Het beroep op Psalm 103 in Den Heyers boek over de verzoening (1)

1997-12-12
  • Jaargang 41
  • nummer 25
In zijn inmiddels bekende boek over de verzoening komt professor Den Heyer een paar maal te spreken over Psalm 103. De tweede keer dat hij dat doet, op pagina 54, haalt hij van de psalm de verzen 8 en 9 aan en hij vervolgt dan: “Ik citeerde deze woorden al in een eerder hoofdstuk, maar ze zijn voor mijn besef van zo centrale betekenis voor het beeld dat de Bijbel van God geeft, dat ik er goed aan meen te doen ze hier nog eens expliciet neer te schrijven.” Psalm 103 van centrale betekenis voor het bijbelse beeld van God – het lijkt me geen gekke greep.

Ik moest denken aan wat destijds de geseculariseerde Henk van Randwijk, verzetsstrijder en medeoprichter van Vrij Nederland, van het christelijk geloof wilde overhouden. Dat was ook een zin uit deze honderdenderde Psalm, uit de oude berijming van diezelfde passage: "Hij is het die ons zijne vriendschap biedt", - een anekdotische bijzonderheid die me ontroert zo vaak ze me in het geheugen schiet. Zowel Van Randwijk als Den Heyer doen met het aanhalen van Psalm 103 inderdaad een greep naar een centraal bijbels getuigenis. Als je de psalm bij vers 8 opslaat lees je: "Barmhartig en genadig is de HERE, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid", en dat komt uit Exodus 34 vandaan, waar de Here God zelf zijn volledige naam voor de oren van Mozes uitroept: "HERE, HERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft; maar de schuldige houdt Hij zeker niet onschuldig, de ongerechtigheid der vaderen bezoekende aan kinderen en kindskinderen, aan het derde en vierde geslacht" (Ex. 34:6, 7). Deze brede naamsontvouwing, en vooral het eerste gedeelte ervan, heeft in de rest van het Oude Testament een krachtige weerklank gevonden (Num. 14:18; Ps. 86:15; 103:8; 145:8; Joël 2:13; Jona 4:2; Neh. 9:17).
En reeds eerder dan bij het herstel van het verbond waar Exodus 34 van vertelt, in het tweede gebod namelijk, wordt dit thema al aangeslagen (Ex. 20:5, 6). Wel een bewijs, dit één zowel als het ander, dat het hier niet om iets bijkomstigs gaat. Den Heyer heeft gelijk, het gaat om iets centraals in de bijbelse beeldvorming van God. Ik aarzel niet om dit een punt van grote overeenstemming tussen ons, hem en mij, te noemen.

De eenvoud van Psalm 103
Maar toch wil ik met professor Den Heyer over juist dat psalmcitaat in discussie gaan om zo onze diepste gedachten over de verzoening boven water te krijgen. Een boekbespreking in de diepte, zo zou je mijn bijdrage van dit keer kunnen noemen. Den Heyers boek kan natuurlijk op vele wijzen besproken worden en dat is ook wel gedaan, maar ik vermoed dat hij met zijn verwijzing naar Psalm 103, die je toch wel een geliefde psalm van de gemeente mag noemen, bij velen overkomt.
In ieder geval bij mij. Kunnen wij het inderdaad bij het nadenken over de verzoening niet laten bij wat daar in de psalm zo eenvoudig gezegd wordt, dat de Here niet altoos blijft twisten en niet eeuwig zal toornen? En dan met het haast poëtische commentaar dat Den Heyer daarbij geeft: "De bijbel is veelkleurig en God heeft vele 'gezichten'.
Gods straf kan vreselijk zijn, maar kent ook een grens. Gods toorn is verschrikkelijk, maar duurt niet eeuwig. Naar menselijke maatstaven gemeten is God op een mysterieuze wijze 'onberekenbaar'.
Hij blijft niet eeuwig aan zichzelf gelijk, maar verandert wanneer Hij dat wil en noodzakelijk acht" (p. 37)? Hier wordt gezegd en blijkt het ook niet uit de psalm zelf dat God voor de verzoening met ons mensen het voldoenend offer van Christus aan het kruis niet nodig had? En dat Hij spontaan zijn genade als een grotere kracht dan zijn toorn naar ons toe kan keren? Inderdaad, Hij is het die ons zijne vriendschap biedt. Is het wel waar dat Hij zijn barmhartigheid afhankelijk heeft gemaakt van zijn rechtvaardigheid? Van zijn rechtvaardigheid die vorderde dat de zonde welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan was, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft werd (zoals de Heidelberger onder antwoord 11 zegt)? En dat dáár het lijden en de dood van Christus voor nodig waren? Is dat in het licht van Psalm 103 wel vol te houden? Je kunt wel zeggen dat wat Den Heyer met zijn boek beweert het oude protest tegen de bloedtheologie dat reeds in de vorige eeuw met zoveel verve naar voren is gebracht, nieuw leven inblaast, maar een echte weerlegging van zijn gedachtegang is dat nog niet. Ik tenminste vind het een goede zaak dat we telkens weer worden gedwongen om over de weg die God voor de verzoening gekozen heeft na te denken. Dat voorkomt klakkeloosheid die zeker op dit stuk vermeden moet worden.

