Zending: Leven bij de dag, werken voor morgen
1997-05-16
De titel van dit artikel is ontleend aan het werkdocument van de Kamper Zendingsadviescommissie, die zich vanaf het begin van het vorige jaar intensief bezighoudt met de toekomst van het zendingswerk in Zuid-Afrika. Leven bij de dag, onder de genade van de Heer, maar tegelijk het oog gericht op de toekomst, want de ontwikkelingen lijken in een stroomversnelling te zijn gekomen.- Jaargang 41
- nummer 10
Op afstand en toch betrokken
In vier goed leesbare artikelen heeft ds Vonkeman heel wat op het bordje neergelegd van die kerken, die het zendingswerk in Zuid-Afrika als een opdracht van hun Heer zien. Hij zegt zeer behartigenswaardige dingen, die niet alleen deze kerken zich kunnen aantrekken, allen die het zendingswerk een warm hart toe dragen, kunnen met deze artikelen hun winst doen.
Helder schetst hij de voetangels en klemmen, waar je als zendeling en zendende kerk mee te maken krijgt, en zijn artikelen moeten dan ook worden opgevat als een stimulans voor het thuisfront bij het nadenken over de vlucht die het zendingswerk, met name in KwaZulu-Natal, genomen heeft. Ontwikkelingen, die de zendende kerken en de kerken die hen steunen, wellicht boven het hoofd dreigen te groeien.
Bezorgdheid
Ds Vonkeman schrijft zijn artikelen vanuit de bezorgdheid, dat goedwillende zendingscommissies op verre afstand onvoldoende stuur kunnen geven aan de ontwikkelingen, waar de zending in deze fase van haar geschiedenis mee te maken krijgt. Enerzijds ben ik het helemaal met hem eens, dat het proces van zelfstandigwording van kerken op het zendingsterrein om een goede en deskundige begeleiding vraagt, gezien de problemen die daar mee samenhangen.
In de beginfase van het zendingswerk viel er nog niet zoveel bij te sturen, de zendingscommissies fungeerden vooral als klankbord van de zendeling, die in zijn rapportage verslag deed van zijn werkzaamheden.
In die situatie was een zendingscommissie, gezien de grote afstand, volledig aangewezen op de informatie, die de zendeling aan het thuisfront verstrekte.
En aan die informatie heeft het ook niet ontbroken. Zowel via de correspondentie als op een zendingstournee, tijdens het verlof van de zendeling, werd het thuisfront royaal van informatie voorzien.
En zo heel af en toe ging er een delegatie van de zendende kerk op bezoek in Zuid-Afrika om met het werk en de werkers kennis te maken.
In een veranderende context
In die situatie is de laatste jaren grote verandering gekomen. Er zijn predikanten en evangelisten opgeleid, er zijn kerken geïnstitueerd, er zijn kerkgebouwen en pastorieën gebouwd, er is een zendingspost verrezen, bescheiden weliswaar in westerse ogen, maar ook het runnen van een kleine post vereist goed management. Vervoersproblemen moet geregeld worden. Het werk is omvangrijker en gecompliceerder geworden, de financiën hebben een hoge vlucht genomen, de verantwoordelijkheid daarvoor kan en mag niet alleen door de zendelingen gedragen worden. Het thuisfront, i.c. de zendingscommissies worden steeds meer betrokken in de besluitvorming. En dat op afstand door mensen die de cultuur niet kennen, en die in veel gevallen de mensen en situaties niet kennen.
Informatie
Dat betekent een paar dingen. Allereerst: de deskundigheid zit voor het grootste deel in Zuid-Afrika. Daarom is goede informatie van zeer grote waarde voor de zendingscommissies, die moeten meedenken en uiteindelijk de beslissingen moeten nemen. Van de kant van het thuisfront wordt invoelingsvermogen en betrokkenheid gevraagd. Soms moet je ook tussen de regels door kunnen lezen. Het is daarom ook een goede zaak, dat er regelmatig een delegatie naar het zendingsterrein gaat om met allen, die bij het zendingswerk betrokken zijn, te praten. Je uit de eerste hand laten informeren over de ontwikkelingen die er gaande zijn, om op grond daarvan beleid te kunnen ontwikkelen.
Ik ben nog steeds dankbaar dat ik samen met een aantal broeders uit Kampen een paar keer in de gelegenheid geweest ben om een bezoek te brengen aan "ons" zendingsterrein. Het heeft ons inzicht in de problematiek, m.n. rondom de verzelfstandiging van, de zendingskerken, enorm verhelderd.
Het persoonlijk contact met de broeders en zusters, het proeven van de cultuur waaruit de kerken zijn voortgekomen, het helpt ons bij het nadenken over de toekomst van ons zendingswerk. Maar nogmaals om goed beleid te kunnen maken, is en blijft het thuisfront afhankelijk van de informatie die de zendeling aanlevert.
Het oude model
In dit verband stelt ds Vonkeman ook de structuur van het Nederlands Gereformeerde zendingsmodel ter discussie.
Zo gezegd de oude vrijgemaakte, door ds Visee uitgedragen, visie. De plaatselijke gemeente zendt uit. Ik kan me heel goed vinden in de kritische noten die hij daarbij plaatst. En toch, dat oude zendingsmodel mag niet zonder meer op de schroothoop worden gegooid. Want waar gaat het om in de relatie tussen zendeling en thuisfront? Het gaat om verantwoordelijkheid, betrokkenheid en deskundigheid. De eerste twee, verantwoordelijkheid en betrokkenheid, waren in het oude "Kamper" model duidelijk aanwezig. De kerkenraad beriep en zond uit, de zendeling was verantwoording verschuldigd aan "zijn" kerkenraad onder wiens tucht en opzicht hij stond.
De betrokkenheid van het thuisfront was groot. Een zendeling was de zendeling van de hele gemeente. De mannen en vrouwen van het eerste uur in de zendingscommissies waren enthousiaste en betrokken mensen. Zij wisten de zending tot een levende zaak te maken in de gemeente.
Meer deskundigheid
Deskundigheid was er veel minder.
Was ook minder een vereiste. Nu wordt er van de zendingscommisssies veel meer gevraagd. De zendelingen moeten in de nieuwe situatie van verzelfstandiging een stap terug doen. In de gemeenten zijn de predikanten, zéker de predikanten, en ouderlingen de leiders van de gemeenten geworden. En waar het om financiën gaat, is niet meer de zendeling, maar de zusterkerk in Nederland het aanspreekpunt. Over veel zaken moet met de zelfstandige kerken onderhandeld worden, op grote afstand, in een taal, die van beide kanten niet de moedertaal is. Geen geringe opgave voor al die verschillende zendingscommissies.
Ik kan me daarom heel goed het pleidooi van ds Vonkeman voorstellen voor een breder samengestelde zendingscommissie, met deskundigheid uit de steunbiedende kerken. Ik kan me dat voorstellen, gezien de enorme verantwoordelijkheid die dit werk met zich meebrengt.
Daar wordt ook heel stevig over nagedacht.
Hoe kunnen we zo gericht mogelijk gebruik maken van de deskundigheid die er binnen de kerken aanwezig is? Wel blijven er vragen m.b.t. de uiteindelijke verantwoordelijkheid, maar daar valt wel een oplossing voor te vinden.
Voorwaarde is: een heldere en duidelijke structuur: Wie is er verantwoordelijk?
Hoe lopen de lijnen? En een goede en eenduidige informatie.
Afbouw in het perspectief van opbouw
In zijn artikel trapt ds Vonkeman ook heel stevig op de rem wanneer het woord afbouw valt, "want zending en afbouw zijn vreemde bedmaats". Ik kan me dat heel goed indenken. En gezien wat hij te berde brengt over de economische situatie van onze broeders en zusters in dit "derde-wereldgebied" ook heel goed te begrijpen. Toch een paar kanttekeningen. We hebben, denk ik, met elkaar een paar grote fouten gemaakt. In het verleden heerste teveel de gedachte dat het geld niet op kon, dat de bomen in de hemel groeiden. Een rijke zending in een arme, verpauperde wereld. En we hebben daar navenant naar gehandeld. Kerken gebouwd wanneer er nog nauwelijks levensvatbare gemeente waren. In het geloof, ja zeker, maar was het altijd wijs en naar de bedoeling van de Geest?
Traktementen, die uitgingen boven wat gangbaar en vergelijkbaar was, want een zwarte predikant hoeft niet voor zijn blanke broeder onder te doen. Een uiterst gevoelige problematiek, zeker in de tijd waarin de scheiding der rassen fel onder vuur lag. En dat laatste met recht. Maar dat maakt het probleem soms ook onbespreekbaar en onoplosbaar.
Toch kun je een gulden, en ook een rand, maar één keer uitgeven.
Geen handen aftrekken
Afbouw betekent niet, en mag ook nooit betekenen: we trekken onze handen af van wat is opgebouwd. De economische situatie in dit gedeelte van Zuid-Afrika is erbarmelijk en dat is ook één van de uitgangspunten van beleid.
Rekening houden met de draagkracht van onze broeders en zusters. En hen in dat opzicht niet overvragen. Wij denken daarom ook op lange termijn, maar vinden wel dat de problematiek bespreekbaar gemaakt moet worden.
Daarbij speelt een ander uitgangspunt een belangrijke rol. De verantwoordelijkheid die de zelfstandige kerken hebben gekregen in allerlei opzicht. Afbouw betekent dan: hoe kun je met elkaar een gezond kerkelijk leven opbouwen.
En dan ga ik nog een stapje verder en zeg: de rijke zending kan voor de ontwikkeling van een gezonde kerk ook een belemmering worden, wanneer die kerk als een kind blijft lopen aan de hand van de moeder. Wij willen de kerken, die uit het zendingswerk ontstaan zijn, zien als zusterkerken en op die basis met hen praten over de toekomst.
Dat is verre van gemakkelijk en we hopen daarbij dankbaar gebruik te kunnen maken van de kennis en het inzicht van onze zendelingen, die een veel betere inschatting van de situatie kunnen maken dan wij.
Dochter wordt zuster
Wij hebben met het woord afbouw iets willen losmaken, en ik begrijp daarom ook wel de schrik, die er spreekt uit het artikel van ds Vonkeman. Maar wij willen meer verantwoordelijkheid neerleggen bij de kerken voor hun eigen kerkzijn op de plaats waar God hen geroepen heeft. Zij mogen en moeten op eigen benen staan, daarin willen wij hen ook stimuleren. Dat is wat anders dan je handen aftrekken van broeders en zusters die je hebt lief gekregen.wij zullen hen helpen en bijstaan, zoveel als in ons vermogen ligt. Door Gods goedheid hebben wij in het geloof een band met elkaar gekregen, dat breek je niet af, daar blijf je aan werken. Maar met de zelfstandigheid verandert ook de relatie.
Een dochter wordt zuster en dat moeten wij beiden leren respecteren.