2. "Onfeilbaar"?
1997-05-16
Hieronder het tweede deel van de serie die Van Kampen in het vorige nummer begonnen is in reactie op een brief van dhr. Van der Ploeg. Kern van deze brief is wat vandaag eigenlijk verstaan moet worden onder een klassiek christelijke Schriftbeschouwing. Om te weten waarop Van Kampen precies reageert, hebben we de bedoelde brief eveneens opgenomen. U vindt hem in de nabijheid van dit artikel.- Jaargang 41
- nummer 10
Engelstalig
Misschien moet ik dit verhaal maar beginnen met een paar eigen notities.
Dat doe ik wat ongaarne, maar het kan relevant zijn voor het vervolg. Door mijn studie en ervaringen ben ik meer op de Engelstalige wereld georiënteerd dan het geval lijkt bij (zeker de oudere generatie) theologen hier te lande die vanuit hun studie meer Duitstalig georiënteerd zijn. 't Valt niet mee die uitspraak toereikend te onderbouwen, maar toch meen ik dat in de Engelstalige wereld soms andere accenten gevonden worden en een ander klimaat heerst, dan in Duitstalige gebieden. Bij Bijbeluitleg en archeologie, maar ook systematische theologie en wijsbegeerte, lijkt de Britse, Amerikaanse en Australische academische wereld (voorzover ik die ken, natuurlijk) te maken te hebben met andere krachten dan op het Europese vasteland, met name Duitsland, het geval lijkt. Ik heb veel opgestoken van Engelstalige "evangelikale" denkers (ook wel gelovigen uit Azië of Afrika, overigens).
Ik denk niet alleen aan C.S. Lewis of Francis Schaeffer. Ook John Stott en Leslie Newbigin reken ik daartoe, F.F. Bruce, Michael Green, Leon Morris, Howard MarshalI, Dick France, John Wenham, een schier onafzienbare stoet auteurs die publiceren bij Eerdmans, IVP of Paternoster. Een levendig debatterend gezelschap mensen die enerzijds het gezag van de Schrift volop erkennen, maar anderzijds grondige academische studie bepaald niet schuwen.
Aanvaarding van de Schrift sluit die diepe studie ook niet uit. Het is een van de (vele) valse dilemma's waarmee me soms worden geconfronteerd. Het is niet "of-of', maar "en-en".
Afkeer van "systemen"
Het tweede om te zeggen is dat ik mezelf betrapt heb op nogal diepe afkeer van "systeembouw". Dat is de reden dat ik aan de wijsbegeerte van G.F. Hegel (waarvan ik overigens bijzonder weinig weet) voornamelijk hekel heb en onberedeneerde voorkeur en sympathie heb voor Kierkegaard en vooral de fijngevoelige Blaise Pascal, van wier denken ik nauwelijks méér af weet dan van Hegel, overigens. Zij zijn, naar ik meen, ingegaan tegen de pretentie dat wij mensen hier de hele werkelijkheid in een onaantastbaar (denk)systeem neerzetten. Ik heb er, met andere woorden, niet zo'n moeite mee als mijn denken op een bepaald punt niet "af' is. (Dat is het dan ook nooit!) Daarmee hangt samen dat ik, op gevoelsmatige gronden alleen al, twijfel heb, als iemand met een gesloten systeem komt, of iets dat erop lijkt. Ik zou al niet in Marx' visie kunnen geloven op grond van het gegeven dat hij de indruk wekt de hele wereldgeschiedenis aan een of twee factoren te kunnen ophangen.
De relevantie van die opmerking is dat ik onmiddellijk gevoel van wantrouwen heb bij zowel Darwinisten die de werkelijkheid in één visie omvangen willen, als ook de even systeembouwende "anti-evolutionisten" die vanuit één punt, b.v. de Zondvloed, het totale Evolutionisme bestrijden willen. Mensen die vanuit een "onaantastbare" academische kennis de tekst van de Schrift zeer dubieus achten geloof ik niet, maar ook iemand die een boekje schreef over "Alleged Discrepancies of the Bible" bezie ik met stille twijfel. Als laatstgenoemde beweert dat er geen enkel los eind in de Schrift is, dat aangaande Bijbeltekst of Canon, inspiratie en revelatie, geen énkel probleem bestaat, mits we maar bereid zijn om te buigen voor het gezag van Gods Woord, word ik ook aangegrepen door vragen. Omdat die persoon van de Schrift een keurig gesloten geheel dreigt te maken, een in zichzelf rustend systeem! Bepaalde boeken over "inerrancy" (de Schrift is volstrekt onfeilbaar, er staat geen enkele fout of discutabele uitspraak in, er zijn geen fouten gemaakt bij het overschrijven) roepen bij mij vaak een zekere twijfel op, de neiging op te kijken of dat wel klopt. Zo zit ik in elkaar; het is maar dat u dat weet. Uit dit punt komt onder andere ook voort dat ik hieronder alleen wat losse notities zal maken en op geen enkele wijze de pretentie voer dat dit "dus" alles is wat ervan te zeggen valt.
Voordat daarover misverstand ontstaat, ik ben voor bedrijven van Dogmatiek of, zo men wil, Systematische Theologie.
Dat is een zeer belangrijke studie. Die hoeft ook helemaal niet in de geest van "systeembouw" te worden begaan, "God als object van studie" en zo. Tegen dat laatste ben ik wel weer enorm gekant.
Historisch?
Dan over naar de vragen in kwestie. Om maar met het heetste hangijzer te beginnen, de historiciteit van de gebeurtenissen in de Schrift. Heeft Abraham' bestaan, of Isaak? Kennen we Jona uit andere dan bijbelse bron? Is 't boek Daniël wel gesçhreven voor de gebeurtenissen die het beschrijft, bevat het dus echte profetieën? Of is het geschreven tijdens of na de gruwelijke dagen van de slechte heidense vorst Antiochus IV Epiphanes en de opstand der Makkabeeën?
Is de datering van Deuteronomium vroeg (Mozes' tijd) of laat (de tijd van Josia)? Staat die Wet aan het begin van Israëls nationale bestaan, is mede daardoor dat volk aan een aantoonbaar eigen religieus bestaan gekomen? Of is het meer de neerslag van het geloof der profeten en hun intens beleden monotheïsme, maar niét de historische grondslag van hun aparte Wetgeving? Zijn de Hittieten wel een historisch volk, heeft Abraham wel kamelen gehad, kon men in Mozes' tijd schrijven, stond Jericho in de dagen van Jozua nog overeind of was het al eeuwen een ruïne? Is het gezichtspunt van Kronieken of Koningen betrouwbaar? Wat het Nieuwe Testament betreft, hoe betrouwbaar is Lukas als geschiedschrijver, heeft Jezus Zich als Zoon van God beschouwd, woonden er wel voldoende mensen .in de stad Jeruzalem om de bekering van 3000 en 5000 mogelijk te maken zonder het stadsleven geheel te ontwrichten? Ik zou deze reeks vragen moeiteloos nog enorm kunnen uitbreiden. De vraag rond de Canon bijvoorbeeld: hoe weten we dat de boeken van de Bijbel, die bij diverse beslissingen gezaghebbend geacht zijn, dat ook inderdaad zijn? Wie heeft dat vastgesteld en op welke gronden is dat destijds gebeurd? Dan heb ik de voornaamste vraag nog niet gesteld: is Jezus echt uit de doden opgestaan?
Hoe is onze zekerheid dienaangaande feitelijk onderbouwd?
Vragen erachter
Wie die enorme reeks vragen beziet komt snel tot de conclusie dat het pure hovaardij is te menen op alle vragen een adequaat antwoord te hebben! Achter al deze vragen ligt natuurlijk ook nog tenminste deze vraag: welke instantie kan/moet in laatste instantie beslissen of al deze gebeurtenissen wel of niet historisch betrouwbaar zijn? Is dat ons verstand?
Hebben de denkers van de "Verlichting" gelijk, die staan in de traditie van het geloof in eigen denkvermogen?
Die beweging begon rond 1650, werd krachtig in de 18e eeuw, leek overweldigend in de tse en vroege 20e eeuw, maar lijkt nu, in het Postmodernisme opvallend aan kracht ingeboet te hebben?
Hoe wisten of wéten oude of latere Vrijzinnigen (de School van Bultmann en zovele anderen) zo zeker dat iets in de Schrift niet zo kan zijn? Voor welk forum is die kwestie te besluiten? Wat me nu opvalt is dat veel van die vragen moeilijk of onmogelijk te beantwoorden zijn, als we niet op zijn minst ook letten op de uitkomsten van archeologisch onderzoek, van de ontcijfering van kleitabletten of papyri, "epigrafische" studie, etc. (Dat laatste woord houdt de nauwgezette studie van inscripties op sarcofagen of munten, vergelijkbaar onderzoek van namen en nog veel meer.) Oudtestamentici noch Nieuwtestamentici kunnen over vragen van historiciteit alles zeggen zonder gebruikmaking van veel van die achtergrondstudies; tegelijk krijg ik de indruk dat sommige van de "grote" (Duitse?) Oud- of Nieuwtestamentici vanuit een "systeemvisie" werken waarin veel van de antwoorden op deelgebieden niet of nauwelijks aan bod zijn gekomen.
Op welke basis?
Tegelijk hier eerst maar eens een andere gedachte, die ik ook in bepaalde Engelstalige boeken heb opgemerkt, vooral die van de Engelse theoloog John Wenham. We kunnen de historiciteit van vele zaken en gebeurtenissen vaak niet zo erg gemakkelijk vaststellen.
Mogen we dan niet gewoon afgaan op wat de Here Jezus daarover zegt? Ik vind dat wel een heel aantrekkelijke gedachte.
Als we de vraag stellen of Jona echt geleefd heeft, of er op enig moment een dramatische omkeer in het religieuze leven van de stad Nineve heeft plaatsgevonden (dat is dan aan de orde), of een mens door een grote vis kan worden opgeslokt en weer uitgespuwd, of God mensen zo bij naam en toenaam kan roepen, of er zoiets is als "voorspellende profetie", etc., hebben we een enorm complex aan vragen die voor een groot deel ook nog niet beantwoord zijn.
Hoe kom je verder? Als er een document in Nineve wordt gevonden dat expliciet de komst van Jona zou aankondigen en de gevolgen van dat bezoek bevestigen, zou voor een aantal lezers de betrouwbaarheid van het boek Jona in hoge mate vaststaan. Maar is zo'n vondst te verwachten? Hoe is de verhouding tussen de ooit gevonden voorwerpen en documenten en de hoeveelheid die er eens geweest moet zijn?
Ongetwijfeld is slechts een fractie van het eens bestaande ooit gevonden of zal ook te vinden zijn. Maar hebben er ooit documenten bestaan die zonneklaar en overtuigend de juistheid van de inhoud van Jona bevestigen? Christus Zelf spreekt over "het teken van Jona" (Mattheüs 12: 39-41; Lukas 11:29,30,32)) en over "de mannen van Nineve". Hij doet dat, alsof het om historische zaken gaat! Hij spreekt over Abel (Lukas 11:51), over Noach (Mattheüs 24:37-39; Lukas 17:26,27), Abraham (Johannes 8:56), de besnijdenis (Johannes 7:22; vgl. Genesis 17:10-12 en Leviticus 12:3), Lot (Lukas 17:28-32), Izaak en Jacob (Mattheüs 8: 11; Lukas 13:28), het manna (Johannes 6:31-32,49,58), de slangen in de woestijn (Johannes 3:14), David die van de toonbroden eet (Mattheüs 12:3,4; Markus 2:25; Lukas 6:3,4), Salomo (Mattheüs 6:29; 12:42; Markus 12:36), Elia, Elisa (Lukas 4:25-27) en Zacharia Lukas 11:50,51). John Wenham, aan wiens voortreffelijke boek Christ and the Bible ik deze gegevens ontleen, voegt er aan toe: "Deze laatste passage toont zijn besef van de eenheid van de geschiedenis en zijn begrip van de totale omvang. Zijn oog overziet de hele loop der historie van "de grondvesting der wereld" tot 'dit geslacht'." Hij meldt verder de herhaalde verwijzingen naar Mozes als wetgever, het lijden van profeten des Heren, het voorkomen van valse profeten, etc. (Dit verhaal moet niet te taai worden, zodat ik alle verwijzingen hier maar weglaat, maar een en ander kan zo gedocumenteerd worden.) Dan volgt een m.i. zeer belangrijke passage: "Hoewel deze citaten min of meer willekeurig door onze Heer uit verschillende delen van het Oude Testament gekozen worden en bepaalde perioden van de geschiedenis meer volledig behandeld worden dan andere, is het zonneklaar dat Hij met het grootste deel van ons Oude Testament bekend was en dat Hij alles gelijkelijk als historie aanvaardde. Opmerkelijk genoeg zijn de verhalen die voor de zgn.'moderne geestesgesteldheid' het moeilijkst te verteren zijn precies die verhalen waar hij het liefst zijn voorbeelden aan ontleent.'"
Hij die, naar eigen zeggen, heerlijkheid had bij de Vader "eer de wereld was" (Johannes 17:5), die zegt: "Eer Abraham was ben Ik" (Johannes 8:58) lijkt daarmee de historiciteit van Jona, de ondergang van Sodom en Gomorra, de komst van de koningin van Scheba en vele andere gebeurtenissen voluit te bevestigen. Onbevangen spreekt Hij over passages in Israëls geschiedenis die wij nogal moeilijk vinden.
John Stott, een bekende Anglicaanse "evangelical", zegt dit: "Wij pretenderen dat Jezus onfeilbaar (inerrant) was, dat zijn hele onderricht waarachtig was, inclusief zijn bevestiging van het gezag van de Schrift." Elders zegt hij: "De voornaamste reden waarom wij ons stellen onder het gezag van de Bijbel is dat Jezus Christus duidelijk uitsprak dat die Bijbel Gods gezag bezit."
Christus bevestigt de historiciteit van door ons betwijfelde gebeurtenissen. Dat is een ander soort argumentatie voor de betrouwbaarheid van de Schrift dan allerlei voorstanders van onfeilbaarheidsvisies hanteren, die meer "het uitgebalanceerde systeem" lijken te gaan bevestigen.
Hier wordt niet vanuit de juistheid van het document geargumenteerd of vanuit de eenheid van het systeem, maar vanuit de Persoon die ons als de meest Betrouwbare in de wereldgeschiedenis wordt getoond, Leidsman en Voleinder van ons geloof. (Hebreeën 12:2)
Noten
1 Jahn Wenham. Christ and the Bible. Tyndale Press. Londen. 1972. pp. 12.13.
2 Jahn Statt. Understanding the Bible. (1972. herz. druk 1984) Scripture Union. p. 153; Jahn Statt. The Bible: Book for Today. IVP. 1982. p. 27.