Twee schriftplaatsen
Maar voordat we nu met Den Heyer de verregaande conclusies van zoëven uit het psalmwoord gaan trekken, mogen we ons toch wel afvragen of we er misschien een verkeerd gebruik van maken. Ik meen te kunnen laten zien dat de bijbel zelf ons over het goede gebruik van Psalm 103 onderwijst. De zin 'Niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen' komen we namelijk nog twee keer bij de profeten tegen. Eén keer in de ik-vorm en dan is het de Here God zelf die ermee komt. Dat is in Jesaja 57:16: "Want Ik zal niet altoos twisten, noch voor eeuwig toomig zijn".
Troostend zegt God dit tegen zijn volk dat onder het geweld van zijn toom dreigt weg te kwijnen. De andere maal is het Jeremia die in het derde hoofdstuk van het naar hem genoemde boek, bij vers 5, dit woord aan Israël in de mond legt, en wel als vraag: "Zal Hij immer toomen of voor altoos de wrok behouden?", waarbij Israël erop rekent dat het antwoord nee is. "Hij zal toch zeker niet...", zou je kunnen vertalen. Een dubbele echo dus bij de profeten op de zo bekende zin. In Psalm 103 staan blijkbaar dingen waar Israël in zijn geschiedenis herhaaldelijk mee bezig is geweest. Het is daarom leerzaam op beide schriftplaatsen wat nader in te gaan en aan de hand daarvan na te gaan wat je met de bekende psalm regel wel en niet mag doen.

Jeremia 3:4 en 5
We beginnen met de profeet Jeremia.
Met Jeremia 3 zitten we in de begintijd van het optreden van de profeet, ergens tussen 630 en 620 vC. Jeremia heeft dan de reformatie onder koning Josia meegemaakt en geeft daar zijn commentaar op. Wat het volk betreft is hij niet onder de indruk van een echte bekering en een welgemeend berouw.
.Juda heeft zich niet tot Mij bekeerd met haar hele hart, maar in schijn" (vers 10), luidt Gods vonnis bij hem. De latere uitkomst heeft dit harde oordeel van de profeet volledig in het gelijk gesteld; het was toen een halve reformatie waar alleen koning Josia helemaal achter stond. Om nu het onmogelijke van zo'n onechte terugkeer tot de Here in het licht te stellen, gebruikt de profeet een beeld, dat hij aan Israëls wetgeving ontleent. In Deuteronomium 24 wordt bepaald dat na een echtscheiding en een nieuw gesloten huwelijk dat ook weer door echtscheiding of door de dood van de ene partner wordt ontbonden, herstel van het oorspronkelijke huwelijk niet mogelijk is. Dit om te voorkomen dat Israël er wat het huwelijk betreft een rommeltje van zou maken. Trouwen moest serieus genomen worden, scheiden ook. Nu was Israëls wetgeving geestelijk van aard. De bedoeling van deze bepaling was dan ook niet zozeer om formeel zo'n huwelijksherstel te verbieden, als wel om vast te stellen dat zoiets nooit lichtvaardig zou kunnen plaatsvinden. Een behoorlijke rouwmoedigheid moest ermee gepaard gaan, als twee gescheidenen zoiets wilden. 'Dat gaat zomaar niet', is de essentie van de gestelde regel. In die zin gebruikt nu de profeet deze wetsbepaling om Israëls schijnbekering aan de kaak te stellen en eigenlijk voor ongeldig te verklaren: Jer.
3:1 zegt: "Indien een man zijn vrouw verstoot en zij gaat van hem weg en wordt de vrouw van een andere man, zal hij dan - zomaar (voeg ik toe) - tot haar mogen terugkeren? Zal niet het land waar dat geduld wordt ten zeerste ontwijd worden? Doch gij hebt ontucht gepleegd met vele minnaars - en dan (nog eens: zomaar) tot Mij terugkeren?"
De profeet ergert zich dus aan de oppervlakkigheid waarmee het volk tot de Here terugkeert en somt daarom nog eens op wat er na het verlaten van de Here God door Israël allemaal wel niet gedaan is. Als het nu nog zo was dat Israël met het schaamrood op de kaken de terugweg insloeg ... "Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij verkiest u niet te schamen" (vers 3).

