Evelien

1997-11-28
  • Jaargang 41
  • nummer 24
'Als we met pensioen zijn, gaan we allemaal leuke dingen doen.' Hoe vaak had Herman dat niet tegen haar gezegd. En nu was het zover. Ze waren twee weken uit geweest. Hadden veel gepraat. Maar op de één of andere manier was er steeds kortsluiting ontstaan. Of ze elkaar een beetje kwijt waren. Of ze niet meer de oude, vertrouwde toon van vroeger terug konden vinden.
Op weg naar huis zouden ze ergens nog een kopje koffie gaan drinken, maar ze merkte dat hij er eigenlijk geen zin meer in had en het liefst doorreed. Toch stopten ze bij een aardig restaurant aan het water. Met een opgewektheid die ze absoluut niet voelde, liep ze voor hem uit naar binnen. Een plekje bij het raam.
De ober zette koffie en gebak voor hen neer. Ze zat tegenover hem aan het tafeltje en probeerde niet steeds naar hem te kijken. Ze wist zo ook wel dat zijn ogen triest stonden. Ze had dat de afgelopen weken steeds gezien als hij dacht dat ze niet keek. Ze dronk haar koffie met kleine teugjes, kon het niet laten toch weer naar hem te kijken.
Hij zat daar, zo afwezig, zo afstandelijk, alsof hij niet bij haar hoorde maar een wildvreemde was, die toevallig aan hetzelfde tafeltje was komen zitten. Hij nam een hap van zijn gebak. Ze zag hem opkijken en probeerde zijn blik vast te houden. Dat lukte even. Dan dwaalden zijn ogen van haar af naar buiten waar het water zo nu en dan fel in de zon schitterde.
Wat was er in vredesnaam met hem aan de hand? Het leek wel of ze weer moesten leren omgaan met elkaar.
Jarenlang waren er bliksemafleiders geweest: gezin, werk, kerk. Zo leefde je toch? De tijd glipte ongemerkt tussen je vingers door. En opeens was je werkzame leven voorbij en kon je van de rust gaan genieten. Maar hoe vaak liep dat niet anders dan je had gedacht. Dat zag je toch ook om je heen? Neem nu in hun geval alleen dit maar. Samen uit, en dan depressief worden van de houding van de ander. Niet weten waar dat door komt, gesprekken die onbevredigend eindigen, het gevoel de ander niet meer te kunnen bereiken. Maar al waren er dan talloze redenen waardoor je uit elkaar gegroeid kon zijn in de loop der jaren, je hield toch van elkaar en op die noemer moest je elkaar toch weer kunnen terugvinden?
Ergens gedurende deze weken had ze gedacht: ik wil er alles aan doen om ons huwelijk weer op toonhoogte te krijgen, we kunnen er toch samen aan werken? Maar nu had ze het gevoel gekregen dat het voor Herman niet hoefde. Bijna veertig jaar samen, kom, dan kende je elkaars voorspelbare reacties. Dat veranderde gewoon niet meer, waar zou je je druk om maken. Je zat je tijd gewoon uit. Gekke dingen haalde ze nu in haar hoofd. Bijvoorbeeld de gedachte dat hij op haar uitgekeken was. Dat ze zo'n meubelstuk was geworden dat hij haar gewoon niet meer echt zàg. Of was zijn afwezigheid, zijn vergeetachtigheid zo nu en dan, de oorzaak van alles? Práátte hij er nou maar over, dan konden ze elkaar helpen. O, ze werd gek van het denken. Thuis had ze het toch niet zo in de gaten gehad als nu. Ze keek naar buiten. Hij hoefde niet te zien dat ze met alle geweld tegen haar tranen moest vechten.

Wat wil ik nu eigenlijk, vroeg ze zich af toen ze weer in de auto zaten. Ik wil me gelukkig voelen en daarvoor ben ik afhankelijk van Hermans aandacht en liefde voor mij. Nu hij, waar dan ook door, zich van mij terugtrekt, nu ben ik in paniek. Krijg ik misschien in deze levensfase een nieuwe opdracht? Of is het dezelfde opdracht, alleen op een hoger niveau? Liefhebben. Liefhebben. Liefhebben. Ik moet mijn man liefhebben, nu.
'Gij zult liefhebben.' Zult. Het is een gebod. Nu mijn liefste en ik ouder worden. Nu hij verlammend op me werkt (en ik misschien wel op hem!) Nu zijn lichaamskracht vervalt. Nu ouderdomsverschijnselen de kop kunnen opsteken. Nu het heel anders lijkt te gaan dan ik ooit heb gedacht. Nu ik hem in liefde moet dienen zonder iets terug te verwachten.

Ze kwamen thuis. In de gang, met haar jas nog aan, sloeg ze haar armen om hem heen.
'Herman!' Hij keek haar aan. Hij kéék haar werkelijk aan. 'Ik hou van je!' Ze kuste hem, en nog eens, alsof ze weer zijn meisje, zijn bruid, zijn jonge vrouw was. Ze zag in zijn ogen de verwondering groeien tot een overrompelende glimlach die haar warm maakte van binnen. Waarom zeg ik dat niet vaker tegen hem, dacht ze beschaamd. Het kost me niets, en 't is nog wáár ook. In voorspoed en tegenspoed, ik hou gewoon van hem. En, zo waar als ze hier stonden, dat zou ze hem laten merken óók.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief