Vragen en antwoorden (3)
1997-11-28
In dit derde en laatste artikel wil ik proberen de lijnen uit de beide voorgaande wat door te trekken. Ik meld maar direct aan het begin dat ik met het onderstaande allerminst pretendeer volledig te zijn; er valt veel meer van te zeggen dan ik hier doe. Er zal ook inderdaad meer gezegd móéten worden; aan de voorgaande bezinning op ons kerk-zijn in deze wereld komt tot de dag van Christus geen einde.- Jaargang 41
- nummer 24
Extra spannend wordt die bezinning, nu ook in de Gereformeerde kerken Vrijgemaakt volop over deze vragen blijkt te worden nagedacht - blijkens de toespraken op de laatste Schooldag in Kampen (24 september jl).
'Verschuivingen in de cultuur - huiswerk voor de theologie': daar ging het op die Schooldag over; en inderdaad, het is absoluut nodig dat wij op z'n minst probéren om ons rekenschap te geven van de manier waarop we als kerk in de wereld staan; en ook van de mate waarin we ons, meer dan we ons vaak bewust zijn, aanpassen aan die wereld.
Maar nogmaals: ik presenteer geen alles-omvattende visie daarop; ik wil zelfs geen poging in die richting doen (zie ook het slot van dit artikel). Ik beperk me tot een aantal kanttekeningen; en ik doe dat telkens aan de hand van een bijbeltekst.
1 Korintiërs 2:2
Jezus Christus, en die gekruisigd: hoe je 't ook wendt of keert, maar dát is het hart van het Evangelie. Niet van het Evangelie in een bepaalde tijd, of in z'n speciale toespitsing op de Korintiërs, nee, dit is tiet Evangelie voor de mens, voor elke mens, van wat staat of stand hij ook zij. Hoe je je dus ook aanpast aan het levensgevoel van de moderne mens (daarover zo dadelijk meer), hier ligt een absolute grens: dit Evangelie, of géén Evangelie (zie ook Galaten 1:6-7). lets anders is natuurlijk de kwestie of je dan ook altijd hier moet beginnen. Is de schuldvraag voor kinderen van God het enige dat er werkelijk toe doet? En is, in de ontmoeting met de mensen om ons heen, die vraag naar de schuld de enige legitieme toegangsweg tot het hart van hen die God nog niet in Jezus Christus hebben leren kennen als hun hemelse Vader? Of mag je daar, in een veranderende wereld, ook andere wegen voor zoeken? Wegen: om het hart van de ander te bereiken.
Handelingen 17: 15-34
Het is dit Schriftwoord dat altijd een grote rol heeft gespeeld als het om dit soort vragen gaat: de manier waarop Paulus op de Areopagus z'n uiterste best doet om de harten van de Atheners te bereiken. Twee dingen zijn van belang. In de eerste plaats: Paulus' toespraak loopt uit op de Here Jezus. Dáár brengt hij zijn hoorders: bij Hem die in Persoon het middelpunt is van het Evangelie. Je zou het je ook niet anders kunnen voorstellen van de man die we daarnet als korte samenvatting van heel zijn prediking hoorden noemen: Jezus Christus en die gekruisigd. Maar direct daarbij aansluitend het tweede; heel opvallend: want juist dat kruis van de Here Jezus noemt Paulus niet in deze preek. Natuurlijk: je kunt zeggen dat hij daar de gelegenheid ook niet voor kreeg, omdat zijn toespraak daarvóór al door de Atheners werd afgebroken - en dat is heel goed mogelijk; zelfs wel waarschijnlijk. Maar dat verandert niets aan de waarneming dat Paulus hier in elk geval in eerste instantie de toegang tot het mensenhart niet zoekt via die ene weg van de schuld van de mens en het kruis van Christus. Hij komt de leefwereld van deze mensen binnen, en zoekt dan binnen die leefwereld, binnen die cultuur, naar de maximale aansluiting om Jezus te verkondigen als de Weg, de Waarheid en het Leven, ook voor mensen in Athene, die voor niets anders tijd over hadden dan om iets nieuws te zeggen of te horen (vs 21). Ja, Paulus predikt Jezus. Maar hij doet dat op de Areopagus in Athene heel anders dan in een Joodse synagoge in Klein-Azië (Handelingen 13:15-41). Blijkbaar is er, in verschillende omstandigheden en tegenover verschillende mensen, bijbelse ruimte om te zoeken naar verschillende wegen om dat ene doel te bereiken: Jezus Christus bekend te maken als Heiland en Heer van de wereld.
Filippenzen 1:6-7a
Er is dus verschil mogelijk. Wat de één in stad X zus doet, zal de ander in dorp Y zo doen. Wil dat goed gaan, dan moet er een groot onderling vertrouwen zijn. Nu is het met vertrouwen zo dat je het moeilijk dwingend op kunt leggen; je hebt nu eenmaal vertrouwen in iemand, of je hebt het niet. Iemand verplichten om een ander te vertrouwen, dat is eigenlijk onmogelijk.
Maar op die regel is één uitzondering: als je namelijk dat vertrouwen fundeert in God.
En dat is precies wat Paulus doet in Filippenzen 1. Hij zegt daar niet: "Mensen, ik heb dat eens onderzocht, en nu durf ik het wel aan om jullie te vertrouwen". Dat zou een veel te wankele basis zijn. Paulus zegt: "Ik heb zoveel vertrouwen op Gód, dat ik er zeker van dat het met jullie goed zit. Zo van u allen te denken spreekt voor mij dan ook vanzelf".
Kortweg: Paulus vertrouwt de Filippenzen, omdat hij Gód vertrouwt. Zijn vertrouwen op de God van deze mensen is zo groot dat het niet in hem opkomt om de mensen van deze God niet datzelfde vertrouwen te schenken. Dat spreekt voor hem vanzelf.
Mij dunkt dat hier voor ons wat te leren valt. Nee, dingen die vanzelf spreken staan bij ons niet hoog aangeschreven.
Maar déze vanzelfsprekendheid zou ook in onze tijd het absolute uitgangspunt moeten zijn voor ons omgaan met elkaar, met alle verschillen van inzicht die er vervolgens kunnen zijn. Maar hlér gaan we van uit: dat God jou niet minder vasthoudt dan Hij het mij doet. Natuurlijk is dat dan geen vrijbrief om daarmee het vertoningsrecht te kunnen claimen voor de meest dolle en dwaze dingen. Hierboven noemde ik al Galaten 1: als de kern van het Evangelie in het geding is weet Paulus ook heel andere dingen te zeggen. Maar niet alles raakt onmiddellijk aan die kern van het Evangelie; sommige dingen raken ook heel simpel alleen maar de traditie waarin ik ben opgegroeid. En die traditie valt niet zonder meer samen met het Evangelie van de Here Jezus. De traditie is een soort handvat waarmee het Evangelie voor ons hanteerbaar en toepasbaar wordt. Hier komt het aan op het rechte onderscheidingsvermogen. Het is ook niet voor niks dat Paulus, nadat hij in Filippenzen 1 dat grote vertrouwen in God heeft verwoord, daar bijna direct op laat volgen: "Dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge worden in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden waarop het aankomt" (Filippenzen 1 :9-10a).
Ezra 3:10-12
Nu ja, zegt iemand, allemaal mooi en aardig, maar hoe moet je dan nog keuzen maken in je kerk-zijn van daag? Als je altijd maar begrip en respect moet hebben voor de manier waarop anderen geloven, voor de vormen die. zij ervoor kiezen om vandaag te leven met het Evangelie in de wereld, hoe zul je dan ooit nog kunnen zeggen: "Dit is goed, en dat is niet goed"? Dan is toch uiteindelijk elke keuze die je maakt even legitiem?
Maar dat is toch een vergissing. Zeker: begrip en respect voor anderen moet je hebben - maar dat betekent niet dat er dan geen ruimte meer zou blijven voor het onderscheid tussen beter en minder goed. Je kunt immers bouwen op het fundament met hout hooi of stro, maar het is beter om te bouwen met goud, zilver of kostbaar gesteente. In beide gevallen bouw je op het fundament, maar de kwaliteit van het bouwsel is niet hetzelfde (1 Kor. 3:12-15). Boven dit stukje staat een tekst uit Ezra 3. Het fundament voor de nieuwe tempel in Jeruzalem is gelegd. ’t Is nog maar het begin, er moet nog heel veel gebeuren. Maar er wordt feest gevierd, een groot feest: met muziek instrumenten en beurtzang, en vooral "met groot gejuich" van het volk. Maar als je goed luisterde, dan hoorde je door het gejuich heen ook nog wat anders: daar werd gehuild, bij de fundamenten van de nieuwe tempel. Het zijn de ouderen, die nog weet hebben van de eerste tempel; die zich herinneren hoe mooi het was, vóór de verwoesting van Jeruzalem door Nebukadnessar. Zij huilen, terwijl tegelijk de rest van het volk staat te juichen. Je kunt het je allebei zo goed voorstellen: dat juichen van de 'jongeren', net zo goed als het huilen van de ouderen. 't Is beide immers zo begrijpelijk, zo voor de hand liggend. Er klinkt dan ook geen woord van verwijt in Ezra 3, niet van de ouderen naar de jongeren toe, en evenmin van de jongeren naar de ouderen. Toch betekent dat niet dat het in feite lood om oud ijzer is of je nu bij die oude mensen staat te huilen, of bij die jongeren staat te juichen. Nee. Want hoeveel begrip iedereen ook zal hebben voor die ouderen, er zit toch meer toekomst in het juichen van de jongeren dan in het huilen van de ouderen. Niet het huilen om wat voorbij is, het terugverlangen naar hoe het vroeger was, is het meest bijbels, maar dat is dat andere: het juichen om dat wat komt. "Denkt niet aan hetgeen vroeger gebeurde en let niet op wat oudtijds is geschied; zie Ik maak iets nieuws", zegt de HERE (Jesaja 43:18-19; vgl ook Haggaï 2:4-5).
Als de kerk haar openheid naar de toekomst kwijtraakt, en alleen nog met het gezicht naar het verleden staat, houdt zij op in het heden een zoutend zout en een lichtend licht te zijn. Zo'n kerk heeft alleen nog betekenis in relatie tot het verleden; zo'n kerk hoort in een museum.
1 Koningen 20:23
Direct aansluitend bij het voorgaande: De Arameeërs menen dat ze het sterke punt van de God van Israël ontdekt hebben - en daarmee dus ook zijn zwákke punt: "Hij is vast een typische berg-god; geen wonder dat we in de bergen niet tegen Hem op konden. We moeten het strijdterrein verleggen: in de vlakte zullen wij de meerdere zijn van Israël". Wij, kinderen van God, lijken soms verbazend veel op die heidense Arameeërs. En wij zouden toch echt beter moeten weten.
Wij lopen het risico om - laat ik zeggen: het werkterrein van God, het gebied waarop Hij thuis is, te beperken tot dat stuk van het menselijk lasten oplegden dat bepaald wordt door woorden ais zonde, schuld en straf, en tot de cultuursituatie waarin het leven van de mensen door deze woorden werd bepaald. Nee. Onze God is Heer over heel het leven, over alle tijden, over alle culturen. De Arameeërs hebben het ervaren, en na hen de Romeinen, de mensen van de Franse revolutie en de communisten - reden genoeg zou ik denken voor Christenen om daar nu echt maar eens heel zeker van te zijn.
Matteüs 11:28
Wij zullen, zoveel als maar enigszins mogelijk is, moeten aansluiten bij de vragen die mensen nu stellen. En de uiteindelijke de kerk moeten redden; nee, we hebben er uiteindelijk geen andere en geen diepere reden voor dan deze, dat onze Here God zelf het zo doet en het altijd zo gedaan heeft; op z'n ailerduidelijkst in Zijn eigen Zoon, onze Here Jezus Christus. In Jezus komt God naar mensen toe; Hij zoekt op waar we zijn, Hij komt onze leefwereld binnen; en dat niet maar alsof, voor de schijn - even net doen of je het spelletje meespeelt; zoals grote mensen dat soms doen, "want dat is zo leuk voor die kleintjes" - nee, hier is alles volle ernst, hier wordt de mens tot in z'n diepste wezen gepeild en serieus genomen; de mens van alle tijden, óók van ónze tijd, met alle vragen en zorgen die eigen zijn aan déze tijd. Daarom, en daarom alleen, zullen ook wij alles doen om de mens van vandaag bereiken met het Evangelie van Gods liefde en genade. En daarom ook zullen we met elkaar spreken over de manier waarop we dat in onze wereld en in onze tijd zó kunnen doen dat het doel inderdaad wordt bereikt, en de antwoorden van de bijbel blijken te passen ook op de vragen van vandaag. Wij zijn geroepen de werkelijkheid van de mens van vandaag zo dicht mogelijk op de huid te zitten. Dat vraagt dan in de allereerste plaats dat je die werkelijkheid kent en tot je toelaat. En dat betekent weer: werkelijk luisteren naar de mens van vandaag, werkelijk luisteren ook naar wat er vaak in je eigen hart leeft. Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt", zegt Jezus. Een mens kan door heel verschillende oorzaken vermoeid en belast raken. De eerste hoorders van Jezus waren dat doordat de kerkelijke leiders hen veel te zware lasten oplegden. Luther was het omdat hij de zekerheid van zijn eeuwig heil niet kon vinden. En vandaag zijn mensen vermoeid en belast doordat ze eenzaam zijn, en hun leven leeg en zinloos lijkt. Maar wat ook de oorzaak is, tegen al die verschillende mensen in al die verschillende tijden, zegt Jezus: "Komt tot Mij". Méér hebben ook wij vandaag niet te zeggen.
Ten slotte
Aan het eind gekomen van dit artikel keer ik nog eenmaal terug naar het begin. Op de genoemde Schooldag in Kampen deed drs C.J. Haak een sympathiek voorstel: "Laten we tien predikanten uit onze kerk nemen en die samen met tien Nederlands Gereformeerden, tien christelijke gereformeerde, tien hervormde uit de Gereformeerde Bond en tien uit de Gereformeerde Gemeenten samen in De Bron zetten. We sluiten ze op, geven ze te eten en te drinken en ze mogen er pas weer uit, na een week of zo, wanneer ze gezamenlijk een nieuwe gereformeerde belijdenis voor de 21 e eeuw hebben gemaakt". Over praktische uitvoerbaarheid en kans van slagen heb ik het niet, maar ik proef in dit voorstel iets van hetzelfde onvermogen dat ik ook bij mezelf waarneem in het denken en het schrijven over dit onderwerp. Inderdaad: deze dingen kunnen wij niet alleen; we kunnen het zelfs niet met meerdere mensen uit maar één kerk; maar we hebben elkaar ervoor nodig: om vandaag, eind 20e eeuw, kerk van de Here Jezus te zijn in de wereld en in de tijd waarin God ons een plaats heeft gegeven.