Vergeven is bij God geen zaak van zomaar
En nu de verzen 4 en 5, waarin de woorden voorkomen die we uit Psalm 1O~ zo goed kennen. De passage begint als volgt: "Noemt gij Mij niet van nu af: mijn vader, mijn jeugdmaatje zijt Gij?" Zijn dat nu twee elkaar uitsluitende metaforen die door elkaar heenlopen? Enerzijds die van Israël als kind van de Verbondsgod en anderzijds die van Israël als echtvriendin van de Here? Of wist men in de oudheid die twee voorstellingen toch te combineren? Wordt, bijvoorbeeld, in I Corintiërs 7:36-38 de verloofde of de vader van het meisje bedoeld? Of is de verloofde een soort vader? Dat is niet geheel duidelijk. Hoe dat nu verder ook zij, het woord dat ik met 'maatje' vertaald heb, is seculier van aard en wordt nergens meer op God als verbondspartner toegepast. Ik zie er dan ook een gebrek aan serieusheid van Israëls kant in dat het zich met zo'n familiaire term tot God richt. En het is nu in diezelfde frivole stemming dat het vervolgens uit Israëls mond klinkt: "Hij zal toch niet immer toomen, toch niet altijd wrok koesteren?" God zal toch wel vergeven? G'est son métier, dat is zijn vak! Maar wat een vergissing! Gods vergiffenis is niet iets van zomaar, geen vorm van willekeur of van geheugenverlies of van growing sadder and wiser.
Zeker, zegt u, maar is het toch geen bijbelse spreekwijze die Gods volk hier hanteert? Dezelfde immers die we in Psalm 103 aantreffen? Inderdaad, de woorden deugen wel, maar de gedachte erachter niet. En ten bewijze daarvan wijst de profeet de kloof aan tussen zeggen en doen: "Zie, zo spreekt gij, maar gij doet het kwade en maakt u daarin sterk". Het beroep op die prachtige zin van Psalm 103 is onterecht, vindt de profeet, zo mag je het schitterende gegeven dat Gods toom zijn maat kent niet gebruiken. Over Gods vergeving kan alleen maar met de grootste eerbied gesproken worden.

