Vragen en antwoorden (2)
1997-11-14
In het vorige artikel heb ik geprobeerd een beeld te geven van een ontwikkeling die zich in onze tijd heeft voorgedaan. Als kern daarvan heb ik genoemd de verschuiving in het beeld van de Here Jezus: in de beleving van velen (niet alleen van randkerkelijken, maar ook van overtuigde gelovigen!) is het belangrijkste niet meer, zoals vroeger, dat Hij de Middelaar is die God en mens verzoent, maar dat Hij die machtige Vriend is die met je meegaat, en bij wie je met alles terecht kunt. Daar zitten nogal wat gevolgen aan vast. Want nu komt er een heleboel in beweging. In dit artikel wil ik proberen een en ander een beetje in kaart te brengen, zoals ik het meen waar te nemen. Overigens is bij veel van het hieronder aangestipte een soort kip-en-ei-discussie mogelijk: wat was er éérder, wat is de oorzaak en wat is het gevolg. Die discussie interesseert me niet zoveel, waar het om gaat is dat naar mijn overtuiging heel veel dingen met elkaar samenhangen en juist in hun onderlinge samenhang moeten worden gezien.- Jaargang 41
- nummer 23
God de Vader
Vroeger was het vooral de heiligheid van God die in de beleving van veel mensen de dominante trek was in het beeld van God. De Here is heilig, Hij is ongenaakbaar; en bijgevolg is er een geweldig grote afstand tussen God en mens. Een afstand die van ons uit ook niet te overbruggen is. Het is voor ons onmogelijk om in de nabijheid te verkeren van deze heilige God. Als mens moet je deze onmogelijkheid leren erkennen en ook als schuld belijden. Je moet je zondestaat en je onheiligheid diep inleven. Pas dan komt de weg vrij om door de Middelaar Jezus Christus tot God te naderen, en door Hem in genade te worden aangenomen. Maar ook dan nog blijft dat diepe besef van eigen onwaardigheid en onheiligheid voor het aangezicht van de Here. Hoe is dat vandaag? Nu, naar mijn indruk - u merkt: ik probeer me steeds voorzichtig uit te drukken; dat is niet maar voor de vorm, maar dat is hartelijk gemeend! - naar mijn indruk worden weliswaar dezelfde woorden als vroeger nog steeds gebruikt (in sommige kerken bijvoorbeeld in de geritualiseerde schuldbelijdenis in de liturgie op zondagmorgen), maar is intussen de werkelijke beleving die aan die woorden beantwoordt veelal weggesleten. Zeker, er zijn uitzonderingen, maar de meeste mensen beleven vandaag de relatie met God (de Vader) niet meer als één van grote afstand ten gevolge van onze zondigheid die niet kan bestaan in het vuur van Zijn heiligheid. Integendeel, het belangrijkste woord om die relatie met God te omschrijven is nu iets heel anders, namelijk: liefde! En dan zijn het met name woorden van de apostel Johannes die vandaag benadrukt worden: "God is liefde", en: "De volmaakte liefde drijft de vrees uit; want de vrees houdt verband met straf, en wie vreest is niet volmaakt in de liefde" (1 Johannes 4:16,18). Meer dan vroeger herkennen wij in dergelijke Schriftwoorden het wezenlijke van wie de Here God is voor ons.
Het geloof
Ook het geloof zelf verandert van kleur. Waar vroeger het woord "gehoorzaamheid" kon gelden als een omschrijving van waar het ten diepste om ging in het geloof, daar is dat vandaag echt anders; zeker: "gehoorzaamheid"
hoort óók bij het geloof, het heeft daar een eigen, legitieme plaats in - maar het hoort niet meer tot de woorden die we gebruiken om de kern van onze relatie met de Here onze God te omschrijven; in die kern is het vervangen - behalve door het hierboven al genoemde woord "liefde"door: "vertrouwen". En dat past dan weer precies bij die in het vorige artikel beschreven verschuiving; want als de Here Jezus voor jou meer Vriend is dan Middelaar, dan is het alleen maar logisch dat je de relatie met Hem niet beleeft in termen van gehoorzaamheid, maar van vertrouwen. Een vriend vertrouw je immers; dat is één van de meest wezenlijke kenmerken van een vriend: dat je hem door en door kunt vertrouwen. Gehoorzaamheid daarentegen hoort thuis in een andere sfeer: die van heer en knecht, van hoog en laag, van de afstand tussen God en mens. Ook voor déze verandering geldt dat we haar herkennen in bepaalde bijbelteksten, die in onze tijd meer nadruk krijgen dan vroeger. Ik noem er één, Johannes 15: 15, waar Jezus tegen Zijn discipelen zegt: "Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd".
De bijbel
Direct daarbij aansluitend: wanneer het woord "vertrouwen" in de relatie tussen God en mens een grotere rol gaat spelen dan het woord "gehoorzaamheid", zal er onvermijdelijk ook een verandering komen in de manier van omgaan met de bijbel; een liefdesbrief vraagt nu eenmaal om een andere leeshouding dan een koninklijk bevel, of een wetscodex. En zo gaan mensen zoeken in hun bijbel; niet meer, zoals vroeger, om daar de bouwstenen te vinden voor een Gereformeerde dogmatiek of ethiek, maar om daarin de stem te horen van hun hemelse Vader, die vandaag Zijn woord van liefde spreekt tot kleine mensjes op aarde. Zó lezen wij - de meeste mensen vandaag de bijbel. Ik voeg daar nog iets aan toe; het is namelijk geen wonder dat op termijn dan ook de vraag opkomt naar een nieuwe Schriftbeschouwing -Iet wel: een vraag die pas achteraf gesteld wordt; éérst is er de praktijk van een nieuwe manier van omgaan met de bijbel; pas láter gaat die praktijk vragen om een theoretische doordenking en onderbouwing.
De Heilige Geest
Op het moment waarop de Here Jezus in de beleving van de mensen meer Vriend wordt dan Middelaar, verandert ook de rol en de plaats van de Heilige Geest. Vroeger werd alle nadruk erop gelegd dat Hij de Geest is van Christus. Voor een typerend voorbeeld verwijs ik naar het klassieke Doopformulier, met daarin die centrale zinnen over de Heilige Geest: "dat Hij in ons wonen en ons tot leden van Christus heiligen wil. Hij toch eigent ons toe wat wij in Christus hebben"alle nadruk valt op de Here Jezus. In onze tijd wordt de Geest meer in Zijn eigenheid en zelfstandigheid ervaren.
Om zo te zeggen: waar Christus een Vriend is geworden die er altijd voor je is, daar is de Heilige Geest niet meer nodig om je bij Hem te brengen; en dus wordt ook de Geest een soort Vriend van de gelovige, met wie je bijvoorbeeld elke ochtend kunt overleggen over je dagprogramma. Keerzijde van deze ontwikkeling is dat de leer van de Drieëenheid in onze tijd niet erg in trek is. Sommige mensen zijn dan nog wel bereid een zekere welwillendheid ervoor op te brengen, op grond van de ouderdom ervan, maar voor de beleving van het geloof speelt de Drieëenheid nauwelijks nog een rol. Dat is ook goed te begrijpen: als het immers waar is dat bij God de Vader het woord "liefde" hoort, als God de Zoon een Vriend voor je is en God de Heilige Geest eigenlijk ook, dan is het onderscheid tussen Vader, Zoon en Geest zó klein geworden, dat je daar nauwelijks nog een voorstelling van kunt maken. En waar je vroeger dogmatisch op je vingers getikt zou zijn als je de werken van de onderscheiden Personen van de Drieëenheid door elkaar heen liet lopen, daar doen we datzelfde vandaag met grote onbekommerdheid.
De kerk Ook de rol van de kerk blijft niet dezelfde; in het vorige artikel heb ik dat al even aangestipt. Als Jezus meer Vriend wordt dan Middelaar, wordt de functie van de kerk als uitdeler van het eeuwig heil minder belangrijk.
Waarom zou je immers een zo goede Vriend alleen binnen het raam van de kerk kunnen ontmoeten? Wat hebben andere mensen feitelijk te maken met een relatie die jij hebt met jouw Vriend? Het effect van deze verschuiving blijkt met name als het gaat om het kerkbezoek. Terwijl de kerk vroeger het bijwonen van de diensten min of meer kon afdwingen door te verwijzen naar de ermee verbonden sancties in de eeuwigheid, daar zal in onze tijd de kerk aan mensen een andere reden moeten bieden om naar de diensten te komen. Waar immers de liefde van God Zijn heiligheid heeft afgelost, en waar het vertrouwen op God de plaats heeft ingenomen van de gehoorzaamheid aan Hem, daar verbaast het niet dat mensen zich niet meer door dwang laten bewegen om naar de kerk te gaan. Als ze gaan, dan doen ze dat niet omdat dat móét, maar omdat ze de ervaring hebben opgedaan dat datgene wat in de kerk gebeurt de moeite waard is; en dat dan met name omdat het op de een of andere manier lukt om een brug te slaan tussen wat er in de kerk gebeurt en wat ze dagelijks meemaken in hun gewone leven in deze wereld.
Het Avondmaal
Tenslotte - om nu niet meer te noemen - verandert ook de beleving van het Avondmaal. De klassiek-Gereformeerde wijze van Avondmaal-viering wordt gekenmerkt door een grote mate van plechtigheid, passend bij een beleving van de relatie met God die vooral in het teken staat van de heiligheid van God. En daar sluit dan als vanzelf ook de beleving van het sacrament bij aan; niet voor niets spreken we in onze traditie over "het heilig Avondmaal". Het is niet toevallig dat er juist in onze tijd gevraagd wordt naar andere vormen van viering van het Avondmaal. Vormen waarin meer dan vroeger ruimte is zowel voor de concrete ervaring van de nabijheid van God, als ook voor de deelname van kinderen aan de viering. Aan beide behoeften lijken vieringen in kleinere kring beter tegemoet te komen dan de meer massale, plechtige vieringen zoals wij die in de regel gewend zijn.
Aanpassing
Ik vat samen. We leven als kerk met het Evangelie van Gods liefde in een wereld waarin de openheid voor dat Evangelie steeds minder geworden is. Of - laat ik het nauwkeuriger zeggen: voor dat Evangelie in de vorm waarin het ons het meest vertrouwd is; díé openheid, die ruimte is niet zo groot meer in onze wereld. En niet alleen dat wij in zo'n wereld léven, maar wij maken er ook zelf deel van uit. Zoals gezegd: ook wij zijn moderne mensen.
En dus komt ons kerkelijk leven in de spanning terecht: op welke punten mag je je aanpassen aan de veranderde tijd, en op welke punten is iedere aanpassing absoluut verboden? De ene mens en de ene gemeente gaan in de beantwoording van dit soort vragen een andere weg dan de andere mens en de andere gemeente. Het maakt in verband daarmee ook heel wat uit in wat voor omgeving je woont. Dat is ook één van de oorzaken voor de verschillen binnen ons kerkverband: als je immers kerk wilt zijn in de wereld waarin je leeft, en de volstrekte uniformiteit niet je hoogste doel is, dan wordt het onvermijdelijk dat er juist op deze punten verschillen ontstaan tussen gemeenten die zich in soms behoorlijk verschillende leefwerelden geroepen weten om aan het Evangelie gestalte te geven. De vraag is natuurlijk: hoe moet je dat nu allemaal beoordelen? Immers: beschrijven wat je om je heen ziet gebeuren is één ding, maar daar een beoordeling van geven: dat is nog weer heel wat anders. Toch zal dat op een bepaalde manier wel moeten. Hierboven staat: Aanpassing. Voor alle duidelijkheid: ik bedoel daarmee dus niet die vorm van aanpassing die neerkomt op een opgeven van de boodschap van de kerk, een volledige assimilatie van de kerk in de wereld. Dat zou zowel voor de kerk als voor de wereld een niet te aanvaarden verlies betekenen. Nee, bij aanpassing denk ik niet aan assimilatie, maar aan accommodatie: zoals de lens in je oog zich aanpast al naar gelang je iets wilt zien dat dichtbij of juist ver weg is. Aanpassing: Paulus deed het al: hij werd de Joden een Jood, en de Grieken een Griek.
Maar de vraag blijft: hoever kun je daarin gaan? Want er zijn natuurlijk wel grenzen ... Daarover wil ik nog iets proberen te zeggen in een laatste artikel.