'Vervloekt hij die een blinde misleidt...' (Deutronomium 27:18)
1997-05-16
Ieder die luistert wens ik Gods genade toe!- Jaargang 41
- nummer 10
Ik ga u iets uit de praktijk van het gemeenteleven vertellen en daarvoor ga ik u eerst iets voorlezen uit ons kerkblad. Ik schreef in het laatste nummer: “Regelmatig hoor ik van inbraak en diefstal bij deze of gene in de gemeente. Het wordt er niet veiliger op in onze wereld en in onze woonplaats. Boeven die in je huis geweest zijn en aan je spullen gezeten hebben – het is een ingrijpend gebeuren, een ernstige aantasting van je privacy. En helemaal schrijnend is het wanneer een invalide hiermee gekonfronteerd wordt, zoals onze hoogbejaarde zuster die-en-die in het dat-en-dat huis overkwam. Wat voor een hufter ben je eigenlijk als je een blinde durft te bestelen? Wat zegt het Woord ook al weer? ‘Vervloekt is hij die een blinde misleidt. En het gehele volk zal zeggen: Amen!’ (Deutronomium 27:18). Inderdaad en namens u allen: AMEN! Dat zal waar en zeker zijn! – om geen krachtiger taal te gebruiken.”
Je kunt aan dit stukje merken dat ik behoorlijk boos was over dat misselijke gebeuren van die diefstal. De verontwaardiging spat ervan af, En is het niet ook een bijzonder lage streek?
Later sprak ik iemand van de politie die mij vertelde dat de dief gevonden was. Gelukkig een insluiper van buiten en niet iemand van het personeel. Een jongen nog maar van zestien jaartjes oud. Weet u, dominee, zei de politieman, toen ik met de kennis van wie de dader was uw stukje in het blaadje las, vond ik het toch wel wat zwaar wat u schreef: Vervloekt hij die... En inderdaad, ik sloeg toen de ogen neer, want ik was dat helemaal met hem eens. Maar hoe gaat dat, nietwaar?
Je lucht je verontwaardiging over iets, zonder te weten op wiens hoofd die verontwaardiging moet neerkomen.
Maar ken je dan dat hoofd, ja, dan wil het met die verontwaardiging ook niet meer zo vlotten. Je weet dan van de persoon en zijn omstandigheden en je deinst terug.
Later liep ik er nog wat over na te piekeren.
Een beetje balend ook. Was ik niet te fel uit mijn slof geschoten?
Opeens herinnerde ik mij een tekst, waar ik in vroeger jaren ook al eens tegenop gelopen was en die bij mij toen soortgelijke gevoelens opriep. Ik heb ook die tekst met u gelezen. Uit het boek van de Spreuken waar de Wijsheid in het eerste hoofdstuk zegt: 'Omdat gij weigerdet toen ik riep, niemand acht gaf toen ik mijn hand uitstrekte, gij al mijn raadgevingen in de wind sloegt en mijn vermaning niet wildet, daarom zal ik ook lachen om uw verderf, ik zal spotten wanneer uw verschrikking komen zal... Dan zullen zij tot mij roepen, maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij zoeken, maar mij niet vinden' (Spr. 1:24-28).
Dat klinkt vrij hard, nietwaar? Vooral als je bedenkt dat als de Wijsheid spreekt het volgens de bijbel zo is dat je de stem van God hoort. Maar herkennen wij hier de stem van God? Is er bij Hem leedvermaak, dat Hij lacht wanneer de mens in de piepzak zit?
Dat puzzelde mij toen. Maar let op: Na dat gesprekje met die politieman had ik ineens de oplossing. Hé, dit wordt als bedreiging gezegd, begreep ik. Dat wil zeggen in een situatie waarin je nog niet weet op wie dit gaat slaan. Is dat wel bekend, dat wil zeggen: Is er iemand die zich daadwerkelijk in de nesten gewerkt heeft, dan wordt de toon anders, dan wordt er uit een ander vaatje getapt. Want ga het maar na: Er wordt in de Schrift wel gewaarschuwd dat God lachend ter zijde zal staan als je al zijn goede raadgevingen in de wind slaat, maar ik daag u uit om mij één plaats in de bijbel te noemen waar dat nu ook werkelijk zo gebeurt. Het tegendeel is waar. Als het zover gekomen is dat een mens of een volk de goddelijke wijsheid aan zijn laars heeft gelapt, dan zie je veeleer dit gebeuren dat God daarop met deernis, met innerlijke ontferming en barmhartigheid reageert.
Die omslag van stemming, daar gaat het me nu om. Dat je briesend van verontwaardiging over een minne streek waarvan je gehoord hebt, in staat bent een vloek over de dader uit te spreken. Maar dat dat niet meer zo wil als je de dader kent en je je van de verzachtende omstandigheden die hij meebrengt (de jeugdige leeftijd, bijvoorbeeld) op de hoogte gesteld hebt. Zonder dat je van het één of van het ander kunt zeggen dat het fout is. Of dat God de mens in geval van ongehoorzaamheid met de zwaarste straffen bedreigt, maar dat als die ongehoorzaamheid dan een feit wordt, de soep toch niet zo heet gegeten wordt als ze werd opgediend. Wordt dat ook uit het optreden van de profeten in Israël niet heel duidelijk? Wat een verschil, nietwaar, tussen de verkondiging van die godsmannen vóórdat en nadat de ramp van de ballingschap was ingetreden! Verontwaardiging vóór en mededogen na de zonde.
Nu zijn er vandaag mensen die zeggen dat het met de hel ook zo zit.
Inderdaad valt niet te ontkennen, hoor je ze dan, dat de bijbel het over het helle vuur heeft. Niet alleen in het Oude Testament gebeurt dat, maar ook in het Nieuwe. De Here Jezus zelf is er het duidelijkste voorbeeld van. Hij heeft het er meer over dan bijvoorbeeld Paulus. (Dat zou je niet zeggen, maar het is wel zo!) Maar, zeggen ze dan verder, dat spreken over hel en verdoemenis, dat is enkel dreigend, dat is alleen maar waarschuwend bedoeld. Want als het zover is dan deinst God voor die eigen woorden van Hem terug. Dan kan Hij het niet over zich verkrijgen ze waar te maken.
Ach, nee toch?, zegt Hij dan, zoals die politieman dat deed bij het lezen van mijn stukje, wetende wie het was die de blinde mevrouw bestolen had. Ach, nee toch? Dat is toch veel te erg? De helse straf dus als enkel waarschuwing.
Wel, dat is een zeer aantrekkelijke gedachte, natuurlijk. Als dat eens waar was... Zou u daar bezwaar tegen maken? Ik niet.. Toch durf ik er niet mee aan te komen. Weet u, wij kunnen zoiets wel eens denken, maar zeker weten doen wij het niet. Een woord van die strekking kan ik in de bijbel nergens vinden. En dat is voor een christen toch beslissend bij zulke belangrijke zaken. U zou er dus een groot risiko mee lopen als u op dit kompas ging varen.
En waarom zou u dat risiko eigenlijk nemen? We weten toch nu al dat God genadig is en dat Hij de zondaar die met berouw tot Hem komt, gaarne vergeeft?
U hebt toch meer aan een God die nu zeker vergeeft dan aan een God die straks misschien vergeeft?
Neem geen risiko's maar laat u in het heden met God verzoenen! O zeker, wanneer straks aan het eind gaat blijken dat God alles door de vingers ziet, dan zult u mij niet horen zeggen: Wat jammer nou! Maar wat, als Hij dat niet zegt? We moeten daar maar niet teveel over spekuleren. We leven in het heden. En wat het heden betreft kunnen we met volstrekte zekerheid zeggen dat God zijn hand over zijn hart strijkt, zodra Hij ziet en zodra wij berouwvol inzien dat wij door eigen schuld in de penarie gekomen zijn.
Alle dreigwoorden waarmee Hij van te voren zulke situaties heeft willen voorkomen, is Hij dan vergeten en één gedachte overheerst bij Hem: Hoe kan Ik deze verongelukte mens helpen, redden? 'Gedachten des vredes en niet ten kwade koester Ik over u', zegt een profeet (Jeremia 29 : 11). Ja, dank zij Jezus Christus en zijn offer op Golgota weten wij met volkomen zekerheid dat het in het heden der genade zo toegaat. Dat de barmhartigheid bij God dan roemt tegen het oordeel.
Gedachten des vredes - die zend ik daarom ook uit naar die stelende knaap, nu ik weet dat het nog maar een bedremmeld jochie van zestien is. En tegelijk zou ik met die vloek van Deuteronomium 27 iedereen van dergelijke gemene streken willen terughouden. Zo is er voor de verontwaardiging en voor de ontferming beide plaats.
Deze preek of toespraak (u mag kiezen) hield ik in het Lorentz-ziekenhuis te Zeist op 23 februari) jl.