Verzoenen en betalen
Nu moet de lezer mij goed begrijpen.lk_' zeg niet dat Den Heyer op gelijke wijze als het Israël van destijds dat deed, van Psalm 103 gebruik maakt. Alleen, zo, op de manier van Jeremia 3, kán er gebruik van gemaakt worden. En mijn vraag aan hem is: zal het, alle goede bedoelingen ten spijt, tot die oppervlakkigheid niet vanzelf komen, als je het betalend offer van Christus uit de verzoening wegsloopt? Gaat er dan niet iets heel wezenlijks uit verloren? Had koning Salomo volgens I Koningen 8 Israël niet geleerd om vooral in de tempel, dat wil zeggen op de plaats van het offer, de Here God om vergeving te vragen?
Om Israël door het zien van de prijs respect voor dit grote geschenk bij te brengen? 'Gij zijt duur gekocht', of 'gekocht en betaald', schrijft Paulus aan de Korintiërs (I, 6:20; 7:22). Dat mag dan een metafoor zijn, zoals Den Heyer ons op p. 60/61 met nadruk voorhoudt, maar die metafoor slaat wel ergens op en is bovendien diep in het Oude Testament verworteld. Voor dat laatste roep ik het woord koter uit de Hebreeuwse bijbel als getuige op, dat zowel zoengeld als losgeld betekent en dat derhalve de idee van verzoenen en betalen op het nauwst aan elkaar verbindt. Verzoenen met God impliceert een betalen aan God, durf ik op grond hiervan te zeggen. Je mag op dat 'gekocht en betaald' van Paulus dan ook een tekst als Job 33:24 laten rijmen, waar God zegt: "De losprijs heb Ik ontvangen' (zie ook Psalm 49:8). Het is wel waar datzoals men hiertegen inbrengt - het beeld van God als de ontvanger van de losprijs in het Nieuwe Testament meestal niet expliciet wordt opgeroepen, maar een veel sterker argument zou het zijn als men kon aantonen dat het Nieuwe Testament met die oudvertrouwde voorstelling die Jood en heiden aansprak, brak. Het meestal zwijgen over God als ontvanger van de losprijs kan ook anders verklaard worden: de betaling was een zaak tussen God en Christus; ons mensen gaat meer het effect daarvan aan. Dáár legt de Schrift doorgaans de nadruk op. Dat dus, maar het zwijgen is ook niet totaal. Een tekst als Efeziërs 5:1 (Christus heeft zich voor ons overgegeven "als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende geur"; de tekst wordt bij Den Heyer niet besproken) laat zonneklaar zien dat de spits van het verzoenend handelen van Christus op God gericht was. (De spits van het verzoenend handelen van God was op ons gericht, maar de spits van het verzoenend handelen van Christus was op God gericht.) Christus gaf zijn leven als losprijs, als aangenaam en dus als betalend en verzoenend offer voor ons aan God.

Vreselijk
En de hoogte van die losprijs staat de psalmist voor ogen als hij zegt: 'Bij U, HERE, is de vergeving, opdat Gij gevreesd wordf(Psalm 130 : 4)Wij kennen 'de prijs der kwijtschelding' (de term is van Calvijn): het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon. Dat maakt het verzoeningsgebeuren in de letterlijke betekenis van het woord vreselijk.
("Heerlijk dat het gebeurd is, maar' vreselijk dat het gebeuren moest", zei eens één van mijn catechisanten bij het belijdenisonderzoek.) Van het huiveringwekkende dat op deze manier de verzoening kenmerkt zegt ook nog een andere psalm (U weet wel, die van: "Ongerechtigheden hadden de overhand over mij; onze overtredingen - Gij verzoent ze"): "Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, 0 God van ons heil" (Psalm 65:6). De weg die God voor de verzoening van onze zonden gekozen heeft, de weg over het offer op Sion eerst en .op Golgota vervolgens, is inderdaad om van te sidderen. Zoals gezegd: "Bij U is de vergeving opdat Gij gevreesd wordt"
en niet: opdat er een loopje met U genomen wordt. En nu weet ik wel, de nawerking van deze geduchte verzoeningsleer is zomaar niet weg, ook bij Den Heyer niet, maar moet je je niet afvragen of dat op de duur toch niet het geval zal zijn? Dat men zal ophouden zich over de vergeving en de verzoening te verwonderen? Dat men ons christelijk geloof door het glad polijsten van het Godsbeeld zal verburgerlijken? En zal dan het oppervlakkige vanzelfsprekendheidsgeloof à la Jeremia 3 niet zijn kansen krijgen? Dat is de vraag die ik in het midden leg en waarmee we naar de andere tekst bij Jesaja gaan. Maar daarvoor moet u veertien dagen wachten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief