamin, Zebulon, Issaschar, en Naftali trokken op. Maar de anderen?
Zij bleven zitten: Ruben was intern verdeeld, ging aan onderlinge strijd ten onder. Dan zat bij de schepen, wij zouden zeggen, hij had het te druk met zijn werk, zo druk dat het ten koste ging van zijn toewijding aan de Here. Manasse en Gad, bleven lekker op hun gemak aan de overzijde van de Jordaan, zij stonden op een afstand. Voelden zich niet betrokken, en wie zich niet betrokken voelt, die laat het er gauw bij zitten. Aser zat aan het strand. Hier wordt bedoeld: Hij bleef in de buurt van zijn eigen grondgebied, de kuststrook boven de berg KarmeI. Maar als wij er even met onze eigen oren naar luisteren: Aan het strand zitten betekent zoveel als lekker luieren. Het is het genieten van het leven als doel in zichzelf. Het Veronica gevoel, of als we wat ouder zijn: het Zwitserleven gevoel. Als we ons daaraan overgeven dan laten ook wij verstek gaan in onze toewijding aan de Here. Kortom, het volk was diep verdeeld in hun gehoorzaamheid.
Is dat niet een signaal voor ons vandaag? Ook wij hebben een Koning die ons vanuit de hemel leidt. Maar is de laksheid van de kerk ook geen oorzaak van de zwakte van de kerk? De Here zoekt mensen die met Hem strijden. Die zeggen: Zijn strijd, is mijn strijd. Het Lam dat geslacht is trekt op, Ook vandaag. Hij gaat voor ons uit. Scharen wij ons achter Hem? Ook zonder een aantal stammen zet de Here zijn strijd door. De verwarde vlucht van Sisera's leger, waar hoofdstuk 4 al over sprak, is veroorzaakt door een bliksemende en tropisch aandoende stortregen die vanuit de hemel zich in de Kison vallei stortte. Een onheilspellend onweer doet het peil van de rivier snel stijgen, en maakt de grond van de Megiddovallei zo drassig als een moeras. De ijzeren strijdwagens blijven nergens. Als God eenmaal overgaat tot de aanval, dan zet Hij door tot het einde. Paulus zegt het zo: Hij die een goed werk begonnen is, zal dit ook tot het einde toe voortzetten. Dat is het vertrouwen dat de kerk mag hebben.
De vrouwen van Kanaän
Het laatste gedeelte van het lied beschrijft de vrouwen aan het hof van Jabin die wachten op Kanaäns generaal Sisera. Zij weten niets van Jaëls tentpin die een einde maakte aan zijn leven. Integendeel, zij speculeren samen over de reden van zijn vertraging. En ze zijn optimistisch. Het zal wel komen omdat het leger druk is met de buit met de mooi geborduurde klederen. En de gevangen genomen vrouwen moeten nog worden verdeeld over de soldaten. Iedere soldaat mocht met zo'n vrouw doen wat hij wilde. We worden al misselijk bij de gedachte. Wat staan deze speculaties in kontrast met de werkelijkheid. Deze laatste zinnen van het gedicht vertellen over het "Kanaänitische vertrouwen" dat uiteindelijk een illusie is. Dat vertrouwen zal vergaan. Wat staat dat in schril kontrast met het vertrouwen op God waarmee dit lied zo krachtig inzet.
Gods strijd gaat door
In de tweede wereldoorlog werd de stad Coventry in Engeland misdadig zwaar gebombardeerd door de Duitsers.
Talloos veel doden. Een kerk daar werd tot de grond verwoest. Een week later werd Dresden in Duitsland misdadig zwaar door de Engelsen gebombardeerd. Opnieuw talloos veel doden. Oorlog in zijn hardste vorm. Maar in de kerk van Dresden die bij dat bombardement totaal verwoest is hangt op dit moment een bijzonder kruis. De gemeente van Coventry heeft in de puinhopen van haar eigen kerkgebouw overgebleven spijkers opgezocht. En van die spijkers een kruis gemaakt. Dat kruis hebben zij als geschenk aan Dresden gegeven. Wie dat kruis ziet hangen wordt stil ... Er is ook vandaag een kracht die uitstijgt boven wapengeweld. De kracht van de God die overwint. De Here trekt op. Het lied van Debora, is een lied van overwinning. En tegelijk is het een lied dat ons oproept om mee te strijden in Gods strijd. Want Zijn strijd is onze strijd. Hem mogen we volgen. Hij gaat ons voor.