Vragen en antwoorden (1)
1997-10-31
Wij leven in een tijd die, meer dan vroeger, vraagt om bezinning op ons kerk-zijn als zodanig. Waar vroeger de kerk en het leven van de kerk in feite als vanzelfsprekend golden – de kerk wás er gewoon, en het was ondenkbaar dat zij er niet zou zijn – daar is dat vandaag radicaal veranderd: er is niets vanzelfsprekends meer aan ons leven als gemeente van de Here Jezus in deze wereld. En dat stelt ons voor ingrijpende vragen: hoe willen we kerk zijn vandaag? Hoe treden we de wereld tegemoet, welke boodschap dragen we uit? Is dat dezelfde als 100 jaar gelede, 500, 1000 jaar geleden? Of hebben we vandaag een andere boodschap nodig, omdat dat oude verhaal in onze tijd blijkbaar niet meer overkomt?- Jaargang 41
- nummer 22
Over deze vragen wil ik in drie artikelen wat naar voren brengen; niet met de pretentie dat ik de antwoorden op zak heb, maar wel omdat ik ervan overtuigd ben dat de vragen van levensbelang zijn voor de kerk aan het eind van de twintigste eeuw.
In de eerste twee artikelen beperk ik me tot een beschrijving van datgene wat ik meen waar te nemen. In het derde artikel wil ik proberen een aanzet te geven tot een beoordeling.
Onze verantwoordelijkheid
Iemand zou direct al tegen mij kunnen zeggen: "Waar maak je je eigenlijk druk over: het is immers Gód die Zijn kerk bewaart! De poorten van het dodenrijk zullen Christus' gemeente niet overweldigen, dat heeft Hij zelf beloofd (Matteüs 16: 18). Verkondig dus maar gewoon het Evangelie, en dan zal God heus wel voor Zijn kerk zorgen".
En inderdaad, zonder dat diepe vertrouwen dat uiteindelijk niet wij het zijn die de kerk moeten redden, maar dat Hij, de Heer der kerk, dat zelf doet, moeten we maar helemaal niet beginnen met nadenken over de vragen zoals ik die hierboven stelde. Dan wordt het immers zo'n verschrikkelijk krampachtig gedoe, daar kan niets goeds uit voortkomen.
Maar juist omdat we geloven dat God zelf Zijn gemeente bewaart, mogen wij onszelf daarbij laten inschakelen; want het is ook ónze verantwoordelijkheid, door God ons gegeven, om het maximale te doen wat in ons vermogen ligt om de kerk te laten groeien en bloeien - niet als vervanging van het geloof in Gods zorg voor Zijn gemeente, maar juist vanuit dat geloof.
Daarom is het ook geen nieuwe vraag die ik hier stel, maar één die door alle tijden heen, meer of minder bewust, door Gods kinderen is gesteld: hoe zal de kerk het Evangelie van God zó vertolken dat het overkomt bij de mensen om ons heen?
Reformatie
Laten we eens kijken naar de (tijd van de) Reformatie. Ik zou in het kader van dit artikel de stelling willen verdedigen dat één van de dingen die de Reformatoren in hun tijd hebben gedaan, dit is: de leer van de kerk aanpassen aan de vraagstellingen van hun tijd. Ik zeg daar voor alle zekerheid maar direct bij dat ik natuurlijk ook weet dat dat niet het enige is wat van de Reformatie te zeggen valt (zij was ook een terugkeer naar de bijbel, een herontdekking van bijbelse grondwoorden), maar dat neemt niet weg dat de Reformatie óók een aanpassing was van de boodschap van de kerk aan het veranderde tijdsgevoel van de mens.
De Reformatoren, met name Luther, sloten aan bij één van de grote levensvragen van de mensen in hun tijd - niet van álle mensen, maar wel van velen. Deze vraag: waar moet ik met mijn schuld naar toe? Wij kennen die vraag vooral van de worsteling van Luther: hoe krijg ik een genadig God? Maar vergist u zich niet: niet alleen Luthsr "telde deze vraag, maar dat deed ook heel zijn tijd, zijn generatie; dit soort vragen hing aan het eind van de Middeleeuwen in de lucht. Ze waren het logisch gevolg van de in die tijd opkomende grotere aandacht voor de individualiteit van de mens.
Nu had de kerk natuurlijk altijd wel een antwoord gegeven op de vraag naar het heil van mensen: leg je eeuwig lot maar in handen van de kerk, en als je dan verder een beetje goed oppast, het niet te bont maakt en genoeg goede werken doet, dan mag je erop rekenen dat het voor de eeuwigheid wel goed zit. Maar in de tijd van de Reformatie voldeed dat oude antwoord niet meeralthans niet meer voor veel mensen in het zich ontwikkelende noord-westen van Europa. De vroeg-moderne west-
Europese mens kon het gezag van de kerk niet meer zo klakkeloos aanvaarden als dat vroeger werd gedaan (en zoals dat elders in de wereld trouwens ook nog vele eeuwen daarna gedaan werd). Wat hebben de Reformatoren nu gedaan? Zij hebben op een in hun tijd zeer actuele vraag een nieuw antwoord geformuleerd; vanuit de bijbel, zeker, maar tegelijk ook helemaal aansluitend bij het levensgevoel van hun tijd: het heil van God is bereikbaar, zónder bemiddeling van de kerk, in de rechtstreekse relatie tussen God en mens; je hoeft alleen maar te ontvangen wat God je geeft: sol us Christus, sola gratia, sola fide (Christus alleen, door genade alleen, door het geloof alleen).
Onze tijd
Wij hebben de Reformatie hoog - en terecht. Maar dat moet ons er niet aan voorbij doen zien, dat de vraag waarop de Reformatie antwoord gaf ("Hoe krijg ik een genadig God?") niet meer de vraag is van de mens van vandaag. Terwijl wij als kerk juist op dié vraag een prachtig antwoord in huis hebben. Maar het probleem voor ons is dat zo goed als niemand de vraag meer weet of stelt. Waar vroeger voor ieder mens het belang van die vraag en dus ook van het antwoord direct duidelijk was, daar wordt in onze tijd de vraag als oninteressant ervaren - en bijgevolg is ook het antwoord van de Reformatie nauwelijks nog over te brengen naar de mensen om ons heen. Vroeger kon je als kerk van de Reformatie al je energie steken in het uitdragen van het antwoord; in onze tijd moet je eerst beginnen met het uitleggen van de vraag. De gemiddelde mens van vandaag is met heel andere vragen bezig. Vragen als: is er eigenlijk wel een God; is er werkelijk Iemand die in mijn bestaan geïnteresseerd is; is er ergens Iemand die met mij meegaat en die mijn hand vasthoudt als het donker en koud is; Iemand die me niet in de steek laat als het moeilijk wordt en de mensen me aan m'n lot overlaten. En ook: heeft dit leven van mij eigenlijk wel zin, of is het feitelijk niet meer dan een lange en zinloze omweg van de wieg naar het graf - dát zijn de vragen waar mensen vandaag mee worstelen. Kortweg: niet de schuldvraag, maar de zinvraag houdt de mens van vandaag bezig.
De Middelaar
Deze ontwikkeling heeft ingrijpende gevolgen, ook voor de verkondiging van het Evangelie; als ik het goed zie, geldt dat met name voor de manier waarop over de Here Jezus wordt gesproken. Hoe was dat vroeger? Nu, dat was duidelijk: Jezus is de Middelaar; dat was veruit het belangrijkste wat over Hem gezegd kon worden (zie o.a. Zondag 5-6 en 14 van de Heidelbergse Catechismus). Jezus, de Middelaar, de Borg - om een term te gebruiken die vroeger ook onmiddellijk duidelijk was, maar dat vandaag niet meer is, in elk geval niet onder ons – in dergelijke formuleringen sprak het geloof zich uit in een tijd waarin het besef algemeen was dat het van levensbelang was om te weten hoe je voor God kon verschijnen. Vandaag is dat besef er nauwelijks nog. En daarom zie je 't gebeuren, en merk je 't ook bij jezelf: in een gesprek met mensen die God niet (goed) kennen zul je niet zo gauw beginnen bij Jezus als Middelaar - en als je dat tóch doet, dan merk je dat het gesprek niet goed wil; alsof je een andere taal spreekt - en in zekere zin is dat ook zo. En dus zoek je in onze tijd liever andere woorden en andere beelden, om iets over te dragen van de boodschap van God. Niet Jezus als Middelaar, maar wel Jezus als Vriend, als degene die met je meegaat en altijd bij je is, ook in de diepste eenzaamheid: dat zijn beelden waardoor ook de mens van vandaag kan worden aangesproken. Hoe groot is immers in onze hoogontwikkelde samenleving niet juist dat probleem van de eenzaamheid; hoeveel mensen gaan, ondanks de beschikbaarheid van een leger aan gespecialiseerde hulpverleners, ten onder aan een diep besef van alleen-zijn!
Kerk in de wereld
En dus hebben ook wij als kerk in de loop van de tijd de accenten in onze beleving van het geloof verlegd. Want laten we ons daar niet in vergissen: wij leven allemaal in dezelfde wereld, we ademen dezelfde lucht in. Ook wij zijn moderne mensen; dat zijn immers geen obscure wezens die zich ergens ver van de kerk ophouden, nee, ook onze kerken zitten vol moderne mensen. En daarom beleven we ons geloof vandaag net een beetje anders dan vroeger. In plaats van daar een lang en min of meer theoretisch verhaal over te houden, kies ik ervoor om aan de hand van twee Psalmen deze verandering te laten zien. Als eerste is dat:
Psalm 130
U weet: Psalm 130 is de psalm die gezongen wordt vanuit "de diepten van ellende". Vele eeuwen lang hebben kinderen van God naar deze Psalm gegrepen als ze in diepe nood waren geraakt. Nu is er iets typerends aan de hand met de manier waarop in deze psalm gesproken wordt over de menselijke ellende: er wordt namelijk een rechtstreekse verbinding gelegd tussen ellende aan de ene kant en zonde een de andere kant. De ellende waar deze psalm over spreekt, wordt beschreven als een onmiddellijk gevolg van de zonde. En dus klinkt in dit lied vanuit de diepte het beroep op God en op Zijn bereidheid om te vergeven. Wil er een eind komen aan de nood, dan is het allereerst nodig dat God vergeving schenkt. Het antwoord op de menselijke ellende luidt in Psalm 130 dan ook: Hoort aan de goede tijding: Hij geeft in zijn geduld aan Israël bevrijding van onrecht en van schuld Vergis ik mij als ik het gevoel heb dat deze psalm, met z'n expliciete verbinding van ellende en zonde, vandaag niet meer zoveel gezongen wordt als vroeger? Wij hebben immers – en daarin zijn we volop moderne mensen - meer dan vroeger oog gekregen voor die vormen van menselijke ellende die zich niet rechtstreeks laten herleiden tot een bepaalde concrete schuld. Anders gezegd: die menselijke ellende waarbij we Jezus niet zozeer als Middelaar, maar vooral als Vriend nodig hebben.
Psalm 139
Nog zo'n voorbeeld van de verandering die zich naar mijn indruk heeft voltrokken in onze geloofsbeleving: Psalm 139. Het zwaartepunt van die psalm is in onze tijd denk ik verschoven van het eind van de psalm naar het begin ervan. Nee, niet in die zin dat het begin vroeger niet ook gezongen werd - dat werd het wél: "Niets is, o Oppermajesteit, bedekt voor Uw alwetendheid", vers 1 in de Oude Berijming - maar het liep dan toch maar uit op vers 14, het vers dat dan ook het vaakst gezongen werd: "Doorgrond m' en ken mijn hart, 0 HEER! Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?" Dat wil zeggen: de belijdenis dat de Here ons kent werd onmiddellijk getrokken in de sfeer van: wat is er verkeerd in mijn leven, en waar heb ik Gods vergeving voor nodig? Vers 1 was als het ware de opmaat tot vers 14; het echte, waar het werkelijk op aankwam, stond in de beleving van veel mensen in dat laatste vers. Vandaag hebben wij meer oog gekregen voor de eigen, zelfstandige betekenis van het begin van deze psalm. Vaker dan vroeger wordt alleen het eerste vers gezongen (of de eerste twee): "HEER, die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken, kent Gij mij!" En juist dfé boodschap sluit weer helemaal aan bij het moderne levensgevoel: de Here die ons ziet zoals we zijn - en die dan niet boos op ons wordt, maar bij Wie we helemaal veilig zijn; bij Wie we onszelf mogen zijn, omdat Hij ons aanvaardt zoals wij zijn: wij mogen mens zijn voor Zijn aangezicht. Hij kent ons door en door, en Hij Iaat ons in eeuwigheid niet vallen. Die boodschap vindt z'n definitieve bevestiging en z'n hoogste bekroning in de Here Jezus, in Wie God ons zó gekend heeft als nooit tevoren. Jezus, Immanuël, God met ons.
Tot zover deze keer. In het tweede artikel wil ik graag proberen nog een aantal van de gevolgen van de hier geschetste ontwikkeling in kaart te brengen.