Henriëtte

1997-10-31
  • Jaargang 41
  • nummer 22
Ze trouwde aan het eind van de jaren vijftig. Baan opgezegd, want blijven werken deed je niet als jonggetrouwde vrouw in die tijd. Gelukkig had haar man werk waar zij ook iets in kon betekenen. Hij nam vaak gasten mee naar huis, zakenrelaties.
En zij was een gastvrij type, kookte graag en lekker. Maar steeds mensen ontvangen was niet iets wat haar dagen vulde of zin gaf. Ze wilde kinderen en liefst zo gauw mogelijk. AI haar getrouwde vriendinnen hadden al een baby. Er werd niet gewacht met kinderen krijgen. Er was nog geen pil, je had niets te kiezen, je kreeg ze of je kreeg ze niet. En zij kreeg ze niet. Ja, miskramen.
De één na de ander. Met de eerste was ze amper over tijd. Ze vertelde het niet eens aan haar man. De tweede keer duurde het een maand. Nu merkte haar man er wel iets van. Hij vond het heel vervelend voor haar, want hij zag dat ze er verdrietig om was. Maar verder vroeg hij niet. 't Zou vanzelf wel goedkomen, meende hij. Weer gingen er een paar maanden voorbij in hoop en vrees voor haar. Ze dacht, dat het nog een paar keer mis ging, maar zeker was ze niet. Ze kon met zo'n verhaal niet bij de huisarts aankomen. En toen, opeens was ze duidelijk zwanger. Twee maanden. Ze was dolgelukkig en haar man ook. Nog een maand en ze zouden het aan iedereen vertellen. Maar weer ging het mis.
Ze huilde zoals ze nog nooit gehuild had. Haar man was er verlegen mee, probeerde haar te troosten, maar ze was niet te troosten. Ze gingen naar de dokter die het verhaal aanhoorde, zijn schouders ophaalde en zei dat er nog geen reden was voor verder onderzoek. Ze moest het maar van zich afzetten en rustig de natuur z'n gang laten gaan. Een goedkoper recept had hij niet kunnen geven. Haar moeder kwam een dag en probeerde haar te troosten. Nee, ze had het zelf nooit meegemaakt. Bovendien praatte je nooit over zulke dingen vroeger. In haar tijd al helemaal niet.
'Kom meidje, het zal heus wel een keer goed gaan.' Maar de jonge vrouw vrat zichzelf op van verdriet. Met niemand behalve haar man kon ze erover praten. Ze zou het niet gedurfd hebben óók. Ze moest zelf over haar depressie zien heen te komen. Dingen gaan doen die haar afleidden. Ze vond een zinvolle bezigheid in het op band zetten van boeken voor de blindenbibliotheek. Veel later kwamen zij en haar man terecht in de medische mallemolen van het vruchtbaarheidsonderzoek.

Ze besloten om een kindje te adopteren. Uit een oorlogsgebied haalden ze haar op, zes weken oud.
Toen Emmy opgroeide, zeiden de mensen die het niet wisten dat ze zo op haar moeder leek. Dezelfde kleur haar, dezelfde blauwe ogen. Als het niet echt nodig was, maakte Henriëtte ze niet wijzer. Later hoorde ze wel eens minder goede ervaringen van adoptief ouders. Maar dat verdriet werd hun bespaard.

Ze werden oneindig gezegend in dit kind. Zo zelfs, dat Henriëtte de moeilijke jaren van vóór Emmy's komst bijna vergat en wegstopte in de diepten van haar hart. De zin ervan ontging haar, maar ze vroeg niet meer naar het waarom.
Pas [aren-later meende 'ze er iets van te begrijpen. Want Emmy trouwde en kwam in een kerkelijke gemeente terecht waar veel jonge gezinnen woonden. Daar leerde Henriëtte jonge vrouwen kennen, vriendinnen van Emmy, Emmy zelf trouwens ook, die kampten met datzelfde verdriet van de afgebroken zwangerschap. Ze praatten erover met haar, eerst aarzelend, maar toen ze merkten dat ze 't begréép, vrijer. En stukje bij beetje kwam haar eigen verdriet toch weer naar boven. Het diepweggestopte verdriet, wat vroeger nooit echt een plaats had kunnen krijgen in haar leven, maar waarmee ze nu naast die jonge vrouwen kon staan als geen ander.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief